Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 12 december 1989. - ANDRE HECQ TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - TOEWIJZING VAN WERKZAAMHEDEN - NIEUWE TEWERKSTELLING. - GEVOEGDE ZAKEN 116/88 EN 149/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00599
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De twee beroepen van A . Hecq waarover het Hof zich heeft uit te spreken, vertonen veel gelijkenis met zijn eerdere beroepen, waarop uitspraak is gedaan bij de arresten van 23 maart 1988 ( zaak 19/87 ) en 14 december 1988 ( zaak 280/87 ).
2 . Voor de feiten en middelen waarop deze nieuwe beroepen berusten, verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting . Ik zal deze slechts vermelden voor zover dit voor mijn redenering noodzakelijk is .
3 . Toen Hecq van 6 februari tot 4 mei 1987 arbeidsongeschikt was wegens ziekte, vertrouwde R . Petersen, hoofd van de dienst "Gebouwen", de zorg voor de gebouwen waarvoor Hecq voordien verantwoordelijk was, aan andere ambtenaren toe . Bij nota van 22 april 1987 deelde Petersen, die Hecq op 27 april 1987 terugverwachtte, hem het volgende mee :
"Ik heb besloten u bij uw terugkeer te belasten met het opstellen van een technisch en financieel rapport betreffende het gebouw te Overijse, dat mij uiterlijk op 18 mei moet worden ter hand gesteld . U dient daarin het gebouw per gespecialiseerd vakgebied volledig door te lichten en voorstellen te formuleren voor herstellingen of aanpassingen die het gebouw functioneler zullen maken . Deze voorstellen moeten uiteraard vergezeld gaan van een kostprijsberekening, ten einde de budgettaire gevolgen ervan te kunnen beoordelen ."
4 . Ter terechtzitting is komen vast te staan, dat Hecq, die zijn werk uiteindelijk eerst op 4 mei 1987 hervatte, voordien reeds telefonisch contact had opgenomen met de beheerder van het vrijetijdscentrum te Overijse . Deze stuurde hem op 29 april 1987 een nota van twee bladzijden waarin een opsomming werd gegeven van de werken die in dat complex nog moesten worden uitgevoerd . Die lijst is naderhand aangevuld met twee nota' s van 6 mei en 1 juni 1987 die betrekking hadden op een aantal problemen van ondergeschikt belang .
5 . Vaststaat, dat Hecq zijn chef nooit de gevraagde volledige en becijferde lijst van de werken heeft overgelegd .
6 . Hij heeft integendeel op 13 juli 1987 een klacht ingediend tegen het besluit van 22 april 1987 . Nadat deze op 25 november 1987 door de Commissie was verworpen, heeft hij het beroep in zaak C-116/88 ingesteld tot nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van zijn klacht alsmede van het besluit waarop zijn klacht betrekking had .
7 . Bij besluit van 31 juli 1987, dat is bevestigd bij een formeel besluit van 16 september 1987, werd Hecq vervolgens in een nieuwe functie te Luxemburg tewerkgesteld . Van oordeel dat het om een verkapte tuchtmaatregel ging, diende hij op 28 oktober 1987 een klacht in, die door de Commissie op 27 mei 1988 werd afgewezen . Daarop stelde hij het beroep in zaak C-149/88 in, tot nietigverklaring van het besluit van 31 juli 1987 alsmede van het besluit tot afwijzing van zijn klacht tegen het besluit van 31 juli 1987 .
8 . Wat dit laatste aspect van de beide beroepen betreft, wijs ik erop, dat onder meer uit het arrest-Vainker ( 1 ) voortvloeit, dat het beroep tegen de afwijzing van een klacht opgaat in het beroep tegen het besluit dat bezwarend wordt geacht, in casu het besluit waarbij verzoeker opdracht werd gegeven een financieel en technisch rapport op te stellen betreffende het gebouwencomplex te Overijse, en het besluit waarbij hij in het Directoraat-generaal IX-E-2 te Luxemburg werd tewerkgesteld .
Zaak C-116/88
1 . Ontvankelijkheid van het beroep
9 . De Commissie stelt om te beginnen dat het beroep niet-ontvankelijk is, en zulks om twee redenen .
