Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Vilaça van 21 januari 1988. - SANTO PICCIOLO TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAAR - BEOORDELING. - ZAAK 1/87.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 00711
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De feiten en de antecedenten van het geschil
1 . In deze zaak gaat het om het beoordelingsrapport van verzoeker, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, over de periode 1 juli 1981 - 30 juni 1983 .
2 . Onder verwijzing naar diverse onregelmatigheden in de procedure die tot vaststelling van dat rapport heeft geleid, vordert verzoeker nietigverklaring van het besluit van 5 maart 1986 van het lid van de Commissie dat het beoordelingsrapport definitief heeft vastgesteld, en toekenning van één frank schadevergoeding voor de morele schade die hij zou hebben geleden .
3 . In de periode waarop het rapport betrekking heeft, was verzoeker tot 1 januari 1983 tewerkgesteld bij het Publikatiebureau van de Europese Gemeenschappen en vanaf die datum bij directoraat-generaal XVIII van de Commissie . Op 24 juni 1982 werd hij gekozen als lid van het personeelscomité te Luxemburg, waarvan hij vervolgens vice-voorzitter werd .
4 . De eerste versie van het beoordelingsrapport, in november 1983 vastgesteld door de directeur van het Publikatiebureau en medeondertekend door een directeur van DG XVIII, werd door verzoeker op verschillende punten betwist .
5 . Daarop probeerde de eerste beoordelaar tot een gesprek te komen met verzoeker, in de zin van artikel 6 van de Algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut ( hierna : de algemene uitvoeringsbepalingen ), wat echter niet lukte doordat verzoeker het gesprek weigerde . Het dossier werd toen in april 1984 voorgelegd aan de "speciale groep beoordelaars" die is ingesteld voor de beoordeling van ambtenaren die een mandaat als personeelsvertegenwoordiger vervullen . Het oordeel van die groep werd in december 1984 tezamen met een nieuw beoordelingsrapport ter kennis van verzoeker gebracht .
6 . Dit rapport bevatte niet enkel een betere omschrijving van verzoekers werkzaamheden, maar ook een bijzondere motivering van het feit dat de gespecificeerde beoordeling op het punt "plichtsgevoel" lager was dan in eerdere rapporten (" zeer goed" in plaats van "uitstekend ").
7 . Daarmee niet tevreden wendde verzoeker zich tot de beoordelaar in beroep, het lid der Commissie N . Mosar . Na de betrokkene te hebben gehoord, besloot deze aanvankelijk geen enkele verandering in het rapport aan te brengen . Nadat de zaak vervolgens op verlangen van verzoeker aan het paritair beoordelingscomité was voorgelegd, stelde de beoordelaar in beroep op 5 maart 1986 het beoordelingsrapport definitief vast in de vorm waarin het door de eerste beoordelaar was opgesteld, maar met een ander commentaar met betrekking tot het plichtsgevoel van de beoordeelde ambtenaar . De klacht die verzoeker vervolgens indiende, is door de administratie niet beantwoord en moet dus worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen .
8 . Voor meer feitelijke gegevens verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
2 . De vordering tot nietigverklaring : bespreking van de middelen
9 . Voor zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker niet minder dan negen middelen aan .
10 . Ik zal ze een voor een bespreken, in de volgorde waarin verzoeker ze heeft genoemd en die ook in het rapport ter terechtzitting is aangehouden .
a ) Eerste middel
11 . Volgens verzoeker mag de beoordelaar in beroep na een advies van het paritair beoordelingscomité het rapport niet in ongunstige zin veranderen, en zeker niet wanneer dat zonder voldoende motivering gebeurt .
12 . Toch zou dit zich in casu hebben voorgedaan en daarmee zouden artikel 7, derde en vierde alinea, van de algemene uitvoeringsbepalingen en punt C 2 van de Gids voor de beoordeling zijn geschonden .
13 . Dit middel mist feitelijke grondslag .
14 . In de eerste plaats heeft de beoordelaar in beroep de gespecificeerde beoordeling niet gewijzigd ten opzichte van het voorgaande rapport . Het enige wat hij gewijzigd heeft, is de tekst van het facultatieve commentaar waarmee die beoordeling is gemotiveerd .
