CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. L. DA CRUZ VILAÇA
van 27 oktober 1987 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I — De feiten en het voorwerp van het beroep
1.
Verzoeker, een ambtenaar van de Rekenkamer, wenst een rapport te zien nietig verklaard dat op 5 december 1985 is vastgesteld door de medische commissie en waarin een invaliditeit van 9% is erkend als gevolg van een verkeersongeval dat verzoeker op 8 december 1980 is overkomen; voorts vordert hij instelling van een bijzondere medische commissie, die de mate van zijn invaliditeit opnieuw zou moeten vaststellen.
2.
Bovendien vordert hij moratoire interessen over de hem verschuldigde bedragen, en wel vanaf de dag van consolidatie van zijn verwondingen, en volgens de deskundigen is dat 9 december 1983.
3.
Het in geding gebrachte rapport is het laatste in een reeks medische adviezen die na het ongeval zijn uitgebracht, over de gevolgen waarvan verzoeker nog steeds klachten houdt.
4.
Nadat zijn toestand beoordeeld was door verscheidene specialisten, die hem een invaliditeitspercentage toeschreven variërend tussen 15 en 40%, werd verzoeker onderzocht door een arts die was aangewezen overeenkomstig artikel 18 van de „Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten” (hierna: de Regeling). Die arts stelde in een rapport van 15 november 1983 een invaliditeit vast van 6%. Op basis daarvan betaalde verweerster op 1 augustus 1984 verzoeker een bedrag uit van 930030 BFR.
5.
Niet tevreden met die uitslag, vroeg verzoeker uit hoofde van artikel 21 van de Regeling om instelling van een medische commissie. Daarin werden overeenkomstig artikel 23 van de Regeling benoemd een door verzoeker aangewezen arts, een arts aangewezen door verweerster en een derde arts die in onderling overleg door de andere twee. was gekozen.
6.
Het rapport van de medische commissie kwam tot een invaliditeitspercentage van 9%, waarna de Rekenkamer verzoeker nog eens een bedrag van 466016 BFR uitkeerde, zijnde het verschil met de oorspronkelijke uitkering op basis van 6% invaliditeit.
7.
Verzoeker nam ook hiermee geen genoegen en diende op 9 juni 1986 een klacht in, waarin hij vroeg om annulering van het rapport van de medische commissie, toekenning van moratoire interessen en instelling van een ; bijzondere medische commissie (of „supercommissie”) om zijn geval opnieuw te onderzoeken.
8.
Tegen de afwijzing van deze klacht door verweerster heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
II — Bespreking van de argumenten van partijen
9.
In zijn rechtspraak heeft het Hof al zeer duidelijk verklaard ( 1 ), dat het rechterlijk toezicht op besluiten betreffende de bepaling van de mate van invaliditeit van een ambtenaar, zich in beginsel dient te beperken tot vragen die verband houden met de samenstelling en werking van de medische commissies en zich niet kan mengen in de zuiver medische beoordeling door de leden van die commissies.
10.
In een procedure waarin het ging om het begrip „beroepsziekte” bedoeld in artikel 73 van het Statuut ( 2 ), achtte het Hof zich eenvoudig bevoegd om „een door het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens die bepaling genomen besluit [nietig te verklaren], wanneer het als onrechtmatig is te beschouwen omdat het op een niet ter zake dienende conclusie van een medische commissie berust. Dit is het geval wanneer de medische commissie van een onjuiste opvatting van het begrip beroepsziekte uitgaat of wanneer er tussen de medische bevindingen en de conclusies van het rapport geen begrijpelijke samenhang bestaat.”
11.
Evenzo achtte het Hof zich bevoegd ( 3 ) om „na te gaan, of... de specialist, door in zijn conclusies van een beroepsziekte te spreken, de strekking van de ter zake geldende regeling in acht heeft genomen”.
12.
Van iets dergelijks is echter geen sprake in de onderhavige zaak, waarin de verzoeker enkel kritiek heeft op de samenstelling en werking van de medische commissie die hem heeft onderzocht.
a) De samenstelling van de medische commissie
13.
Verzoeker stelt, dat de arts die door verweerster als lid van de commissie is aangewezen, niet de voor die functie vereiste onafhankelijkheid bezat, omdat hij betrokken was geweest bij de opstelling van het bestreden eerste medische rapport en bovendien de medisch deskundige was van de belanghebbende verzekeringsmaatschappij. Desondanks zou hij in de commissie als coördinator van de werkzaamheden zijn opgetreden.