10 . a ) In de eerste plaats is het beroep tegen het besluit waarbij Hecq was opgedragen een financieel en technisch rapport op te stellen betreffende het gebouwencomplex te Overijse, volgens haar zonder voorwerp geraakt, daar dit besluit reeds lang vóór het beroep geen effect meer sorteerde . Hecq werd namelijk per 1 november 1987 naar Luxemburg overgeplaatst, terwijl het beroep eerst op 14 april 1988 is ingesteld . Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk bij gebreke van een actueel belang .
11 . Ik kan niet ontkennen, dat de nietigverklaring van het besluit van 22 april 1987 niet tot gevolg zou hebben dat Hecq zijn werkzaamheden van vóór die datum opnieuw zou kunnen opnemen; intussen is hij immers in een andere post aangesteld te Luxemburg .
12 . Het besluit van 22 april 1987 bevat nochtans een definitief element dat in voorkomend geval een nog actueel belang van Hecq kan schenden .
13 . Anders dan men na de tekst te hebben gelezen, zou kunnen denken, vormde de nota van 22 april 1987 geen louter tijdelijke maatregel, waarbij Hecq na afloop van zijn opdracht te Overijse automatisch zijn oude functie weer zou kunnen opnemen . De Commissie erkent integendeel in een voetnoot bij haar verweerschrift, dat het besluit wel degelijk een nieuwe tewerkstelling inhield, in die zin dat Hecq van zijn oude functie werd ontheven en hem slechts voorlopig een louter tijdelijke taak werd toevertrouwd .
14 . Nu is die ontzetting uit zijn oude functie een element dat eventueel problemen zou kunnen opleveren vanuit het oogpunt van het Statuut, wanneer namelijk de nieuwe - zij het tijdelijke - werkzaamheden globaal gezien van een lager niveau zouden zijn dan de werkzaamheden die gewoonlijk door een ambtenaar met de rang B 3 worden verricht . Waar Hecq de hem toevertrouwde nieuwe taak niet tot een goed einde heeft gebracht, is de vaststelling van de eventuele onwettigheid van het betrokken besluit bovendien van belang voor het behoud van zijn goede naam en voor zijn loopbaanvooruitzichten .
15 . b ) Subsidiair, meent de Commissie, dat het beroep bovendien niet-ontvankelijk is, omdat Hecq door het bestreden besluit niet kan worden bezwaard . Het gaat slechts om een maatregel om de diensten beter te organiseren, zonder dat de door verzoeker aan de artikelen 5 en 7 van het Statuut ontleende rechten worden beïnvloed . ( 2 )
16 . Dit laatste wordt echter door Hecq juist betwist op grond van argumenten die de grond van de zaak betreffen . Ik meen derhalve, dat niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep in zaak C-116/88 kan worden geconcludeerd, maar dat de zaak ten gronde moet worden onderzocht .
2 . Schending van de artikelen 5, lid 4, en 7, lid 1, Ambtenarenstatuut
17 . Hecq stelt om te beginnen, dat de Commissie hem werkzaamheden heeft opgedragen die niet in overeenstemming zijn met zijn rang en ambt . Dit zou een schending opleveren van met name de artikelen 5, lid 4, en 7, lid 1, Ambtenarenstatuut .
18 . Voor deze stelling voert hij twee argumenten aan, die echter in tegengestelde richting gaan .
19 . Hij voert in de eerste plaats aan, dat indien zijn opdracht met betrekking tot het gebouwencomplex te Overijse alleen de gespecialiseerde vakgebieden "verwarming en sanitair" betrof, zijn werkzaamheden duidelijk van een lager niveau waren dan van een assistent in de rang B 2 of B 3 kan worden verwacht .
20 . Hierop volstaat het antwoord, dat het gevraagde technisch en financieel rapport niet enkel de gespecialiseerde vakgebieden "verwarming en sanitair" betrof en Hecq dus niet was "gedegradeerd ".
21 . Daarnaast voert Hecq aan, dat indien het rapport moest worden geacht alle gespecialiseerde vakgebieden van het gebouw te Overijse te bestrijken, zijn functie de werkzaamheden die redelijkerwijs van een assistent in de rang B 3 kunnen worden verwacht, kennelijk te boven ging .