15 . In de tweede plaats is die wijziging aangebracht "op advies van het comité", dat van oordeel was dat het oorspronkelijke commentaar van de eerste beoordelaar "dubbelzinnig" was en dat de "algemene beoordeling" in het eerste rapport te weinig gedetailleerd was .
b ) Tweede middel
16 . Volgens verzoeker zijn artikel 7, tweede alinea, van de algemene uitvoeringsbepalingen en punt B.9.3 . van de Gids voor de beoordeling niet in acht genomen, doordat de beoordelaar in beroep verzuimd heeft de eerste beoordelaar te horen, en zijn besluit heeft genomen op basis van een dossier waarin het aanvankelijke beoordelingsrapport ontbrak .
17 . Dat middel kan niet slagen .
18 . In haar verweerschrift en in haar antwoord op vragen van het Hof heeft de Commissie immers verklaard, dat het rapport van 28 november 1983 zich al in verzoekers persoonsdossier bevond toen dit door de heer Mosar werd bestudeerd, en dat de heer Mosar op 19 februari 1985 een lang telefoongesprek heeft gehad met de eerste beoordelaar, waarbij uitgebreid over verzoekers beoordelingsdossier is gesproken .
19 . Deze verklaring van de Commissie heeft verzoeker niet weersproken en hij heeft geen enkel ander bewijs of gegeven aangevoerd voor de gestelde onregelmatigheden .
20 . Ik merk nog op dat de Gids voor de beoordeling, die, aldus het Hof in het arrest Blasig ( 1 ), tot doel heeft "de hiërarchieke superieuren die overeenkomstig artikel 43 van het Statuut met het opstellen van de beoordelingen van de ambtenaren zijn belast, aanwijzingen te verschaffen", geen bepaalde vorm voorschrijft voor de raadpleging van de eerste beoordelaar .
c ) Derde middel
21 . Verzoeker stelt schending van artikel 6 van de algemene uitvoeringsbepalingen en punt B.8.1 . van de Gids voor de beoordeling alsmede van de algemene beginselen ter zake van het recht van verweer : doordat er geen gesprek met de eerste beoordelaar is geweest, nadat verzoeker dat aanvankelijk geweigerd had omdat de omstandigheden waaronder zijns inziens onregelmatig waren, zou hij van een "instantie" zijn beroofd . De onregelmatigheid op grond waarvan verzoeker het gesprek had geweigerd, was het feit dat het aanvankelijke rapport zijns inziens niet volledig was omdat het niet was geviseerd door de speciale groep beoordelaars .
22 . Wat hiervan te denken?
23 . Het doel van het in artikel 6 van de algemene uitvoeringsbepalingen en punt B.8.1 . van de Gids voor de beoordeling bedoelde gesprek is, naar uit die bepalingen blijkt, te komen tot een open en diepgaand contact, ten einde partijen in staat te stellen een juist beeld te krijgen van de aard, redenen en omvang van hun eventuele meningsverschillen en tot een beter begrip van elkaars standpunt en een juistere beoordeling van het rapport te komen; het resultaat kan eventueel zijn, dat het rapport alsnog wordt gewijzigd .
24 . Voor een dergelijk gesprek heeft de eerste beoordelaar verzoeker herhaaldelijk uitgenodigd ( nota' s van 13 februari, 5 maart en 9 maart 1984 ), maar verzoeker heeft die uitnodigingen formeel afgeslagen en integendeel al in zijn eerste opmerkingen bij het rapport en vervolgens in een nota van 1 maart 1984 verlangd, dat het dossier aan de beoordelaar in beroep zou worden gezonden .
25 . Het is dus duidelijk verzoeker zelf die te kennen heeft gegeven van het gesprek te willen afzien .
26 . Uit niets blijkt overigens, dat de raadpleging van de speciale groep beoordelaars - waartoe de eerste beoordelaar ingevolge punt B.1.2.2.2,I . van de Gids voor de beoordeling moet overgaan - vóór dat gesprek dient plaats te vinden .
