Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 28 juni 1989. - JUAN JAENICKE CENDOYA TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - BEROEP TOT NIETIGVERKLARING - WEIGERING VAN TOELATING TOT VERGELIJKEND ONDERZOEK. - ZAAK 108/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 02711
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Met het onderhavige beroep komt Jaenicke Cendoya op tegen het besluit hem niet toe te laten tot het vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken ( COM/A/584 ), georganiseerd door de Commissie met het oog op de vorming van een reserve van hoofdadministrateurs van de Spaanse nationaliteit .
Volgens punt III.B.2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek moesten de sollicitanten aantonen, dat zij op de uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties ( 21 augustus 1987 ):
" a ) in het bezit waren van een diploma ( titulo ) waaruit bljkt, dat zij een volledige universitaire studie van de tweede cyclus hebben voltooid . De jury zal daarbij rekening houden met de bijzondere structuur van het door de sollicitanten genoten onderwijs .
b ) beschikten over een postuniversitaire beroepservaring van ten minste twaalf jaar, waaronder zes jaar in een functie die verband houdt met de door sollicitant begeerde post, waarvan de taakomschrijving in de bijlage staat ."
Jaenicke Cendoya diende binnen de gestelde termijn een sollicitatieformulier in . Hij voegde daarbij een academisch getuigschrift van het Instituto Católico de Administración y Dirección de Empresas ( hierna : ICADE ), ten bewijze dat hij tussen 1968 en 1973 was geslaagd voor de daarin genoemde examens die deel uitmaken van de studie "Technisch bestuur van ondernemingen", alsmede een getuigschrift Europese Gemeenschappen afgegeven door de Escuela Diplomática te Madrid en een getuigschrift "Hautes Études européennes" uitgereikt door het Europacollege te Brugge .
Daarop deelde de jury van het vergelijkend onderzoek Jaenicke Cendoya mee, dat het door hem ingezonden ICADE-diploma slechts voldoet aan de toelatingsvoorwaarde van punt III.B.2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, op voorwaarde dat het, bij wege van homologatie, officieel is erkend door de bevoegde Spaanse autoriteiten . Betrokkene werd verzocht uiterlijk op de voor zijn mondeling onderhoud met de jury vastgestelde datum ( 12 januari 1988 ) het bewijs van de homologatie over te leggen .
Op de dag van het mondelinge onderhoud verstrekte Jaenicke Cendoya de jury slechts een document van het Spaanse Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen waaruit bleek, dat een advies over de mogelijkheid van homologatie van het betrokken diploma was gevraagd . Blijkens de - overigens tamelijk beknopte - tekst van het document, was dit diploma behaald op een tijdstip, waarop de Spaanse wettelijke regeling nog geen civiel effect verbond aan studies aan katholieke instellingen zoals het ICADE . Uit het document bleek eveneens, dat Jaenicke Cendoya niet de enige was die had verzocht dergelijke niet-officiële diploma' s gelijkwaardig te verklaren aan de wettelijke universitaire diploma' s .
Onder deze omstandigheden besloot de jury om het onderhoud af te gelasten . Het weigeringsbesluit werd hem vervolgens officieel ter kennis gebracht bij brief van het hoofd van de afdeling Aanwerving van de Commissie van 25 januari 1988 .
2 . Alvorens in te gaan op de grond van de zaak, dient erop te worden gewezen, dat blijkens de overgelegde bewijsstukken Jaenicke Cendoya in de periode van 1983 tot 1985 aan de Universidad Pontificia de Comillas ICAI-ICADE is geslaagd voor de examens in negen vakken die niet behoren tot de studierichting die hij in de jaren 1968-1973 had gevolgd . Op grond van zijn resultaten bij deze nieuwe examens en van de erkenning van de tussen 1968 en 1973 met succes afgelegde examens zou Jaenicke Cendoya een nieuw niet-officieel diploma hebben behaald . Wat ook de aard, de inhoud en de waarde van dit tweede stuk - dat volgens verzoeker overigens geheel losstaat van het diploma betreffende zijn studie in de periode van 1968 tot 1973 - moge zijn, het is hoe dan ook van geen enkel belang voor de oplossing van het onderhavige geding, want het werd pas na het verstrijken van de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde termijn overgelegd en het werd bovendien pas verkregen op een zodanig tijdstip - in 1985 - dat verzoeker niet kon voldoen aan de tweede toelatingsvoorwaarde, namelijk een postuniversitaire beroepservaring van ten minste twaalf jaar .