22 . Ik merkte hiervoor reeds op, dat Hecq op de medewerking kon rekenen van de beheerder van het gebouw te Overijse, die hem een tamelijk lange lijst liet toekomen van werken die nog moesten worden uitgevoerd . Hij behoefde dus enkel maar samen met de beheerder de gesignaleerde problemen te bekijken, zich daarover een mening te vormen en contact op te nemen met potentiële leveranciers, aannemers en vaklui voor een zo precies mogelijke raming van de kostprijs van de noodzakelijk geachte werken . Niets belette hem in zijn raming een voorbehoud te maken omdat hij niet voor alle gebieden een specialist was .
23 . In de door de Commissie vastgestelde omschrijving van de standaardfunctie van technisch assistent in de rang B 2 of B 3 wordt onder meer voorzien dat een ambtenaar van dat niveau
"belast is met het uitvoeren van moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden binnen het kader van algemene richtlijnen ".
De werkzaamheden die Hecq waren opgedragen, beantwoordden aan deze omschrijving . Voert men deze uit op de wijze die ik hiervoor heb gesuggereerd, dan gaan zij de bekwaamheid van een technisch-assistent in de rang B 3 niet te boven .
24 . Rekening houdend met de omvang van zijn opdracht te Overijse kon Hecq aan de andere kant worden geacht de verantwoordelijkheid te hebben voor een "sectie van een administratieve eenheid" in de zin van de hogerbedoelde omschrijving van de standaardfunctie .
25 . Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat Hecq te Overijse niet was tewerkgesteld in een ambt dat niet in overeenstemming was met zijn rang ( artikel 7, lid 1, Ambtenarenstatuut ) of dat niet overeenkwam met de omschrijving van de werkzaamheden en bevoegdheden die zijn verbonden aan de standaardfunctie van technisch-assistent in de rang B 3 of B 2 ( artikel 5, lid 4, Ambtenarenstatuut ).
26 . De dienstaanwijzing van 22 april 1987 was derhalve niet in strijd met het beginsel dat rang en ambt met elkaar moeten overeenstemmen .
3 . Schending van artikel 25 juncto artikel 7, lid 1, Ambtenarenstatuut
27 . Artikel 25, tweede alinea, Ambtenarenstatuut bepaalt :
"... Iedere ... nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed ."
Doch volgens vaste rechtspraak van het Hof
"kan een interne organisatiemaatregel, die geen afbreuk doet aan de statutaire positie van de betrokkenen of aan het beginsel van overeenstemming tussen de rang van ambtenaren en het ambt waarin zij zijn tewerkgesteld, niet als een nadelige en derhalve door het administratief gezag met redenen te omkleden beslissing in de zin van artikel 25 van het Statuut worden aangemerkt ". ( 3 )
28 . Aangezien het in casu om een dergelijke interne organisatiemaatregel ging, kan het middel ontleend aan schending van artikel 25 Ambtenarenstatuut niet slagen .
29 . Verzoeker voert evenwel ook aan, dat gesteld al dat geen externe motivering behoefde te worden gegeven, het besluit toch op interne gronden moest berusten die in overeenstemming waren met het Ambtenarenstatuut . Het besluit moest met andere woorden zijn gebaseerd op het dienstbelang, dat in artikel 7, lid 1, uitdrukkelijk als de enige geldige reden wordt genoemd voor een aanstelling of een overplaatsing . In casu was er sprake van een onjuiste motivering en van willekeur .
30 . Ik meen dat in dit verband dient te worden verwezen naar de brief van 22 december 1987, waarin de Commissie Hecqs klacht heeft afgewezen .
31 . In die brief wordt het bestreden besluit als volgt gemotiveerd :
- gedurende de afwezigheid van betrokkene, zag het hoofd van de dienst "Gebouwen" zich gedwongen de gebouwen waarvoor Hecq verantwoordelijk was voor de goede werking van de dienst aan andere ambtenaren toe te vertrouwen, daar die gebouwen niet zo lang onbeheerd konden blijven;
- op het tijdstip van Hecqs terugkeer moest om dienstredenen voorrang worden gegeven aan het opstellen van een technisch en financieel rapport betreffende het gebouwencomplex te Overijse;
- de opgedragen taken kwamen met Hecqs rang overeen;
- het betrokken besluit is genomen in het belang van de dienst; de administratie beschikt ter zake uiteraard over een ruime discretionaire bevoegdheid .
