Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 14 februari 1990. - HELLEENSE REPUBLIEK TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - INVOER VAN LANDBOUWPRODUKTEN - ONGELUK IN DE KERNCENTRALE VAN TSJERNOBYL. - ZAAK 62/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01527
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De Helleense Republiek heeft zich tot het Hof gewend met een verzoek om nietigverklaring van verordening ( EEG ) nr . 3955/87 van de Raad van 22 december 1987 betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl ( 1 ) ( hierna : verordening nr . 3955/87 ).
2 . Deze verordening, die gebaseerd is op het EEG-Verdrag, "inzonderheid op artikel 113" ( 2 ), waarbij zoals bekend de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt ingevoerd, heeft tot doel het in het vrije verkeer brengen van bepaalde landbouwprodukten uit derde landen afhankelijk te stellen van de naleving van maximale toleranties van radioactieve besmetting . Zij biedt de Lid-Staten de mogelijkheid, de naleving van deze toleranties te controleren en roept een bij de Commissie gecentraliseerd stelsel van informatie-uitwisseling in het leven . De Commissie kan in samenwerking met een ad hoc-comité maatregelen nemen waarbij zelfs de invoer van produkten van oorsprong uit de betrokken derde landen kan worden verboden .
3 . Deze verordening, die een geldigheidsduur van twee jaren heeft, vervangt de eerdere verordening ( EEG ) nr . 1707/86 van 30 mei 1986 ( 3 ), waarvan de inhoud gelijk was en waarvan de geldigheidsduur, die oorspronkelijk op 30 september 1986 verstreek, twee keer was verlengd, tot 31 oktober 1987 . ( 4 )
4 . Eveneens op 22 december 1987 heeft de Raad verordening ( Euratom ) nr . 3954/87 vastgesteld tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar ( 5 ), waartegen in zaak C-70/88 ( Parlement/Raad ) beroep is ingesteld .
5 . In het onderhavige beroep worden twee middelen tot nietigverklaring aangevoerd : enerzijds schending van het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag en misbruik van bevoegdheid, anderzijds vaagheid van het voorstel van de Commissie . Het eerste middel bestaat in feite uit twee onderdelen; het eerste is ontleend aan schending van de Verdragen, op grond dat de Raad zich uitsluitend op artikel 113 EEG-Verdrag zou hebben gebaseerd, het tweede op misbruik van bevoegdheid . Het verzoekschrift maakt in de toelichting op het eerste middel ook melding van schending van wezenlijke vormvoorschriften . In werkelijkheid wordt de Raad echter slechts verweten, een onjuiste rechtsgrondslag te hebben gekozen en aldus misbruik van bevoegdheid te hebben gepleegd . Het argument dat er tegenstrijdigheid zou bestaan tussen de eerste overweging van de bestreden verordening, die artikel 113 noemt, en het dispositief van de verordening, dat op een andere rechtsgrondslag zou berusten, valt samen met de grief dat de rechtsgrondslag onjuist is . Het verwijt dat wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden, is dus overbodig .
6 . Alvorens op de twee ter ondersteuning van het beroep aangevoerde middelen in te gaan, moet ik echter nog twee moeilijkheden oplossen .
7 . De Raad heeft in zijn verweerschrift om te beginnen gesteld dat het eerste middel niet-ontvankelijk is, daar het is ontleend aan schending van het EGA-Verdrag, terwijl het beroep alleen is gebaseerd op artikel 173 EEG-Verdrag, zonder enige verwijzing naar artikel 146 EGA-Verdrag . De Commissie beaamt de opvatting van de Raad op dit punt .
8 . Volgens artikel 173 EEG-Verdrag is het Hof van Justitie "bevoegd uitspraak te doen inzake elk ... beroep wegens ... schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan ...". ( 6 ) Bijgevolg is het gedeelte van het eerste middel, dat de schending van het EGA-Verdrag betreft, kennelijk niet-ontvankelijk . Ik wil er overigens op wijzen, dat verzoekster in haar verzoekschrift niet heeft uiteengezet, in hoeverre het EGA-Verdrag zou zijn geschonden .