Derhalve kan het in deze procedure enkel gaan om het document betreffende de in 1973 voltooide studie . Alleen dit stuk is door verzoeker bij zijn sollicitatieformulier gevoegd en is door de jury beoordeeld om na gaan of verzoeker tot het vergelijkend onderzoek kon worden toegelaten .
Om mogelijke misverstanden over de feiten in dit geding te voorkomen, dient erop te worden gewezen, dat er na de schriftelijke procedure en de mondelinge behandeling geen twijfel meer over lijkt te bestaan, dat het betrokken stuk als een niet-officieel, maar niettemin volledig diploma moet worden beschouwd . Het gaat dus om een getuigschrift waaruit blijkt, dat de examens voor alle vakken van de betrokken studierichting met succes zijn afgelegd en waarbij tegelijkertijd aan de betrokkene de aan de voltooiing van die studierichting verbonden titel wordt verleend, ook al wordt het desbetreffende diploma (" titulo privado de Licienciado en Ciencias Empresariales ") pas later uitgereikt na betaling van de daartoe verschuldigde leges .
Opgemerkt zij nog, dat de jury bij haar onderzoek in verband met de vraag of verzoeker tot het vergelijkend onderzoek kon worden toegelaten, nooit heeft betwist, dat het genoemde document eigenlijk een echt diploma was, dat wil zeggen een diploma afgegeven na voltooiing van een volledige studierichting, maar als enige bijkomende voorwaarde de homologatie, dat wil zeggen de erkenning van dat diploma, heeft geëist .
Tot slot wordt niet betwist, dat in casu niet is voldaan aan de voorwaarde van homologatie . Zoals tijdens de mondelinge behandeling bleek, is de procedure tot homologatie en dus tot wettelijke erkenning van niet-officiële diploma' s als het "Licenciado en Ciencias Empresariales" van het ICADE pas in 1979 ingevoerd . Slechts vanaf dat tijdstip kon die wettelijke erkenning worden verkregen door te slagen voor een speciaal daartoe ingesteld theoretisch en praktisch examen . Vaststaat evenwel, dat verzoeker dit examen niet heeft afgelegd, en partijen zijn het er in elk geval over eens, dat een dergelijke procedure niet mogelijk was voor ICADE-diploma' s in "Ciencias Empresariales" die, zoals in casu, vóór de wijziging van 1979 zijn behaald .
3 . Dit wat de feiten betreft . De rechtsvraag is eenvoudig : heeft de jury het recht om naast het bezit van het diploma (" título "), als voorwaarde voor toelating tot het vergelijkend onderzoek ook de homologatie van dat diploma te eisen .
Dienaangaande betoogt verzoeker in de eerste plaats, dat het stellen van een dergelijke voorwaarde een schending van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek oplevert . Zijn redenering berust voornamelijk op drie overwegingen :
- de homologatie is een nieuwe voorwaarde, aangezien zij niet wordt vermeld in punt III.B.2, sub a, eerste zin, van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, waarin slechts - zonder verdere precisering - wordt gevraagd een diploma ( título ) over te leggen ten bewijze van de voltooiing van een volledige universitaire studie van de tweede cyclus;
- het homologatievereiste, dat impliceert dat slechts sollicitanten met een wettelijk diploma worden toegelaten, is in tegenspraak met de tweede zin van genoemde bepaling, volgens welke de jury rekening moet houden met "de bijzondere structuur van het door de sollicitanten genoten onderwijs";
- het homologatievereiste is ongerechtvaardigd, gelet op de uitlegging die in het licht van artikel 5, lid 1, tweede alinea, Ambtenarenstatuut aan punt III.B.2, sub a, van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek moet worden gegeven; ingevolge deze statuutsbepaling is de jury immers verplicht om, ongeacht de formele waarde van de overgelegde diploma' s, te onderzoeken of de sollicitant in feite beschikt over "kennis op universitair niveau ".
Volgens verzoeker had de jury uiteindelijk, gelet op de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, moeten oordelen, dat niet alleen diploma' s die rechtens gelijkwaardig zijn aan de door openbare universiteiten uitgereikte diploma' s, maar ook de diploma' s die feitelijk daaraan gelijkwaardig zijn, aan het betrokken toelatingsvereiste voldoen .