32 . Het enige onderdeel van deze motivering dat in dit stadium nog aanleiding kan geven tot discussie is dat betreffende de voorrang van het opstellen van een financieel en technisch rapport betreffende het gebouwencomplex te Overijse . Hecq heeft echter niet weten aan te tonen, dat de Commissie in dat verband een kennelijke beoordelingsfout zou hebben gemaakt . De omstandigheid dat zij na Hecqs weigering om dat rapport op te stellen eerst veel later een overeenkomst heeft gesloten met een architectenbureau, is niet concludent . Uit dit door de Commissie overgelegde contract blijkt immers, dat dit een veel ruimere strekking had dan de aan Hecq gegeven opdracht .
33 . Het besluit van de directeur-generaal "Personeelszaken" berustte derhalve op wettig toelaatbare gronden, waarbij geen sprake was van enige kennelijke beoordelingsfout . Derhalve behoeft niet te worden ingegaan op de aanvullende gronden die de Commissie tijdens de schriftelijke behandeling heeft aangevoerd .
4 . Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van de zorgplicht
34 . Hecq beklaagt zich erover, dat de administratie in haar besluit van 22 april 1987 geen rekening heeft gehouden met zijn belang . Hij is bovendien niet in de gelegenheid gesteld om vooraf zijn standpunt mee te delen . Zijn argumenten en het antwoord van de Commissie zijn nader uiteengezet in het rapport ter terechtzitting .
35 . De beoordeling van dit middel kan volgens mij worden afgedaan met de hiernavolgende overwegingen .
36 . In zijn arrest van 29 oktober 1981 ( zaak 125/80, Arning, Jurispr . 1981, blz . 2539, 2555 ) verklaarde het Hof :
"Het moge juist zijn dat de administratie bij een besluit dat de positie van de ambtenaar raakt, niet enkel rekening heeft te houden met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokken ambtenaar, doch dit behoeft haar niet te beletten een noodzakelijk geachte rationalisatie van de diensten door te voeren ."
Deze redenering klemt te meer in geval van een louter tijdelijke dienstaanwijzing die op werkzaamheden betrekking heeft welke overeenkomen met het niveau van een technisch-assistent in de rang B 3 .
37 . Ik zie trouwens niet in, hoe de gewraakte maatregel Hecqs persoonlijk belang heeft kunnen schenden . Hecq was sedert 6 februari afwezig en het was niet duidelijk wanneer hij definitief hersteld zou zijn . ( 4 ) Daarom kon het aangewezen lijken, hem "bij zijn terugkeer uit ziekteverlof" en gelet op de omstandigheid dat het diensthoofd van 24 april tot 11 mei afwezig was, een tijdelijke opdracht toe te vertrouwen, die in beginsel op 18 mei 1987 moest zijn afgewerkt .
38 . In het eerste arrest-Hecq ( 23.3.1988, zaak 19/87, Jurispr . 1988, blz . 1681, r.o . 20 ) heeft het Hof overigens overwogen, dat
"het Ambtenarenstatuut weliswaar welomschreven waarborgen voor de statutaire rechten van de ambtenaren bevat, doch de gemeenschapsadministratie geenszins gehouden is, de ambtenaar om zijn persoonlijke mening te vragen over reorganisatiemaatregelen die zijn positie kunnen beïnvloeden ".
Dit geldt te meer voor een tijdelijke dienstaanwijzing .
39 . In het tweede arrest-Hecq ( 14.12.1988, zaak 280/87, Jurispr . 1988, blz . 6433 ) verklaarde het Hof voorts, dat wanneer een besluit niet kan worden aangemerkt als een bezwarende handeling, de administratie de betrokken ambtenaar niet vooraf behoeft te horen ( r.o . 11 ).
40 . Aangezien naar mijn mening geen enkel middel van verzoeker kan slagen, kan ik niet anders dan het Hof in overweging geven, het beroep in zaak C-116/88 in zijn geheel te verwerpen .
41 . Wat de kosten betreft, de Commissie verzoekt het Hof te verklaren dat het beroep nodeloos is ingesteld . Naar haar oordeel staat het immers vast dat Hecq geen baat heeft bij een nietigverklaring van het betrokken besluit .
42 . Hecq benadrukt van zijn kant dat het hier niet om een van de gevallen gaat waarin een beroep volgens het Hof nodeloos is ingesteld of vexatoir is . Het beroep is noch kennelijk niet-ontvankelijk, noch kennelijk ongegrond; in het beroep zijn ook geen excessieve standpunten ingenomen en het is evenmin kennelijk dilatoir .