9 . Het Hof heeft in een enkel op grond van artikel 177 EEG-Verdrag aanhangig gemaakte prejudiciële zaak - Deutsche Babcock - onderzocht, of door een EEG-verordening geregelde vraagstukken ook werden beheerst door bepalingen van het EGKS-Verdrag . ( 7 ) Volgens artikel 232, lid 1, EEG-Verdrag evenwel brengt het EEG-Verdrag geen wijziging in de bepalingen van het EGKS-Verdrag; het Hof heeft dit artikel aldus uitgelegd, dat de bepalingen van het EEG-Verdrag, wanneer gelijksoortige bepalingen in het EGKS-Verdrag ontbreken, kunnen worden toegepast op produkten die onder laatstgenoemd Verdrag vallen . Het geval dat thans aan het Hof is voorgelegd is echter totaal verschillend; genoemd arrest staat mijns inziens dan ook niet in de weg aan de niet-ontvankelijkheid van een gedeelte van het eerste middel .
10 . Een tweede moeilijkheid rijst doordat de Helleense Republiek voor het eerst in haar conclusie van repliek heeft gerept van schending van artikel 190 EEG-Verdrag met het betoog, dat de bestreden verordening onvoldoende duidelijkheid verschaft over "hoe de gemeenschapsinstellingen het Verdrag hebben toegepast ." Op de vraag van het Hof, of deze verwijzing naar artikel 190 EEG-Verdrag niet een nieuw middel in de zin van artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering was, heeft de Helleense Republiek geantwoord dat het een noodzakelijk argument was ter ondersteuning van het eerste middel, in die zin dat het verschil in rechtsgrondslag tussen verordening nr . 1707/86 en verordening nr . 3955/87 "geen objectieve elementen bevat op grond waarvan een passende rechterlijke toetsing door het Hof mogelijk is en aan de hand waarvan de belanghebbende onderdanen en de Lid-Staten kunnen zien, hoe de gemeenschapsinstellingen de verdragsbepalingen in een concreet geval hebben toegepast ".
11 . Dit antwoord verwijst naar de - sedert het arrest Commissie/Raad van 26 maart 1987 vaste - rechtspraak van het Hof die is gebaseerd op de in artikel 190 EEG-Verdrag neergelegde verplichting om bepaalde gemeenschapshandelingen met redenen te omkleden . Volgens dit arrest
"moeten gemeenschapshandelingen, om aan die motiveringsplicht te voldoen, een uiteenzetting bevatten van de feitelijke en rechtselementen waarop de instelling zich heeft gebaseerd, zodat toetsing door het Hof mogelijk is en zowel de Lid-Staten als de belanghebbende onderdanen kunnen zien hoe de gemeenschapsinstellingen het Verdrag hebben toegepast ." ( 8 )
12 . Volgens deze rechtspraak is een onnauwkeurige vermelding van de rechtsgrondslag door het gebruik van formules als "gezien het Verdrag" ( 9 ) voortaan verboden .
13 . Eenvoudige vergelijking van de data toont trouwens aan, dat de Raad en het Hof indirect op elkaar hebben gereageerd :
- 30 mei 1986 : vaststelling door de Raad van verordening nr . 1707/86, die zonder nadere vermelding op het Verdrag is gebaseerd;
- 26 maart 1987 : voornoemd arrest Commissie/Raad, waarbij de verplichting wordt opgelegd, de rechtsgrondslag van een gemeenschapshandeling te vermelden;
- 22 december 1987 : vaststelling door de Raad van de bestreden verordening, die specifiek naar artikel 113 EEG-Verdrag verwijst .
14 . Het Hof heeft in voornoemd arrest de aldaar bestreden verordeningen nietigverklaard om tweeërlei reden . Het overwoog dat de verordeningen
"niet ( voldeden ) aan de motiveringsvereisten van artikel 190 EEG-Verdrag en ... niet ( berustten ) op de juiste rechtsgrondslag ." ( 10 )
15 . Hieruit volgt, dat waar artikel 190 EEG-Verdrag de verplichting oplegt, de rechtsgrondslag van de vastgestelde handeling te vermelden, de noodzaak om de juiste rechtsgrondslag te kiezen, niet op dit artikel kan worden gebaseerd, daar zij berust op het beginsel van de communautaire wettigheid .
16 . In haar beroep tot nietigverklaring bestrijdt de Helleense Republiek het gebruik van artikel 113 EEG-Verdrag als rechtsgrondslag; zij verwijt de Raad niet, geen rechtsgrondslag te hebben vermeld .