Deze stelling lijkt mij ongegrond . Het is juist, dat de jury van het vergelijkend onderzoek gebonden is aan de tekst van de aankondiging van het onderzoek . ( 1 ) Het is ook juist, dat punt III B.2 ., sub a, van de aankondiging van het betrokken vergelijkend onderzoek niet preciseert wat onder een diploma ( título ) moet worden verstaan .
Bij gebreke van een communautaire definitie van universitaire diploma' s, is er evenwel slechts één criterium dat een jury van een vergelijkend onderzoek rechtmatig kan gebruiken om te bepalen aan welke stukken een dergelijke waarde moet worden toegekend, namelijk aanknoping bij het nationale recht van iedere Lid-Staat, tenzij de aankondiging van het vergelijkend onderzoek andere specifieke bepalingen bevat .
Dit criterium - dat trouwens voortdurend door de gemeenschapsinstellingen wordt gehanteerd - leidde er in casu toe, dat alleen de diploma' s in aanmerking werden genomen, die hetzij aan openbare universiteiten waren behaald, hetzij aan particuliere universiteiten waren behaald en vervolgens waren "gehomologeerd" om er wettelijke waarde aan toe te kennen .
Dit is eigenlijk het enige criterium dat de gelijke behandeling kan garanderen bij een vergelijkend onderzoek, waarvoor zich gegadigden kunnen aanmelden die in verschillende landen universitaire studies in ruime zin hebben verricht aan instellingen met onderwijssystemen die ook qua organisatie, structuur, methoden en inhoud zeer uiteenlopen . Het laat immers toe, al degenen die houder zijn van een diploma waarvan de werkelijke waarde blijkt uit de officiële erkenning door de staat, en die zich daardoor feitelijk en vooral rechtens in wezen in dezelfde situatie bevinden, gelijk te beoordelen .
Bovendien biedt dit criterium de betrokkenen de meeste zekerheid, want zij kunnen van tevoren met voldoende zekerheid weten, of hun universitair diploma al dan niet geldig zal worden geacht voor indiensttreding bij de Europese Gemeenschappen .
Ten slotte verdraagt dit criterium zich met het onderzoek van de toelaatbaarheid van de sollicitanten, dat in de eerste fase van het vergelijkend onderzoek plaatsvindt . Zoals het Hof in het arrest Authié ( 2 ) verklaarde, kan de jury in dat stadium volstaan met te onderzoeken of de sollicitanten op het eerste gezicht globaal gezien voldoen aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden ( zie r.o . 16 ). In deze fase wordt dus gewoon nagegaan, of aan bepaalde voorwaarden is voldaan, zonder grondige beoordeling van de inhoud en de waarde van elk overgelegd stuk . Die beoordeling kan pas in de volgende fase van het vergelijkend onderzoek plaatsvinden, namelijk bij het vergelijkend onderzoek van de toegelaten sollicitanten .
4 . Omdat het hier om een criterium van formele aard gaat, kan het natuurlijk in sommige gevallen tot resultaten leiden, die niet geheel bevredigend zijn . Dit zou het geval kunnen zijn, wanneer sollicitanten met een niet-officieel diploma dat is afgegeven na voltooiing van een studie die inhoudelijk van universitair niveau is, van een vergelijkend onderzoek worden uitgesloten . Zoals in de loop van het geding is gebleken, schijnt dit inderdaad het geval te zijn met de vóór 1979 door het ICADE uitgereikte diploma' s . De Commissie heeft zelf toegegeven, dat het door deze instelling gegeven onderwijs degelijk en van goede kwaliteit is .
Algemeen gezien, gaat het echter waarschijnlijk om een beperkt aantal gevallen, aangezien er doorgaans passende procedures bestaan om op nationaal vlak wettelijke erkenning te krijgen van diploma' s van aan particuliere instellingen gevolgde studies die werkelijk op hetzelfde niveau liggen als de studie aan openbare universiteiten . Wanneer er geen nationale erkenningsregeling bestaat, is de enige methode om te bereiken, dat niet-officiële diploma' s voor de toelating tot een communautair vergelijkend onderzoek in aanmerking worden genomen, de opneming van een specifieke bepaling in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek .
De opvatting, dat de jury van een vergelijkend onderzoek van geval tot geval moet nagaan of een bepaald niet-officieel diploma de facto gelijkwaardig is aan wettelijk erkende diploma' s, zou evenwel veel ernstiger gevolgen kunnen hebben . Zoals opgemerkt, zouden de sollicitanten dan in de onzekerheid komen te verkeren omtrent de voor toelating geschikte diploma' s . Bovendien is het duidelijk, dat een jury van een vergelijkend onderzoek, ongeacht haar samenstelling, niet in staat is na te gaan of de getuigschriften die in de verschillende landen worden afgegeven en in feite zeer uiteenlopende situaties betreffen, inhoudelijk gelijkwaardig zijn aan de officiële diploma' s . Een dergelijk onderzoek zou derhalve resultaten opleveren die weinig betrouwbaar zijn en een ontoelaatbaar verschil in behandeling met zich zouden kunnen brengen, zowel binnen één en hetzelfde vergelijkend onderzoek, als tussen verschillende vergelijkende onderzoeken . Ten slotte zou een dergelijk onderzoek, zoals gezegd, de aard van de fase waarin wordt nagegaan of de sollicitanten kunnen worden toegelaten, wijzigen door als het ware vooruit te lopen op de volgende fase, waarin de sollicitanten onderling worden vergeleken .
Daartegenover staat, dat degenen die particuliere cursussen hebben bezocht, ongeacht het niveau van de gevolgde studie, niet onkundig kunnen zijn van het feit, dat het behaalde diploma, als het niet wettelijk wordt erkend, geen toegang geeft tot de meeste beroepen en loopbanen, met name niet tot overheidsfuncties, die uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden impliceren of, althans gedeeltelijk, door de staat zijn geregeld . Degenen die een dergelijk diploma hebben behaald, kunnen dus niet op goede gronden verwachten, dat hun diploma geschikt wordt geacht om te worden toegelaten tot een communautair vergelijkend onderzoek .
Ik meen dus dat, bij gebreke van andersluidende bepalingen in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, de jury verplicht is om het zojuist beschreven formele criterium toe te passen en slechts de naar nationaal recht erkende diploma' s als universitaire diploma' s aan te merken . Dit betekent, dat de jury in casu de aankondiging van het vergelijkend onderzoek correct heeft toegepast door uitsluitend rekening te houden met de door de openbare universiteiten uitgereikte diploma' s en met de door particuliere universiteiten uitgereikte diploma' s die vervolgens zijn "gehomologeerd ".
5 . De tweede zin van punt III.B.2, sub a, van de aankondiging (" de jury zal daarbij rekening houden met de bijzondere structuur van het door de sollicitanten genoten onderwijs ") heeft niet de betekenis die verzoeker eraan toekent . Deze bepaling, die herhaaldelijk voorkomt bij communautaire vergelijkende onderzoeken, verplicht de jury er in feite toe, rekening te houden met het feit dat de sollicitanten kunnen hebben gestudeerd in verschillende landen en dus aan universiteiten waar het onderwijs qua structuur en organisatie verschillend is . Dit is de betekenis van deze bepaling en dat geldt zowel voor vergelijkende onderzoeken waaraan onderdanen van alle Lid-Staten deelnemen, als voor vergelijkende onderzoeken, die - zoals in casu - slechts openstaan voor onderdanen van een enkele Lid-Staat . De tweede zin van punt III.B.2, sub a, mag daarentegen niet worden opgevat als een verplichting voor een jury van een vergelijkend onderzoek voor sollicitanten van dezelfde nationaliteit om na te gaan, of het door hen eventueel gevolgde particuliere onderwijs al dan niet gelijkwaardig is aan het onderwijs gevolgd aan universiteiten die door de staat zijn gemachtigd om wettelijke diploma' s af te geven .
6 . Wat ten slotte de verwijzing naar artikel 5 van het Statuut betreft, meen ik dat deze regel niet van invloed is op de uitlegging van het begrip diploma in de aankondiging van het betrokken vergelijkend onderzoek . Het Hof heeft reeds overwogen ( 3 ):
" Artikel 5 van het Statuut beoogt in algemene zin het minimumniveau van een ambtenaar in de betrokken categorie te omschrijven, naargelang van de aard van de aan de ambten verbonden werkzaamheden, en heeft geen betrekking op de aanwervingsvoorwaarden" ( arrest Lipman, r.o . 7 ).