14.
Geen enkele bepaling en geen enkel rechtsbeginsel verzet zich ertegen, dat de arts die het in artikel 18 van de Regeling bedoelde onderzoek heeft verricht, deel uitmaakt van de medische commissie. En zonder concrete aanwijzingen op grond waarvan de onpartijdigheid van dat commissielid in de uitoefening van zijn klinische functies in twijfel kan worden getrokken, kan het feit dat hij ook de arts van de verzekeringsmaatschappij is, geen verdenkingen doen rijzen betreffende de wijze waarop hij zijn taak heeft vervuld.
15.
Overigens heeft het Hof reeds verklaard ( 4 ), dat een dergelijke situatie volstrekt normaal is, geen afbreuk kan doen aan de belangen van de ambtenaren en dus voor dezen geen grond kan opleveren om de samenstelling van de commissie te betwisten, vooral ook omdat de Regeling niet in een wrakingsrecht voorziet. ( 5 )
16.
Verweerster heeft bovendien — en dat was haar goed recht volgens artikel 23, lid 1, van de Regeling — als haar vertegenwoordiger in de commissie degene gekozen die haar vertrouwensarts is. En volgens het arrest Morbelli (r. o. 24) heeft verzoeker „niets uit te staan met de keus van de door [de instelling] aangewezen vertrouwensarts”.
17.
Verzoeker heeft zijnerzijds overeenkomstig hetzelfde artikel 23 een arts van zijn keuze aangewezen en de derde arts is, zoals die bepaling voorziet, in onderling overleg door de twee andere leden van de commissie gekozen.
18.
Er is dus in alle opzichten rekening gehouden met de vereisten van evenwichtigheid en objectiviteit, die ten grondslag liggen aan de procedure van de artikelen 19 tot en met 23 van de Regeling, die „bedoeld zijn om de beoordeling van alle medische vragen die van belang zijn voor de werking van het in de Regeling voorziene verzekeringsstelsel, aan medische deskundigen toe te vertrouwen”. ( 6 )
19.
Door zijn aanstelling als lid van de commissie te accepteren, heeft de door verweerster aangewezen arts er natuurlijk ook mee ingestemd, zijn conclusies af te wegen tegen de mening van zijn twee medecommissieleden, en het behoeft geen verbazing te wekken dat de commissie het aanvankelijke, na het eerste rapport erkende invaliditeitspercentage in voor verzoeker gunstige zin heeft gewijzigd (van 6 in 9%). Overigens had ook de door verzoeker aangewezen arts hem vroeger al onderzocht en zich toen (20.9.1983) uitgesproken voor een hoger invaliditeitspercentage dan uiteindelijk — mét zijn instemming — door de medische commissie is erkend.
20.
Volgens overeenstemmende mededelingen van partijen is het eindrapport immers opgesteld door de in onderling overleg gekozen derde arts en zonder voorbehoud door alle drie artsen ondertekend, wat — los van de vraag wie de werkzaamheden gecoördineerd heeft (daaromtrent beschikken wij enkel over de verklaring van verzoeker) — de regelmatige samenstelling en het regelmatige verloop der werkzaamheden van de commissie bevestigt.
b) De werking van de medische commissie
21.
Verzoeker beklaagt zich er in de eerste plaats over, dat hij geen gelegenheid heeft gekregen om zijn eigen mening voor de medische commissie uiteen te zetten, ten einde „een advies van een door hem geconsulteerde medische autoriteit over te leggen en daarmee de lichtvaardig gevormde en deontologisch moeilijk te rechtvaardigen opinies te weerleggen”.
22.
In de tweede plaats stelt verzoeker, dat een in het rapport van de commissie genoemd scanneronderzoek nooit heeft plaatsgehad: hij zou alleen maar geröntgend zijn en een tomodensimetrisch onderzoek hebben ondergaan.
23.