17 . Er zijn dus twee mogelijkheden . Of de verwijzing naar artikel 190 in de conclusie van repliek heeft betrekking op een motiveringsgebrek, in welk geval er sprake is van een nieuw middel, dat ingevolge artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk is, of die verwijzing moet worden gezien in verband met de betwisting van de door de Raad gekozen rechtsgrondslag, in welk geval zij nutteloos is .
18 . Voor het overige zou het denkbaar zijn, dat de verwijzing naar artikel 190 in feite betrekking had op het tweede middel, te weten de vaagheid van het voorstel van de Commissie . Op dat punt verwijt de Helleense Republiek de Raad immers, niet te hebben aangegeven of de vastgestelde handeling in overeenstemming was met het voorstel van de Commissie . En juist artikel 190 bepaalt, dat "verordeningen ... met redenen ( worden ) omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag worden gevraagd ". Het antwoord van de Helleense Republiek op de schriftelijke vraag van het Hof heeft echter uitdrukkelijk en uitsluitend betrekking op het eerste middel .
19 . Thans ga ik over tot bespreking van het eerste middel, en wel het eerste onderdeel daarvan . Het kan als volgt worden samengevat : verordening nr . 3955/87 betreft uitsluitend de bescherming van de gezondheid van de bevolking van de Lid-Staten tegen de gevolgen van het nucleair ongeval van Tsjernobyl en had derhalve moeten worden gebaseerd op de artikelen 130 R en 130 S EEG-Verdrag, eventueel juncto artikel 235 .
20 . Tot staving van deze opvatting betoogt de Helleense Republiek dat verordening nr . 1707/86, die inhoudelijk gelijk was, op grond van de volksgezondheid met eenparigheid van stemmen was aangenomen, dat verordening nr . 3954/87 van dezelfde dag is gebaseerd op artikel 31 EGA-Verdrag, betreffende de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers, en dat ten slotte de verwijzing naar artikel 113 tot verwarring leidt, waardoor rechterlijke toetsing door het Hof onmogelijk is .
21 . Om te beginnen merk ik op, dat het verschil van mening over de juiste rechtsgrondslag niet van zuiver formele betekenis is, aangezien artikel 113, lid 4, bepaalt, dat de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, terwijl de Raad blijkens de artikelen 130 R en 130 S op milieugebied meestal met eenparigheid van stemmen besluit . Volgens 's Hofs rechtspraak kan
"de keuze van de rechtsgrondslag derhalve gevolgen ... hebben voor de bepaling van de inhoud van de bestreden verordeningen ." ( 11 )
22 . De wezenlijke vraag is dus, of de bij de bestreden verordening ingevoerde maatregelen al dan niet vallen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek . Terwijl de meeste commentatoren van de Europese Akte hebben gewezen op de te verwachten moeilijkheden bij de afbakening van artikel 100 A en de artikelen 130 R en 130 S EEG-Verdrag, wordt door hen merkwaardig genoeg niets over dergelijke moeilijkheden gezegd ten aanzien van artikel 113 . ( 12 )
23 . Ik wijs er in dit verband op, dat het Hof vóór de Europese Akte reeds had beslist dat de bescherming van het milieu een van de doelstellingen van de Gemeenschap was ( 13 ) en dat
"het geenszins uitgesloten ( is ), dat de bepalingen inzake het milieu in het kader van artikel 100 EEG-Verdrag kunnen worden ingepast ." ( 14 )
Reeds vóór de Europese Akte konden dus maatregelen op het gebied van het milieu worden getroffen in het kader van een andere gemeenschapspolitiek .
24 . Met de invoeging van de artikelen 130 R tot en met 130 T in het EEG-Verdrag heeft de Europese Akte een uitdrukkelijke bevoegdheid van de Gemeenschap op milieugebied ingevoerd . Maar de bescherming van het milieu is ook een onderdeel van de verwezenlijking van de interne markt, daar artikel 100 A, leden 3 en 4, dat betrekking heeft op het beschermingsniveau waarvan de Commissie in haar voorstellen moet uitgaan respectievelijk op vrijwaringsclausules, deze bescherming ook op het oog heeft . Terecht hebben de commentatoren dan ook gewezen op de moeilijkheden bij de afbakening van de artikelen 100 A en 130 S . ( 15 )
25 . Naast deze uitdrukkelijke verplichting, bij de verwezenlijking van de interne markt zorg te dragen voor de bescherming van het milieu, moet elke tak van gemeenschapsbeleid hier evenwel rekening mee houden, aangezien artikel 130 R, lid 2, bepaalt : "de eisen ter zake van milieubescherming vormen een bestanddeel van de andere takken van gemeenschapsbeleid ". Daaruit moet worden afgeleid, "dat het niet uitgesloten is, dat in het kader van andere takken van beleid genomen besluiten niet alleen met de specifieke gegevens van dat beleid rekening houden, maar met het oog op de milieuproblematiek worden gewijzigd, of zelfs niet worden genomen ." ( 16 ) Mijns inziens moet er echter ook uit worden afgeleid, dat een maatregel waarvan de gevolgen of zelfs de doeleinden het milieu beschermen, op een andere grondslag kan worden vastgesteld dan artikel 130 R .