43 . Ik voel veel voor een toewijzing van het verzoek van de Commissie . Om te beginnen ging het om een louter tijdelijke maatregel . Ook al impliceerde deze dat Hecq uit zijn vorige functie wordt ontheven, toch stond bij de indiening van het beroep vast, dat enkel een nietigverklaring van het besluit van 16 september 1987 waarbij hij naar Luxemburg werd overgeplaatst, de gemeenschapsadministratie kon verplichten hem in Brussel weer een functie te geven die met zijn rang overeenkwam . Hecqs argumenten voor de onwettigheid van het besluit om hem tijdelijk in Overijse tewerk te stellen zijn bovendien zeer zwak .
44 . Ten slotte zou men in overweging kunnen nemen, dat dit beroep het vervolg is op Hecqs beroep in zaak 280/87, dat reeds op gelijkaardige en even zwakke argumenten was gebaseerd en door het Hof is verworpen .
45 . Om deze redenen zou eraan kunnen worden gedacht om bij deze gelegenheid tot uitdrukking te brengen, dat een opeenvolging van beroepen die iedere grond missen ( 5 ), doch welker afwijzing van verweerster bemoeiingen en uitgaven vereist, niet toelaatbaar is .
46 . Aan de andere kant moet worden vastgesteld, dat het Hof gewoonlijk de kosten compenseert, wanneer een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de verwerende partij wordt verworpen . Deze praktijk heeft kritiek uitgelokt van de Consultatieve Raad van de balies van de Europese Gemeenschap, die het Hof heeft verzocht enkel rekening te houden met de uitspraak over de middelen die de grond van de zaak betreffen . Ik meen echter, dat zolang het Hof hierover niet als voltallig Hof een nieuw principieel standpunt heeft ingenomen, de oude lijn moet worden gevolgd en in een dergelijk geval moet worden beslist, dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Zaak C-149/88
47 . Bij een nota van 31 juli 1987 en een formeel besluit van 16 september 1987 besloot de directeur-generaal "Personeelszaken en algemeen beheer" per 1 november 1987 de post van de rang B 3 of B 2 alsmede Hecq die deze post bekleedde, "in het belang van de dienst" toe te wijzen aan het directoraat IX-E "Personeelszaken en algemeen beheer te Luxemburg en algemene diensten", afdeling "Algemeen beheer ".
48 . Met betrekking tot de gesprekken die aan die beslissing zijn voorafgegaan en de keuze die Hecq was gegeven, verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
49 . Hecqs opdracht te Luxemburg was als volgt omschreven :
"Onder de directe leiding van de heren Vial en Collovald en van het hoofd van de afdeling IX-E-2 toezien op de technische installaties van het onlangs uitgebreide en heringerichte Kubus-gebouw .
Daar in dit gebouw de diensten van het directoraat "Veiligheidscontrole Euratom" van het Directoraat-generaal XVII zullen worden ondergebracht en dit directoraat een groot aantal laboratoria telt en over een gespecialiseerde apparatuur beschikt, waaronder een grote hoeveelheid apparatuur voor de informatica, is de aanwezigheid van een ambtenaar van de categorie BT van belang in verband met de aard, het aantal en de kwaliteit van de normale en de gespecialiseerde technische apparatuur van dit gebouw .
Deze ambtenaar moet beoordelen welke werkzaamheden nodig zijn met betrekking tot die apparatuur, de bevoegde diensten daarvan verwittigen en/of de dringende werkzaamheden verrichten, die vereist zijn voor de veiligheid van dat gebouw ."
50 . Bij nota van 2 mei 1988 - dus vóór de indiening van het onderhavige beroep - werd Hecq eveneens belast met
- het toezicht op en het onderhoud van het "Centre polyvalent de l' enfance";
- de voorbereiding van een ontwerp van lastenkohier voor de aanbesteding van nieuwe onderhoudscontracten voor de hijstoestellen in het Jean Monnet-gebouw .
51 . Later werd hij nog belast met de verwarming in het Jean Monnet-gebouw . Op 12 oktober 1988 werd hem gevraagd in het nieuwe gebouw van de Commissie te Luxemburg - het "Centre Wagner" - dezelfde taken te vervullen als in de "Kubus-gebouw" en het "Centre polyvalent de l' enfance ".