27 . Ik wijs hier op artikel 6 van de algemene uitvoeringsbepalingen, dat duidelijk bepaalt dat het gesprek tussen de eerste beoordelaar en de ambtenaar moet plaatsvinden binnen vijftien werkdagen nadat het rapport ter kennis van laatstgenoemde is gebracht . Een verdere voorwaarde wordt daar niet gesteld .
28 . In casu zou zo een gesprek naar men mag aannemen, de zaak van verzoeker juist sterker hebben gemaakt en wellicht zouden er tevens omstandigheden mee zijn geschapen die gunstig waren geweest voor de raadpleging van de speciale beoordelaars . Het gesprek zou dus niet enkel verzoeker niet hebben geschaad, maar wellicht nuttig zijn geweest voor het goede verloop van de beoordelingsprocedure .
29 . Wat daarvan zij, in tussentijd had de eerste beoordelaar het geval voorgelegd aan de speciale groep beoordelaars, en hij deed hun opmerkingen te zamen met het nieuwe rapport aan verzoeker toekomen . Na de ontvangst daarvan op 10 januari 1985 stelde verzoeker al op 17 januari opnieuw voor, het dossier aan de beoordelaar in beroep te zenden .
30 . Zo gezien, kan hij zich thans bezwaarlijk beroepen op schending van zijn recht van verweer .
31 . Daar verzoeker bovendien een onderhoud heeft gehad met de beoordelaar in beroep, valt niet in te zien - met name rekening houdend met mijn conclusie ten aanzien van het tweede middel - waarom dat onderhoud "zuiver formeel" zou zijn geweest .
32 . Zelfs indien verzoeker het gesprek terecht had geweigerd, zou dat gebrek zijn goedgemaakt door het latere gesprek met de beoordelaar in beroep . Dit volgt duidelijk uit 's Hofs arrest Turner van 1985 . ( 2 ) Juist zoals in die zaak gaat het thans om het door de beoordelaar in beroep vastgestelde definitieve beoordelingsrapport en de geldigheid daarvan is niet afhankelijk van de vraag, of er in een eerdere fase van de procedure een gesprek heeft plaatsgehad .
d ) Vierde middel
33 . Verzoeker stelt schending van artikel 3, tweede alinea, van de algemene uitvoeringsbepalingen en punt B.5.2.2 . van de Gids voor de beoordeling, doordat zijn rechtstreekse meerdere bij DG XVIII, het hoofd van de gespecialiseerde dienst "Ontvangsten en betalingen", niet is geraadpleegd, terwijl de directeur van DG XVIII enkel voor gezien heeft getekend zonder vooraf te zijn geraadpleegd .
34 . Ik geloof niet dat de gestelde verzuimen tot nietigheid van het beoordelingsrapport kunnen leiden .
35 . Wat in de eerste plaats het feit betreft dat verzoekers nieuwe chef niet vooraf is geraadpleegd, moet worden erkend dat deze de eerste versie van het rapport pas heeft geviseerd ( op 5 december 1983 ) toen het al was getekend door de eerste beoordelaar ( op 28 november 1983, naar het schijnt ).
36 . Het door de eerste beoordelaar opgestelde nieuwe rapport draagt eveneens de handtekening van de directeur van DG XVIII, met de datum 12 december 1984, de dag vóór die waarop het rapport door de betrokken beoordelaar is ondertekend .
37 . Artikel 3 van de algemene uitvoeringsbepalingen nu bepaalt, dat de andere chefs vooraf geraadpleegd worden, dat zij het rapport voor gezien tekenen en, in geval van verschil van mening met de beoordelaar, opmerkingen kunnen maken .
38 . Verder bepaalt punt B.5.2 . van de Gids voor de beoordeling, dat die raadpleging dient plaats te vinden voordat de beoordelaar de algemene en gespecificeerde beoordeling vaststelt, en dat de raadpleging in de praktijk aldus gebeurt, dat de geraadpleegde de rubrieken 10 en 11 van het standaardbeoordelingsformulier invult .
39 . Dit laatste is geenszins een dwingend voorschrift, maar zoals uit de formulering zelf blijkt, eerder een praktisch advies .
40 . Bovendien vind ik het in casu overdreven om een nieuwe raadpleging van de hiërarchieke meerdere te verlangen, wanneer deze al gehoord is toen de eerste beoordelaar het tweede rapport opstelde; toen heeft hij zijn mening kunnen geven, zo hij het al niet gedaan had naar aanleiding van het eerste rapport .