26 . Door uitdrukkelijk een optreden van de Gemeenschap op milieugebied in te voeren nadat het Hof reeds eerder had geoordeeld, dat de bescherming op dat gebied één van de doelstellingen van de Gemeenschap was, heeft de Europese Akte de interventiebevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen op dit punt niet beperkt . De invoering in het Verdrag van een nieuwe communautaire bevoegdheid, met als uitvloeisel een regel dat besluiten in beginsel met eenparigheid van stemmen moeten worden genomen, kan er niet toe leiden, dat maatregelen die voorheen onder de communautaire bevoegdheden vielen, zoals die op grond van de artikelen 43, 100 of 143, waarvan de vaststelling wellicht aan andere regels beantwoordt, naar dat nieuwe domein worden overgeheveld . Dit zou alleen anders zijn, indien de Lid-Staten de bevoegdheden van de Gemeenschap door middel van een wijziging van de Verdragen uitdrukkelijk hadden willen inperken, wat bij de Europese Akte niet is gebeurd .
27 . Deze uitlegging van de relevante bepalingen van het Verdrag wordt mijns inziens door de rechtspraak van het Hof bevestigd .
28 . Reeds in advies 1/78 ( 17 ), uitgebracht krachtens artikel 228 EEG-Verdrag, overwoog het Hof :
"men mag ... artikel 113 EEG-Verdrag niet een uitlegging opdwingen waardoor de gemeenschappelijke handelspolitiek zou worden beperkt tot het gebruik van slechts die instrumenten die enkel de traditionele aspecten van de buitenlandse handel vermogen te beïnvloeden ...." ( 18 )
Het voegde hieraan toe, dat
"de opsomming, in artikel 113, van de onderwerpen van de handelspolitiek ... als een niet-limitatieve opsomming is bedoeld" ( 19 ),
en ten slotte :
"een beperkende uitlegging van het begrip gemeenschappelijke handelspolitiek bergt het gevaar in zich van moeilijkheden in het intracommunautaire handelsverkeer vanwege de ongelijkheden die dan in bepaalde sectoren van de economische betrekkingen met derde landen zouden blijven bestaan ." ( 20 )
29 . Voorts overwoog het Hof in zijn arrest van 26 maart 1987
"dat de samenhang met ontwikkelingsproblemen een handeling niet onttrekt aan het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek zoals door het EEG-Verdrag gedefinieerd ." ( 21 )
30 . Deze uitspraken stroken bovendien volledig met de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 43 EEG-Verdrag en het gemeenschappelijk landbouwbeleid . In de zogenoemde "hormonen"-zaak overwoog het Hof :
"bij het nastreven van de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ... mag evenwel niet worden voorbijgegaan aan vereisten van algemeen belang, zoals de bescherming van consumenten, de gezondheid en het leven van personen en dieren; bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten de gemeenschapsinstellingen met deze vereisten rekening houden" ( 22 ),
en concludeerde daaruit :
"dat de bestreden richtlijn valt binnen de werkingssfeer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en dat de Raad bevoegd was de richtlijn uitsluitend op artikel 43 EEG-Verdrag te baseren ." ( 23 )
31 . De recente arresten van het Hof van 16 november 1989 hebben deze opvatting bevestigd . ( 24 ) Het Hof overwoog
"dat bij het nastreven van de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet mag worden voorbijgegaan aan eisen van het algemeen belang, waaronder met name de bescherming van de gezondheid, en dat de omstandigheid dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot stand gekomen handelingen tevens zijn gericht op doelstellingen die, bij gebreke van een specifieke bepaling, langs de weg van artikel 100 EEG-Verdrag worden nagestreefd, die handelingen niet aan het toepassingsgebied van artikel 43 onttrekt ." ( 25 )
32 . Deze rechtspraak kan mijns inziens zonder meer worden toegepast op de gemeenschappelijke handelspolitiek . Teneinde verleggingen van het handelsverkeer met derde landen en distorsies op mededingingsgebied te voorkomen, moet de Gemeenschap ten aanzien van de gemeenschappelijke handelspolitiek eenvormige regels kunnen stellen betreffende de voorwaarden voor invoer van produkten uit derde landen op haar grondgebied . Van deze voorwaarden kan met name deel uitmaken de naleving van maximale toleranties inzake radioactiviteit, zonder dat de maatregel hierdoor van aard verandert en niet meer op grond van artikel 113 kan worden vastgesteld . De bestreden verordening valt dus mijns inziens reeds wegens haar aard onder de gemeenschappelijke handelspolitiek .