Ten slotte zou de commissie geen rekening hebben gehouden met de adviezen van verscheidene artsen die vroeger al door verzoeker waren geconsulteerd, en voornamelijk zijn afgegaan op het rapport van een neuroloog, wiens advies reeds was overgenomen door de vertrouwensarts van de Rekenkamer bij de voorbereiding van het bestreden rapport van 15 november 1983. Verzoeker wijst er voorts op, dat de datering van dat rapport en het rapport van de neuroloog niet kloppen: het is namelijk vreemd dat dit laatste, dat een latere datum draagt (22-23.12.1983), aan het eerste ten grondslag zou hebben gelegen. Dit alles zou duidelijk maken, in welk een wanorde de procedure was verlopen.
24.
Met betrekking tot een en ander kan het volgende worden opgemerkt:
1)
de procedure tot vaststelling van het percentage blijvende invaliditeit is in artikel 21 van de Regeling aldus geregeld, dat de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden in kennis worden gesteld van het ontwerpbesluit van het tot aanstelling bevoegd gezag en van de conclusies van de overeenkomstig artikel 18 aangewezen arts of artsen, en dat het volledig medisch dossier desgewenst wordt toegezonden aan hun vertrouwensarts. De ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden en eventueel hun vertrouwensarts kunnen het dossier dus bestuderen en in voorkomend geval om instelling van een medische commissie verzoeken. De Regeling voorziet niet in een contradictoire procedure voor die medische commissie; er bestaat ook geen enkele noodzaak voor de commissie om de ambtenaar te horen, gezien haar samenstelling en de aard van haar werkzaamheden die, volgens de formulering van het Hof, zo dienen te verlopen, „dat in geval van geschil alle vragen van medische aard in dat stadium definitief worden beslist” (arrest Suss, r. o. 11);
2)
de belangen van de ambtenaar zijn gewaarborgd, doordat een door hem aangewezen vertrouwensarts in de commissie zit. In het onderhavige geval heeft deze vertrouwensarts de bevindingen van de commissie volledig onderschreven. De tripartiete samenstelling van de commissie verzekert, zoals wij zagen, haar onafhankelijkheid en een juiste afweging van de betrokken belangen;
3)
gelijk het Hof eerder overwoog ( 7 ), brengt het feit „dat de commissie tot taak heeft objectief en onafhankelijk over medische vragen te oordelen, ... mede, dat zij bij het vormen van haar oordeel over volkomen vrijheid moet beschikken”. Met name diende zij te beoordelen, „in hoeverre rekening moest worden gehouden met de door verzoeker zelf overgelegde medische rapporten” ( 8 ) uit het rapport van de commissie blijkt duidelijk, dat deze niet enkel kennis heeft genomen van de uitslagen van de eerdere onderzoeken, maar die ook kritisch heeft geëvalueerd. Zij alleen had voorts te beslissen of een nieuw neurologisch onderzoek noodzakelijk dan wel overbodig was, en zij kon, in het kader van haar beoordelingsvrijheid op medisch gebied, de conclusies van de eerder geraadpleegde neuroloog als juist accepteren. Als functioneel en professioneel onafhankelijk lichaam kon de commissie ook geheel zelfstandig beslissen of andere onderzoeken gewenst waren; in dit verband wordt in het commissierapport gesproken over de uitslag van een scanneronderzoek; dat dit inderdaad heeft plaatsgehed, is bevestigd door de vaste vertrouwensarts van de Rekenkamer (zie het antwoord op de klacht), en het staat niet aan het Hof om de medische kwalificatie van dat onderzoek te betwisten;
4)
de door verzoeker geconstateerde tegenstrijdigheid tussen de datum van het rapport van 15 november 1983 en die van het rapport van de neuroloog kan niet van belang zijn voor de geldigheid van het rapport van de medische commissie; het heeft dan ook geen zin om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke oorzaken (misschien gewoon een slordigheidje) van die tegenstrijdigheid.
25.
Mijn conclusie is derhalve, dat het middel betreffende de werking van de medische commissie ongegrond is.
c) De conclusies van de medische commissie
26.
Met een beroep op de rechtspraak van het Hof (arresten van 18 maart 1982, Chaumont-Barthel ( 9 ), en 8 oktober 1986, Leussink ( 10 )) stelt verzoeker, dat er geen rekening is gehouden met het onderscheid tussen vergoeding voor blijvende invaliditeit en schadeloosstelling voor morele schade of tussen economische gevolgen en gevolgen voor de gezinssituatie en de sociale contacten. Voorts stelt hij, dat de toegekende schadevergoeding (overeenkomend met het erkende invaliditeitspercentage) op zijn hoogst — en dan nog onvoldoende — compensatie biedt voor de anatomische en functionele invaliditeit, maar de psychische invaliditeit, die met name het gevolg zou zijn van een met het ongeval samenhangende sinistrese, volledig buiten beschouwing laat.