41 . De directeur van DG XVIII heeft zowel het ontwerp van het eerste als van het tweede rapport gekregen en heeft beide zonder het minste bezwaar te maken getekend, wat hij zeker niet gedaan zou hebben indien hij het niet eens was geweest met de beoordelingen .
42 . In ieder geval dient men te bedenken dat die raadpleging, zoals punt B.5.2 . van de Gids voor de beoordeling zegt, tot doel heeft de beoordelaar de nodige informatie te verschaffen, en niets afdoet aan diens eigen verantwoordelijkheid . Na die raadpleging zal hij dus in principe moeten beslissen, of hij op grond van de verkregen inlichtingen kan aannemen voldoende geïnformeerd te zijn .
43 . Met betrekking tot de omstandigheid dat verzoekers directe chef bij DG XVIII niet is geraadpleegd, wijs ik erop, dat volgens punt B.5.2.2.a ) van de Gids voor de beoordeling, wanneer de beoordeelde ambtenaar tijdens de referentieperiode naar een andere dienst is overgeplaatst, de beoordelaar de ambtenaar moet raadplegen die bij die andere dienst de beoordelingen opstelt ( voor A-ambtenaren is dat de directeur ), en dat slechts "zo nodig" de meerderen van de beoordeelde in de geraadpleegde dienst moeten worden gehoord (( punt B.5.2.2.a ), laatste alinea )).
44 . Verder merk ik op, dat verzoeker stelt noch bewijst dat een van die verzuimen zijn positie in het kader van de beoordelingsprocedure heeft geschaad, of dat hij, indien de raadpleging in de door hem gewenste vorm had plaatsgevonden, zich in een betere positie had of kon hebben bevonden .
45 . Men notere overigens, dat de minder gunstige beoordeling waarover verzoeker zich beklaagt, betrekking heeft op de periode waarin hij bij het Publikatiebureau werkte ( zoals uit de stukken blijkt ), terwijl degenen die ten onrechte niet geraadpleegd zouden zijn, zijn nieuwe superieuren zijn in de tot DG XVIII behorende dienst waarheen hij is overgeplaatst . Met betrekking tot de tijd dat hij bij deze laatste dienst werkzaam was, dat wil zeggen de laatste zes maanden van de referentieperiode, bevat het rapport echter geen enkele ongunstige beoordeling .
46 . De situatie verschilt dus volstrekt van die waarom het in het reeds genoemde arrest Turner ging; daar was niet in het minst rekening gehouden met de mening van de vroegere chef van de verzoekster, die veel gunstiger was dan die welke in het beoordelingsrapport tot uitdrukking kwam, en daar kon men dus inderdaad van een benadeling spreken . ( 3 )
e ) Vijfde middel
47 . Volgens verzoekster is inbreuk gemaakt op artikel 2, derde alinea, van de algemene uitvoeringsbepalingen en op punt B.5.2.1 . van de Gids voor de beoordeling, in de eerste plaats omdat het in het kader van de beoordelingsprocedure geraadpleegde hoofd van de gespecialiseerde dienst OP 4 van het Publikatiebureau niet de juiste hoedanigheid bezat om als verzoekers hiërarchieke meerdere beschouwd te kunnen worden - hij was immers maar hulpfunctionaris -, en in de tweede plaats omdat diens raadpleging in ieder geval onregelmatig was geweest, want het was geen raadpleging vooraf geweest, maar naar de vorm enkel een visering .
48 . Wat dit laatste punt betreft, verwijs ik naar wat ik met betrekking tot het vorige middel heb opgemerkt, en naar de conclusie waartoe ik daar ben gekomen; mutatis mutandis gelden die opmerkingen en die conclusie ook hier, want het is zeker, dat het betrokken diensthoofd het "herziene" rapport twee dagen eerder heeft getekend dan de eerste beoordelaar .
49 . Ook het eerste punt lijkt mij ongegrond . Waar het op aankomt, is de functie die iemand vervult en waarin hij herkenbaar is als de meerdere van een ander; daarbij is de aard van de betrekking die er tussen hem en de instelling bestaat, van geen belang .