33 . Voor het overige is het niet zeker, dat de bescherming van de volksgezondheid volledig wordt omvat door het - in het Verdrag niet gedefinieerde - begrip milieu . Het feit dat volgens artikel 130 R, lid 1, "het optreden van de Gemeenschap op milieugebied ... tot doel ( heeft ) ... bij te dragen tot de bescherming van de gezondheid van de mens", betekent geenszins dat de problemen op dit gebied uitsluitend op milieugebied liggen . Bovendien is het blijkens de voorzorgen op het gebied van de invoer in de Gemeenschap van voor menselijke voeding bestemde produkten veeleer de bedoeling, de volksgezondheid te beschermen, dan aantasting van het milieu te voorkomen . Ten slotte herinner ik eraan, dat de volksgezondheid een van de in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde uitzonderingen op het vrij verkeer van goederen is .
34 . Op grond van deze overwegingen kom ik tot de conclusie, dat de Raad verordening nr . 3955/87 terecht op artikel 113 EEG-Verdrag heeft gebaseerd .
35 . Volledigheidshalve moet ik op dit punt nog vermelden, dat de Helleense Republiek er in haar beroep ook op heeft gewezen, dat haars inziens de bestreden verordening op artikel 235 EEG-Verdrag kan worden gebaseerd . Dit argument, dat zij overigens niet verder heeft uitgewerkt, kan niet worden aanvaard . Volg ik de argumentatie van verzoekster - los van de vraag of zij gegrond is -, dan kan ik volstaan met erop te wijzen dat artikel 130 R een bijzondere bevoegdheid voor de Gemeenschap op milieugebied schept en dat hier dus geen beroep kan worden gedaan op artikel 235, aangezien volgens vaste rechtspraak van het Hof reeds uit de bewoordingen van dit artikel blijkt
"dat op dit artikel slechts een beroep kan worden gedaan als rechtsgrondslag van een handeling, wanneer geen andere verdragsbepaling de gemeenschapsinstellingen de voor de vaststelling van die handeling vereiste bevoegdheid verleent ." ( 26 )
36 . Het tweede onderdeel van het eerste middel, te weten misbruik van bevoegdheid, behoeft minder tijd te kosten . De Helleense Republiek wil aantonen, dat de Raad artikel 113 alleen maar als grondslag van de bestreden verordening heeft aangevoerd om de door artikel 130 S voorgeschreven besluitvorming met eenparigheid van stemmen te vermijden . Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft het Hof reeds omschreven . Volgens zijn arrest van 14 juni 1988
"zouden de door het EGKS-Verdrag aan de Commissie toegekende bevoegdheden met name in strijd met hun wettige doel worden aangewend, indien zou blijken dat de Commissie ervan gebruik had gemaakt met het uitsluitende - of althans doorslaggevende - oogmerk om de toepassing van een speciale procedure te ontgaan, welke het Verdrag heeft voorzien om aan zekere omstandigheden het hoofd te bieden ." ( 27 )
37 . Deze grief hangt volledig samen met het eerste onderdeel van dit middel . Zo artikel 130 S de passende rechtsgrondslag was geweest, had men zich kunnen afvragen of het gebruik van artikel 113 niet was ingegeven door de wil om aan besluitvorming met eenparigheid van stemmen te ontkomen . Maar dat is niet het geval . Het valt dan ook moeilijk in te zien, waarom de Raad zijn bevoegdheid zou hebben misbruikt door de in artikel 113 voorgeschreven procedure te volgen, nu dit artikel in casu de juiste rechtsgrondslag vormt .