52 . Ter terechtzitting is ten slotte gebleken dat Hecq op een niet nader genoemd tijdstip nieuwe functies in de vakbond heeft aanvaard, waarvoor hij twee dagen per week te Brussel moet zijn en waardoor hij bijgevolg geen permanent toezicht kan uitoefenen op de technische installaties van de gebouwen waarvoor hij de zorg heeft .
53 . Hecq voert in zijn verzoek tot nietigverklaring van het overplaatsingsbesluit van 16 september 1987 vijf middelen aan .
1 . Schending van de artikelen 5, lid 4, en 7, lid 1, Ambtenarenstatuut
54 . Hecq betoogt om te beginnen, dat het toezicht op de technische installaties van het "Kubus-gebouw" een taak is die niet in overeenstemming is met zijn rang en ambt . Hij vindt namelijk dat hij "slechts als doorgeefluik tussen de lagere ambtenaren en zijn hiërarchieke meerdere" fungeert . Hij heeft geen enkele beslissingsbevoegdheid . Volgens de Commissie echter was dit enkel het geval toen hij zijn nieuwe functie pas had aanvaard, en wel omdat het "Kubus-gebouw" waarvoor hij verantwoordelijk is, was verbouwd en de werken en de installaties nog onder garantie stonden, wat inhield dat daaraan alleen mocht worden gewerkt door het personeel van de installateurs . Deze argumenten lijken mij overtuigend .
55 . Verzoeker wijst verder met nadruk erop, dat hij vroeger aan het hoofd stond van een sectie van een administratieve eenheid, terwijl dat nu niet langer het geval is . Hier zij echter opgemerkt dat de omschrijving van de werkzaamheden van een assistent in de rang B 2 of B 3, anders dan verzoeker schijnt te denken, niet impliceert dat een assistent per se een groep technische beambten onder zich moet hebben . Uit het arrest in zaak 19/87 ( reeds aangehaald ) volgt namelijk duidelijk, dat dit niet zo is . Het Hof verklaarde in dat arrest, dat verzoeker, waar hij alleen verantwoordelijk was voor een aantal gebouwen, kon worden geacht de verantwoordelijkheid te hebben voor een sectie van een administratieve eenheid .
56 . Nu kan men zich wel afvragen of dat ook nog geldt wanneer een ambtenaar in de rang B 3 slechts met de zorg voor één enkel gebouw is belast . In het "Kubus-gebouw" bevindt zich echter een groot aantal belangrijke technische installaties waarop moet worden toegezien . Ten slotte en vooral echter werden Hecqs taken nog vóór de instelling van het onderhavige beroep sterk uitgebreid en werden hem ook naderhand nog nieuwe werkzaamheden opgedragen . Hij kan dus worden geacht nog steeds de verantwoordelijkheid te hebben voor een sectie van een administratieve eenheid in de zin van het arrest-Hecq I .
57 . Het eerste middel faalt derhalve .
2 . Onvoldoende of onjuiste motivering van het bestreden besluit
58 . Verzoeker betoogt, dat het besluit om hem naar Luxemburg over te plaatsen, in strijd is met artikel 25 Ambtenarenstatuut, omdat het niet met redenen is omkleed, ofschoon het om een bezwarende handeling gaat .
59 . Zoals wij reeds zagen, wordt in dat besluit evenwel uitdrukkelijk aan het "belang van de dienst" gerefereerd . Het besluit is derhalve met redenen omkleed .
60 . Dan rest ons nog te onderzoeken, of Hecq gelijk heeft, wanneer hij die motivering ontoereikend acht of haar onjuist noemt omdat aan het besluit in werkelijkheid andere redenen zouden hebben ten grondslag gelegen . In het laatste geval zou er ook sprake zijn van schending van artikel 7, lid 1, Ambtenarenstatuut, dat bepaalt dat iedere aanstelling of overplaatsing uitsluitend in het belang van de dienst plaatsheeft .
61 . De Commissie beroept er zich ter rechtvaardiging van haar besluit voornamelijk op, dat het noodzakelijk was geworden een einde te maken aan de zeer slechte verstandhouding binnen de dienst waarin Hecq was tewerkgesteld, en wijst daarnaast op de vereisten van haar op mobiliteit van de ambtenaar afgestemde beleid . De betrokken maatregel behoefde volgens haar bovendien niet uitvoeriger te worden gemotiveerd, daar hij geen afbreuk deed aan Hecqs statutaire positie of aan het beginsel van de overeenstemming tussen rang en ambt, en hij bijgevolg niet nadelig kon zijn voor verzoeker .