50 . Punt B.1.2.1 . van de Gids voor de beoordeling, dat aangeeft wie de beoordelaar is, is op dit punt zeer duidelijk : "Zodra een ambtenaar of een ander persoonslid in een ambt is aangesteld, oefent hij hiervan alle bevoegdheden uit, met inbegrip van het beoordelen van de ambtenaren die tot zijn administratieve eenheid behoren ."
51 . Op hulpfunctionarissen zijn bovendien ingevolge artikel 54 van de Regeling andere personeelsleden de artikelen 11 tot en met 25 van het Statuut van toepassing, waaronder dus artikel 21, dat bepaalt dat de ambtenaar "verantwoordelijk is voor de uitvoering van de taken welke hem zijn toevertrouwd", en dat "de ambtenaar, belast met de zorg voor de gang van zaken in een dienst, verantwoordelijk is tegenover zijn chefs voor de uitoefening van het gezag dat hem is toegekend, alsmede voor de uitvoering der door hem verstrekte opdrachten ". Daar komt in dit geval nog bij, dat de ambtenaar tegen wiens raadpleging verzoeker thans bezwaar maakt, in dezelfde hoedanigheid al betrokken was geweest bij de opstelling van twee eerdere beoordelingsrapporten, zonder dat verzoeker zich daarover heeft beklaagd .
f ) Zesde middel
52 . Verzoeker stelt schending van artikel 5, tweede alinea, van de algemene uitvoeringsbepalingen, volgens hetwelk "alle wijzigingen in de gespecificeerde beoordelingen ten opzichte van de vorige beoordeling dienen ... te worden gemotiveerd ".
53 . Voor deze stelling kan ik geen grond ontdekken . Het rapport in zijn versie van 13 december 1984 bevatte immers een motivering van de nieuwe beoordeling van verzoekers plichtsgevoel, welke motivering in het definitieve rapport door de beoordelaar in beroep is gewijzigd in verband met het advies van het paritair beoordelingscomité . Er is geen enkele reden om te zeggen dat de motivering onvoldoende is, vooral omdat de wijziging van de gespecificeerde beoordeling enkel hierin bestaat, dat de waardering "uitstekend" vervangen is door "zeer goed ".
54 . Voor het overige is het oordeel van de beoordelaars over de kwaliteiten van een ambtenaar een zaak van discretionaire bevoegdheid, en volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 4 ) kan dat oordeel slechts in rechte worden getoetst op formele onregelmatigheden, kennelijke feitelijke onjuistheden of misbruik van bevoegdheid . Zou het Hof zich in casu een ruimere toetsing voorbehouden, dan zou het ten onrechte op de stoel van de beoordelaars gaan zitten . ( 5 )
g ) Zevende middel
55 . Dit middel betreft de vertraging waarmee het beoordelingsrapport definitief is vastgesteld, namelijk eerst op 5 maart 1986, dat wil zeggen meer dan veertie maanden na de datum ( 31 december 1984 ), waarop het ingevolge artikel 7 van de algemene uitvoeringsbepalingen klaar had moeten zijn .
56 . Afgezien van de vertraging die aan verzoeker zelf te wijten is, met name aan zijn herhaalde afwijzing van een gesprek met de eerste beoordelaar, en van de vertraging bij de raadpleging van de diverse comités ( met name die van de speciale groep beoordelaars ), moet men erkennen dat het beoordelingsrapport pas definitief is vastgesteld meer dan zeven maanden na het advies van het paritair beoordelingscomité van 29 juli 1985 .
57 . Uit 's Hofs rechtspraak blijkt echter duidelijk, dat het feit alleen dat een beoordelingsrapport te laat is vastgesteld, niet betekent dat het nietig is; daarnaast moet worden aangetoond dat de ambtenaar daardoor is geschaad . ( 6 )
58 . Dit zou volgens het arrest Castille ( 7 ) in het bijzonder het geval zijn wanneer in de tijd waarin het beoordelingsrapport nog ontbrak, een voor de ambtenaar gunstig besluit had moeten worden genomen, zoals een bevorderingsbesluit; de ambtenaar behoeft dan niet te bewijzen dat er een causale samenhang bestaat tussen het ontbreken van het rapport en het feit dat dat besluit niet genomen is ( vgl . arrest Turner van 16 december 1987, r.o . 9 ).