38 . Overigens biedt artikel 130 S, tweede alinea, zelf de mogelijkheid van meerderheidsbesluiten, daar volgens deze bepaling "de Raad" met eenparigheid van stemmen "bepaalt ... welke besluiten met gekwalificeerde meerderheid worden genomen ". Sommige auteurs menen overigens dat de handelingen die voorheen op de dubbele grondslag van de artikelen 100 en 235 EEG-Verdrag tot stand kwamen, voortaan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op de grondslag van artikel 130 S, tweede alinea, lid 2, moeten worden vastgesteld . ( 28 )
39 . Bijgevolg concludeer ik tot verwerping van het tweede onderdeel van dit middel en derhalve tot verwerping van het eerste middel in zijn geheel .
40 . Dan kom ik thans bij de behandeling van het tweede middel . De Helleense Republiek bestrijdt de uitdrukking "gezien het voorstel van de Commissie", die niet zou aangeven of de definitieve verordening al dan niet overeenstemt met dit voorstel, hetgeen volgens artikel 149, lid 1, EEG-Verdrag niet zonder invloed is op de wijze waarop de Raad moet stemmen . Een dergelijke onnauwkeurigheid is volgens verzoekster in strijd met de rechtszekerheid, daar de burgers zo niet kunnen nagaan, of een handeling van de Raad op het eerste gezicht wettig is .
41 . Ik wijs er direct al op, dat de Helleense Republiek in haar beroep spreekt van de "burgers" en niet van de Lid-Staten . Deze laatste nemen namelijk deel aan de beraadslagingen van de Raad en weten dus zeer goed, of de vastgestelde handeling al dan niet met het voorstel van de Commissie in overeenstemming is . Volgens vaste rechtspraak van het Hof is
"de omvang van de in artikel 190 van het Verdrag neergelegde motiveringsverplichting afhankelijk ... van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld" ( 29 )
en is het van belang, of de verzoekende staat nauw bij de uitwerking van het bestreden besluit betrokken is geweest . De Helleense Republiek kon derhalve niet voor zichzelf een motiveringsgebrek van de bestreden verordening inroepen .
42 . Wat de burgers betreft wil ik er slechts aan herinneren, dat de voorstellen van de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt en dat een particulier zowel door vergelijking van het voorstel met het vastgestelde besluit als door het lezen van de als rechtsgrondslag van dit besluit genoemde artikelen van het Verdrag te weten kan komen, of deze handeling met eenparigheid of met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Raad moest worden vastgesteld . De grief inzake de rechtsonzekerheid blijkt dus niet op te gaan . Bovendien legt artikel 190 alleen de verplichting op, te verwijzen naar de voorstellen van de Commissie of de adviezen welke krachtens het EEG-Verdrag moeten worden gevraagd . Het houdt niet de verplichting in, te vermelden of de handeling van de Raad al dan niet in overeenstemming is met het voorstel van de Commissie . Derhalve moet het tweede middel ook worden verworpen .
43 . Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep en tot veroordeling van de Helleense Republiek in de kosten, hieronder begrepen de kosten van interveniënten .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) PB 1987, L 371, blz . 14 .
( 2 ) Eerste overweging van de verordening .
( 3 ) PB 1986, L 146, blz . 88 .
( 4 ) Bij de verordeningen ( EEG ) nrs . 3020/86 ( PB 1986, L 280, blz . 79 ) en 624/87 ( PB 1987, L 58, blz . 101 ).
( 5 ) PB 1987, L 371, blz . 11 .
( 6 ) Cursivering van mij .
( 7 ) Arrest van 15 december 1987, zaak 328/85, Jurispr . 1987, blz . 5119, zie vooral r.o . 11 .
( 8 ) Zaak 45/86, Jurispr . 1987, blz . 1493, r.o . 5; zie ook het arrest van 7 juli 1981, zaak 158/80, Rewe, Jurispr . 1981, blz . 1805, r.o . 25 .
( 9 ) Zie voornoemde zaak 45/86, r.o . 8 en 9 .
( 10 ) Voornoemde zaak 45/86, r.o . 22 .
( 11 ) Voornoemde zaak 45/86, r.o . 12; zie ook de arresten van 23 februari 1988, zaak 68/86, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr . 1988, blz . 855, r.o . 6; 2 februari 1989, zaak 275/87, Commissie/Raad, Jurispr . 1989, blz . 259,r.o . 4; 16 november 1989, zaak 131/87, Commissie/Nederland, Jurispr . 1989, blz . 3743, r.o . 8; 16 november 1989, zaak 11/88, Commissie/Raad, Jurispr . 1989, blz . 3799, r.o . 7 .