62 . In dit verband dient volgens mij onderscheid te worden gemaakt tussen een tijdelijke dienstaanwijzing als in zaak C-116/88 en de definitieve herplaatsing van een ambtenaar . Mijns inziens behoeft een dienstaanwijzing niet met redenen te zijn omkleed . Daarentegen is de verwijzing naar het dienstbelang geen toereikende motivering in geval van herplaatsing ( overplaatsing van een ambtenaar met zijn post ) of overplaatsing ( aanstelling van de ambtenaar in een andere post naar aanleiding van een vacature ), twee begrippen die voor de hiernavolgende redenering als gelijkwaardig zijn te beschouwen . De gemeenschapsadministratie wordt namelijk geacht altijd in het dienstbelang te handelen zij het dat aan de ambtenaar moet worden meegedeeld, waarom het dienstbelang vereist dat hij tegen zijn wil elders wordt aangesteld . Het Hof oordeelde dan ook
"dat een tegen de wil van de betrokkene genomen overplaatsingsbesluit ... nadelig is in de zin van artikel 25 van het Statuut en derhalve met redenen moet zijn omkleed ". ( 6 )
In casu gingen aan het besluit echter een aantal gesprekken vooraf, waarin de directeur-generaal "Personeelszaken en algemeen beheer" Hecq de situatie en de redenen waarom hij voor deze keuze werd gesteld, heeft uiteengezet . Derhalve dient toepassing te worden gegeven aan de rechtspraak van het Hof volgens welke een besluit voldoende gemotiveerd is, wanneer
"de bestreden handeling heeft plaatsgevonden binnen een context die de betrokken ambtenaar bekend is, waardoor hij de strekking van een hem persoonlijk betreffende maatregel kan begrijpen ". ( 7 )
63 . Verzoeker betoogt, dat de getroffen maatregel in het geheel niet door het dienstbelang was gerechtvaardigd . Nochtans volgt zeer duidelijk uit de rechtspraak van het Hof, dat het dienstbelang de overplaatsing van een ambtenaar kan vergen, wanneer als gevolg van het werkklimaat binnen de dienst een normale uitvoering van eenieders taken niet langer verzekerd is . In de zaak-Kley overwoog het Hof bij voorbeeld, dat de overplaatsing in het dienstbelang was, daar de ambtenaar afwijzend stond tegenover de plannen waarvan men hem de uitvoering wilde toevertrouwen .
64 . In de zaak-Scuppa oordeelde het Hof het in het belang van de dienst, dat een ambtenaar werd overgeplaatst wegens gespannen dienstverhoudingen met zijn hiërarchieke meerdere . ( 8 )
65 . In de zaak V./Commissie besliste het Hof zonder aarzeling, dat
"het ... in het belang van de dienst was te achten, dat er aan een voor alle betrokkenen onhoudbaar geworden administratieve situatie een eind werd gemaakt . De overplaatsing waartoe de Commissie besloot, kan dan ook als een in het algemeen belang geboden maatregel worden beschouwd ." ( 9 )
66 . Bij lezing van het dossier valt het in het oog, dat er in Hecqs dienst een zeer gespannen atmosfeer heerste . Reeds in het eerste arrest-Hecq stelde het Hof een verslechtering van het werkklimaat in de sectie vast ( r.o . 17 en 18 ). Later, na zijn eerste overplaatsing, beklaagde Hecq zich erover dat hij met teveel gebouwen was belast, doch toen hem de verantwoordelijkheid over een van die gebouwen werd ontnomen, kwam hij tegen dat besluit op . Dit heeft de betrekkingen met zijn hiërarchieke meerderen zeker niet verbeterd . Nog later vestigde hij - blijkbaar terecht - de aandacht op een aantal zaken die niet klopten, of zelfs op onregelmatigheden, in dossiers die door zijn afdeling waren behandeld, hetgeen helaas nieuwe spanningen heeft moeten oproepen . Nadat hij met het opstellen van een technisch en financieel rapport betreffende het vrijetijdscentrum te Overijse was belast, heeft hij nooit de gevraagde analyse overgelegd .