59 . In casu stelt verzoeker zelfs niet, dat er in de betrokken periode een of ander besluit achterwege is gebleven dat anders wellicht wel zou zijn genomen ( arrest Turner voornoemd, r.o . 10 ).
h ) Achtste middel
60 . Dit middel is ontleend aan schending van de algemene beginselen inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen en de gelijkheid van behandeling .
61 . Met betrekking tot een eenvoudige interne richtlijn van de Commissie overwoog het Hof in zijn arrest Louwage ( 8 ), dat ook als deze niet kan worden aangemerkt als "een rechtsregel waaraan de administratie onder alle omstandigheden gebonden is, zij toch voor de te volgen praktijk een gedragsregel inhoudt waarvan de administratie - op straffe van schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling - slechts mag afwijken onder vermelding van de redenen die haar daartoe hebben gebracht ."
62 . De overwegingen die mij tot de conclusie brachten dat de voorgaande middelen ongegrond zijn, rechtvaardigen evenwel mijn voorstel om ook dit achtste middel af te wijzen, omdat onregelmatigheden die de beoordelingsprocedure ongunstig zouden kunnen beïnvloeden, eenvoudig niet bestaan .
63 . Verzoeker voert overigens verder niets aan tot staving van dit middel . Met name weet hij zijn bewering niet waar te maken, dat de administratie opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut of op de richtlijnen van de Gids voor de beoordeling; wat anderzijds het gelijkheidsbeginsel betreft, is ons geen enkele aanwijzing verschaft die duidelijk zou kunnen maken, waarin de schending van dat beginsel nu eigenlijk bestaat .
i ) Negende middel
64 . Verzoeker stelt schending van het intern reglement van het Publikatiebureau, doordat de eerste beoordelaar verzuimd heeft het directiecomité van het Publikatiebureau vooraf te raadplegen .
65 . Hij geeft echter niet aan, op welke bepalingen nu precies inbreuk zou zijn gemaakt; het lijkt vooral te gaan om artikel 5, lid 1, van het besluit van 16 januari 1969 houdende instelling van het Bureau voor officiële publikaties der Europese Gemeenschappen ( 69/13/Euratom/EGKS/EEG ) ( 9 ), zoals gewijzigd bij het besluit van 7 februari 1980 ( 80/443/EEG, Euratom, EGKS ). ( 10 )
66 . In die bepaling betreft echter uitdrukkelijk de uitoefening van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag door de Commissie, en wel ten aanzien van de directeur van het Bureau en de andere ambtenaren en personeelsleden van categorie A en, eventueel, de groep LA .
67 . De samenhang tussen de twee gedeelten van de eerste alinea van artikel 5, lid 1 ( in het eerste gedeelte wordt verwezen naar het gunstig advies van het directiecomité in verband met de benoeming en bevordering van bepaalde ambtenaren en personeelsleden, volgens het tweede gedeelte moet dat comité nauw betrokken worden bij de procedure die aan benoemingen voorafgaat ) alsook de samenhang tussen deze eerste en de tweede alinea van lid 1 ( bepalende dat "dezelfde werkwijze wordt gevolgd ten aanzien van hiërarchieke handelingen, zoals beoordelingen ...") laat twijfel opkomen bij de vraag, welke aanwijzingen er in deze bepalingen kunnen worden gevonden voor de omschrijving van de verplichtingen van de directeur van het Publikatiebureau als drager van het hiërarchisch gezag over het betrokken personeel ( artikel 8 van het besluit ).
68 . Krachtens artikel 4, lid 1, van het besluit heeft het directiecomité de "voorschriften voor de werking" van het Publikatiebureau vastgesteld ( in werking getreden op 5 mei 1980 ), die met name ook de regels voor het personeelsbeheer betreffen ( titel IV ).
69 . Met betrekking tot de directeur bepalen die regels ( hoofdstuk I, artikel 45 ), dat het directiecomité in gezamenlijk overleg met het tot aanstelling bevoegd gezag, de wijze vaststelt waarop het nauw zal worden betrokken bij a ) de handelingen ter voorbereiding van de benoeming van de directeur, b ) andere hiërarchische handelingen hem betreffende .