Uit deze regel kan dus niet worden afgeleid, dat de toelatingsvoorwaarden aldus moeten worden uitgelegd, dat de jury bij het onderzoek van de diploma' s een ander criterium zou moeten hanteren dan het criterium dat zij om redenen van rechtmatigheid of louter opportuniteit het meest geschikt acht .
7 . Bovendien merkt verzoeker op, dat hij vóór zijn aanmelding voor het betrokken vergelijkend onderzoek heeft gewerkt als plaatselijk functionaris bij het voorlichtingsbureau van de Commissie te Madrid in een functie waarvoor een opleiding op universitair niveau was vereist . Verder wijst hij erop, dat de studenten van de cursus "Ciencias Empresariales" van het ICADE net als elke andere universiteitsstudent in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van het Erasmus-programma .
Dat zijn diploma niet geschikt werd bevonden, is dan ook in tegenspraak met deze elementen van het eerdere communautaire beleid .
Dit argument dient eveneens te worden afgewezen, ongeacht het belang dat bij de beoordeling van de wettigheid van het bestreden besluit aan de vermeende tegenstrijdigheid moet worden toegekend .
Het is namelijk onjuist, dat de door verzoeker te Madrid beklede post van plaatselijk functionaris een universitaire opleiding onderstelde . Het is weliswaar juist, dat verzoeker op die post een hogere rang heeft gekregen, doch dit gebeurde niet omwille van zijn diploma' s, maar omwille van zijn beroepservaring .
Wat het Erasmus-programma betreft, dit beoogt de mobiliteit van de studenten te bevorderen en heeft dus duidelijk een andere strekking; het is dan ook absoluut niet van invloed op de toepassing van de voorwaarden voor toelating tot een bepaald vergelijkend onderzoek .
8 . Verzoeker betoogt ten slotte, dat de afwijzing van zijn sollicitatie onvoldoende met redenen is omkleed . In het arrest Sergio ( 4 ) herinnerde het Hof aan zijn vaste rechtspraak :
"dat een voor betrokkene bezwarend besluit moet worden gemotiveerd om enerzijds het Hof in staat te stellen de rechtmatigheid van het besluit te controleren, en anderzijds om betrokkene de nodige gegevens te verschaffen ter vaststelling of het besluit op goede gronden werd genomen . Het besluit van een jury om een kandidaat niet tot een volgende fase van het vergelijkend onderzoek toe te laten, is bijgevolg eerst voldoende gemotiveerd, indien de betrokkene er de redenen in vindt waarom hij niet aan de selectiecriteria voldeed" ( r.o . 48 ).
Zoals met zoveel woorden uit de brief van de Commissie aan verzoeker van 25 januari 1988 alsmede uit de eerdere mededelingen blijkt, is verzoeker van het vergelijkend onderzoek uitgesloten wegens het ontbreken van een officiële verklaring waaruit de wettelijke erkenning van het door hem overgelegde diploma blijkt . Het was juist dit punt waaromtrent de discussie tussen partijen in het kader van de rechtelijke toetsing van de wettigheid draaide .
Verzoeker kan dus niet stellen, dat hij niet wist waarom de jury meende dat zijn sollicitatie niet voldeed aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek gestelde toelatingsvoorwaarden .
Het middel betreffende gebrekkige motivering is dus ongegrond .
9 . Om deze redenen geef ik het Hof in overweging :
1 ) het beroep te verwerpen,
2 ) te verstaan dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) Arrest van 18 februari 1982, zaak 67/81, Ruske, Jurispr . 1982, blz . 661, r.o . 9 .
( 2 ) Arrest van 26 februari 1981, zaak 34/80, Authié, Jurispr . 1981, blz . 665 .
( 3 ) Arresten van 28 april 1983, zaak 143/82, Lipman, Jurispr . 1983, blz . 1301, en 5 april 1979, zaak 117/78, Orlandi, Jurispr . 1979, blz . 1613 .
( 4 ) Arrest van 8 maart 1988, gevoegde zaken 64, 71-73, en 78/86, Sergio, Jurispr . 1988, blz . 1399 .
Top