( 12 ) Europese Raad van milieurecht, rapport van Kromarek, R .: "Commentaire de l' Acte unique européen en matière d' environnement", Revue juridique de l' environnement, 1/1988, blz . 76; Roelants du Vivier , F . en Hannequart, J . P .: "Une nouvelle stratégie européenne pour l' environnement dans le cadre de l' Acte unique", Revue du marché commun, nr . 316, april 1988, blz . 205; Kraemer, L .: "L' Acte unique européen et la protection de l' environnement", Revue de l' environnement, 4/1987, blz . 450; Jacqué, J . P.:"L' Acte unique européen", Revue trimestrielle de droit européen, 1/1986, blz . 576; Glaesner, H . J .: "L' Acte unique européen", Revue du marché commun, nr . 298, juni 1986, blz . 307 .
( 13 ) Arrest van 7 februari 1985 ( zaak 240/83, Procureur de la République/ADBHU, Jurispr . 1985, blz . 531, r.o . 3 ).
( 14 ) Arrest van 18 maart 1980 ( zaak 91/79, Commissie/Italië, Jurispr . 1980, blz . 1099, r.o . 8 ).
( 15 ) Bij voorbeeld P . Kromarek, t.a.p ., volgens wie "het gehele recht betreffende vervuiling en hinder onder de werkingssfeer van artikel 100 A zou kunnen vallen", RJE 1 1988, blz . 87; L . Kraemer, t.a.p ., blz . 463, die meent dat de vroeger op artikel 100 gebaseerde richtlijnen en met bepaalde produkten verband houdende verordeningen onder artikel 100 A zouden kunnen vallen, terwijl de voorheen op artikel 235 gebaseerde verordeningen onder artikel 130 S, eerste alinea, zouden kunnen vallen en de zowel op artikel 100 en op artikel 235 gebaseerde verordeningen onder artikel 130 S, tweede alinea .
( 16 ) H.J . Glaesner, t.a.p ., blz . 316 .
( 17 ) Arrest van 4 oktober 1979, Jurispr . 1979, blz . 2871 .
( 18 ) Voornoemde zaak 1/78, r.o . 44 .
( 19 ) Voornoemde zaak 1/78, r.o . 45; zie ook het arrest van 27 september 1988, ( zaak 165/87, Commissie /Raad, Jurispr . 1988, blz . 5545 ).
( 20 ) Voornoemde zaak 1/78, r.o . 45 .
( 21 ) Voornoemde zaak 45/86, r.o . 20 .
( 22 ) Voornoemde zaak 68/86, r.o . 12 .
( 23 ) Voornoemde zaak 68/86, r.o . 22 .
( 24 ) Voornoemde zaken 131/87 en 11/88; zie ook het arrest van 23 februari 1988 ( zaak 131/86, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr . 1988, blz . 905 ).
( 25 ) Voornoemde zaak 131/87, r.o . 25; zie ook voornoemde zaken 11/88, r.o . 10, en 131/86, r.o . 21 .
( 26 ) Voornoemde zaak 45/86, r.o . 13; zie ook voornoemde zaak 275/87, r.o . 5; de arresten van 30 mei 1989, zaak 56/88, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr . 1989, blz . 1615, r.o . 5, en zaak 242/87, Commissie/Raad, Jurispr . 1989, blz . 1425, r.o . 6 .
( 27 ) Gevoegde zaken 33, 44, 110, 226 en 285/86, Peine-Salzgitter en Hoogovens/Commissie, Jurispr . 1988, blz . 4309, r.o . 23; zie ook het arrest van 21 februari 1984, gevoegde zaken 140/82, 146/82, 221/82 en 226/82, Walzstahl-Vereinigung en Thyssen AG/Commissie, Jurispr . 1984, blz . 951 .
( 28 ) L . Kraemer, t.a.p ., blz . 463 .
( 29 ) Arrest van 11 januari 1973, zaak 13/72, Nederland / Commissie, Jurispr . 1973, blz . 27, r.o . 11; zie ook het arrest van 14 januari 1981, zaak 819/79, Duitsland / Commissie, Jurispr . 1981, blz . 21, r.o . 20 .
Top