27.
Deze beweringen lijken het uitvloeisel te zijn van een onduidelijkheid, die ik hier eerst wil ophelderen.
28.
Men moet duidelijk onderscheiden — en dit is wat de twee door verzoeker aangehaalde arresten hebben willen doen — tussen de vergoeding voor blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit van de ambtenaar ten gevolge van een ongeval of een beroepsziekte (artikel 12 van de Regeling), de vergoeding „voor elke verblijvende verwonding of verminking die, zonder het arbeidsvermogen van de ambtenaar te verminderen, een aantasting vormt van zijn lichamelijke integriteit en een onmiskenbaar nadelige invloed uitoefent op zijn sociale betrekkingen” (artikel 14 van de Regeling) en de aanvullende vergoeding, die niet in de regeling is voorzien, maar die verschuldigd is „wanneer de instelling naar gemeen recht aansprakelijk is voor het ongeval en de statutaire uitkeringen niet voldoende zijn om de geleden schade volledig te vergoeden” (arrest Leussink, r. o. 13).
29.
In de onderhavige zaak gaat het uitsluitend om de vaststelling van het percentage blijvende invaliditeit als gevolg van het ongeval, volgens de procedure van de artikelen 18 tot en met 23 van de Regeling.
30.
Wat die invaliditeit betreft, blijkt uit het rapport van de medische commissie, dat deze in aanmerking heeft genomen het geheel van de reële posttraumatische verschijnselen en de subjectieve klachten van de betrokkene, en dat zij deze klachten niet heeft beschouwd als „posttraumatische gevolgen”, maar als „ziekten van constitutionele oorsprong”. Met betrekking tot de gestelde vermindering van het concentratievermogen meende de commissie, dat het arbeidsvermogen daardoor niet was verminderd, voor welke conclusie zij zich overigens verliet op de bevindingen van de neuroloog, die alle onder zijn specialisme vallende problemen had onderzocht.
31.
Zo gezien, moet de conclusie van het rapport van de medische commissie, die, na verzoekers algehele gezondheidstoestand in vergelijking met zijn arbeidsvermogen te hebben beoordeeld, een invaliditeit van 9% heeft erkend, als „finaal en definitief” worden beschouwd, zoals het in het arrest Morbelli (r. o. 21) heet.
III — Conclusie
32.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat, waar alle middelen van verzoeker falen, zijn beroep moet worden verworpen in zoverre het betreft de vordering tot nietigverklaring van het bestreden rapport de vordering tot toekenning van moratoire interessen en die tot instelling van een „medische supercommissie”, vooral omdat dit laatste begrip in het Statuut noch in de Regeling voorkomt.
33.
Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 69, lid 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering zal elk der partijen de eigen kosten moeten dragen.
( *1 ) Vertaald uit het Portugees.
( 1 ) Arrest van 21 mei 1981, zaak 156/80, Morbclli, Íurispr. 1981, blz. 1357, r. o. 20; arrest van 29 novcmcr 1984, zaak 265/83, Suss, Jurispr. 1984, blz. 4029, 4010, r. o. II.
( 2 ) Arrest van 26 januari 1981, zaak 189/82, Seiler, Jurispr. 1984, blz. 229,241.
( 3 ) Arrest van 20 juni 1985, zaak 118/84, Royale beige, Jurispr. 1985, blz. 1889, 1904, r. o. 17.
( 4 ) Arrest van 14 juli 1981, zaak 186/80, Suss, Jurispr. 1981, blz. 2011, 2051, r. o. 10 en 11.
( 5 ) Arrest Suss van 14 juli 1981, r. o. 9.
( 6 ) Arrest Suss van 29 november 1984, Jurispr. 1984, blz. 4029, r. o. 11.
( 7 ) Arrest Suss van 29 november 1984, reeds aangehaald, r. o. 13.
( 8 ) Arrest Morbelli, reeds aangehaald, r. o. 27.
( 9 ) Zaak 103/81, Jurispr. 1982, blz. 1003, 1010, r. o. 9.
( 10 ) Gevoegde zaken 169/83 en 136/84, Jurispr. 1986, blz. 2801, r. o. 18.
Top