70 . En wat de ambtenaren van categorie A en daarmee gelijkgestelde ambtenaren en personeelsleden betreft ( hoofdstuk 2 ), legt artikel 48 de directeur de verplichting op, het directiecomité te informeren ( en niet : te raadplegen ) over de periodieke beoordelingen van de ambtenaren en personeelsleden, alsmede over de door dezen gemaakte opmerkingen en alle andere gegevens die de beoordeling kunnen beïnvloeden .
71 . In deze omstandigheden meen ik, dat verzoeker zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat inbreuk zou zijn gemaakt op een procedure waaraan de beoordelaar ingevolge de interne regelingen van het Publikatiebureau gebonden is .
72 . Maar ook indien dat wel het geval was geweest, zou hier opgaan wat ik naar aanleiding van het vierde middel heb gezegd, namelijk dat ook indien ten onrechte geen raadpleging had plaatsgevonden, dit geen gevolg heeft gehad voor de positie van de ambtenaar .
3 . De schadevordering
73 . Verzoeker vordert één frank schadevergoeding uit hoofde van de immateriële schade als gevolg van de te late vaststelling van het beoordelingsrapport .
74 . Ik geloof niet, dat het Hof deze vordering kan toewijzen .
75 . In het arrest Ditterich ( 11 ) oordeelde het Hof dat, wanneer de termijn waarbinnen de beoordelingsrapporten moeten worden vastgesteld zonder goede reden wordt overschreden, dit een dienstfout kan opleveren die de administratie schadeplichtig maakt . In de zaak Ditterich had de verzoeker "weliswaar niet aangetoond, dat deze fout een bevordering waarvoor hij in aanmerking had kunnen komen, in de weg heeft gestaan of vertraagd, en hem aldus materiële schade heeft berokkend, doch wel dat hij immateriële schade heeft geleden doordat zijn persoonsdossier ondeugdelijk en onvolledig was", en op die grond kende het Hof hem een schadevergoeding toe .
76 . Het lijkt mij echter niet, dat wij in deze zaak eveneens voor die oplossing moeten kiezen .
77 . Dat verzoeker immateriële schade zou hebben geleden, is immers niet voldoende aangetoond .
78 . De vertraging in de beoordelingsprocedure is immers deels aan verzoeker zelf te wijten, deels aan het feit dat de comités om wier tussenkomst hij had gevraagd, zo laat hun advies hebben uitgebracht .
79 . Dan is er echter nog de "rest"-vertraging waarmee de beoordelaar in beroep na het advies van het paritair beoordelingscomité het rapport definitief heeft vastgesteld, en voor deze vertraging is geen enkele rechtvaardiging aangevoerd .
80 . Uit de aangehaalde aanspraak valt evenwel niet af te leiden, dat er steeds immateriële schade moet worden aangenomen wanneer er bij de vaststelling van het beoordelingsrapport een vertraging is opgetreden waaraan de administratie schuld heeft .
81 . Alles hangt van de omstandigheden af .
82 . In het onderhavige geval zijn er na het advies van het paritair comité nog zeven maanden voorbijgegaan, waardoor de vertraging ten opzichte van de reglementaire termijn in totaal veertie maanden bedroeg .
83 . In de zaak Ditterich nu had de beoordelaar in beroep het definitieve beoordelingsrapport twee jaar en tien maanden te laat vastgesteld, en in de zaak Castille, waarin ook een vergoeding is toegekend, bedroeg de vertraging vier jaar . In de zaak Seton lagen er vier jaar en drie maanden tussen de datum waarop de verzoeker zijn opmerkingen over de eerste versie van het rapport had gemaakt, en de definitieve vaststelling ervan door de beoordelaar in beroep, maar toch meende het Hof geen enkele vergoeding te moeten toekennen ( r.o . 11 ).
84 . In de zaak Castille waren de bevorderingsbesluiten, waarbij de verzoeker uit de boot was gevallen, genomen toen zijn beoordelingsrapport wegens de te late vaststelling ervan ontbrak . Daarom meende het Hof, dat er "onder de bijzondere omstandigheden van het geval" ( r.o . 37 ) sprake was van een ex aequo et bono te begroten schade .
85 . Daarbij komt in het onderhavige geval, dat het beoordelingsrapport zoals dat uiteindelijk is vastgesteld zonder dat ik ook maar de minste onregelmatigheid kan bespeuren die de geldigheid ervan zou kunnen aantasten, verscheidene lovende aantekeningen bevatte en dat, naar de Commissie ons heeft meegedeeld, verzoeker in de loop van de betrokken referentieperiode zelfs naar de rang A 5 is bevorderd .
86 . Dat de vordering tot schadevergoeding wegens de late vaststelling van het beoordelingsrapport moet worden verworpen, is een conclusie die zich temeer opdringt wanneer men het recente arrest Vincent ( 12 ) van de Vierde kamer in aanmerking neemt . Ook daar werd een schadevordering verworpen die gebaseerd was op de late vaststelling van het beoordelingsrapport en het feit dat het nog ontbrak toen besloten werd tot een bevorderingsprocedure waar ook de verzoeker belang bij had . De verzoeker had morele en psychologische schade gesteld, maar het Hof oordeelde dat hij geen enkele schade had geleden, aangezien zijn persoonsdossier later geheel was bijgewerkt en de bevorderingsbesluiten aan de nieuwe gegevens waren getoetst en waren bevestigd; het Hof trok dan ook uitdrukkelijk ( r.o . 25 ) de consequenties uit de verschillen met de zaak Geist ( arrest van 14 juli 1977 ( 13 )), waar het ging om het volledig ontbreken van verscheidene beoordelingsrapporten betreffende de verzoeker, welke leemte maar heel moeilijk of in het geheel niet meer kon worden opgevuld "gezien het tijdsverloop, de functieverandering of het vertrek van de tot beoordeling bevoegde ambtenaren ". ( 14 )
4 . Conclusie
87 . Op grond van een en ander geef ik in overweging, zowel de vordering tot nietigverklaring als die tot schadevergoeding te verwerpen en de kosten te verdelen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 69, lid 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering .
(*) Vertaald uit het Portugees .
( 1 ) Arrest van 18 juni 1981, zaak 173/80, Blasig, Jurispr . 1981, blz . 1649, r.o . 13 .
( 2 ) Arrest van 21 maart 1985, zaak 263/83, Turner, Jurispr . 1985, blz . 986, r.o . 16, in fine .
( 3 ) Ibid ., r.o . 17 tot en met 21 .
( 4 ) Arrest van 5 mei 1983, zaak 207/81, Ditterich, Jurispr . 1983, blz . 1359, r.o . 13 .
( 5 ) Arrest van 28 oktober 1982, zaak 105/81, Oberthoer, Jurispr . 1982, blz . 3781, r.o . 26 .
( 6 ) Laatstelijk arrest van 16 december 1987, zaak 178/86, Turner, Jurispr . 1987, r.o . 8, alsook mijn conclusie in die zaak . In dezelfde zin arresten van 1 juni 1983, gevoegde zaken 36, 37 en 218/81, Seton, Jurispr . 1983, blz . 1789, r.o . 13 en 14, en 21 maart 1985, Turner, reeds aangehaald, r.o . 16 .
( 7 ) Arrest van 6 februari 1986, gevoegde zaken 173/82, 157/83 en 186/84, Castille, Jurispr . 1986, blz . 497, r.o . 35 en 36 .
( 8 ) Arrest van 30 januari 1974, zaak 148/73, Jurispr . 1974, blz . 81, r.o . 12 .
( 9 ) PB 1969, L 13, bijlage I, blz . 71 .
( 10 ) PB 1980, L 107, bijlage III, blz . 81 .
( 11 ) Reeds aangehaald, r.o . 26 tot 28 .
( 12 ) Arrest van 10 juni 1987, zaak 7/86, Vincent, Jurispr . 1987, r.o . 25 en 26 . Zie ook mijn conclusie in die zaak, punt 62 .
( 13 ) Zaak 61/76, Jurispr . 1977, blz . 1419 .
( 14 ) Ibid ., r.o . 47 .
Top