67 . Beziet men deze evolutie, dan moet worden vastgesteld, dat de administratie geen beoordelingsfout heeft gemaakt, toen zij meende dat zowel het belang van de dienst als dat van Hecq diens vertrek uit de afdeling vergden waarvan hij tot dan toe deel had uitgemaakt ( zie de brief van 27.5.1988 tot afwijzing van verzoekers klacht ).
68 . Het is derhalve niet nodig de andere argumenten van de Commissie te onderzoeken .
3 . Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van de zorgplicht van de administratie tegenover haar personeel
69 . Evenals in het beroep in zaak C-116/88 is ook de in dit middel in zaak C-149/88 gestelde schending gebaseerd op de miskenning van Hecqs belangen bij de vaststelling van het bestreden besluit . Deze had in zijn dienst moeten kunnen blijven, ten einde te vermijden dat de maatregel als een verkapte tuchtrechtelijke sanctie zou worden uitgelegd .
70 . Op te merken valt echter, dat de directeur-generaal, toen hij het bestreden besluit nam, speciaal heeft benadrukt, dat het geen verkapte tuchtmaatregel vormde . Verzoeker kon dit tegenover eenieder herhalen .
71 . Het lijkt mij ook buitensporig te verlangen, dat de Commissie, enkel om te voorkomen dat de maatregel - die, zoals wij zagen, volkomen door het dienstbelang was gerechtvaardigd - ten onrechte als een verkapte sanctie zou worden geïnterpreteerd, hem achterwege had moeten laten!
72 . Voorts dient te worden beklemtoond, dat de Commissie wel degelijk rekening heeft willen houden met verzoekers belang om in de Brusselse regio te blijven wonen, en hem daarom een post in Zaventem heeft aangeboden . Volgens Hecq ging het evenwel niet om een "echte" keuze, omdat de voorgestelde post niet in overeenstemming zou zijn geweest met zijn specialisatie . Nu houdt het beleid van de Commissie om de mobiliteit van het personeel te bevorderen in, dat functiewijzigingen zoveel mogelijk worden aangemoedigd . Verzoeker erkent dit . Zijn argumenten ter zake zijn trouwens niet zeer coherent . Hij beroept zich op het mobiliteitsstreven en de functiewijzigingen die dit impliceert om kritiek uit te oefenen op het feit dat de post die men hem te Luxemburg had aangeboden, geen functiewijziging inhield en dat een dergelijke overplaatsing derhalve niet door dat beleid kon worden gerechtvaardigd; tegelijkertijd weigert hij echter om de hem geboden keuze als een reële keuze te aanvaarden, onder het voorwendsel dat een van de aangeboden posten juist ander werk inhield dan de werkzaamheden die hij tot dan toe had verricht .
73 . Daarbij komt nog dat Hecqs stelling geen steun vindt in de rechtspraak van het Hof, volgens welke
"het Statuut ... de ambtenaar ... geen enkel recht toekent op een bepaald ambt doch, integendeel, de bevoegdheid om ambtenaren in het belang van de dienst op de verschillende met hun rang overeenstemmende ambten tewerk te stellen aan het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gelaten ". ( 10 )
74 . Het Hof heeft ook eraan herinnerd, dat onder het voorbehoud dat de werkzaamheden overeenkomen met zijn rang en ambt,
"de ambtenaar, overeenkomstig de eisen van de dienst, elke tewerkstelling waar ook in de Gemeenschap heeft te aanvaarden, op iedere plaats waar zijn instelling haar arbeid verricht ". ( 11 )
75 . Verder staat vast, dat Hecq in de gelegenheid is gesteld de directeur-generaal zijn standpunt kenbaar te maken over de twee posten die men voor hem op het oog had .
76 . Derhalve dient ook dit middel te worden verworpen .
4 . Verkapte tuchtmaatregel
77 . Hecq beweert voorts, dat de bestreden maatregel niets anders is dan een verkapte tuchtmaatregel en bijgevolg in strijd is met artikel 86, lid 3, Ambtenarenstatuut en met het beginsel "non bis in idem ". Dit argument kan niet worden aanvaard . Wij zagen immers, dat de betrokken maatregel was gerechtvaardigd door het dienstbelang .
5 . Schending van het recht van vereniging en van het recht van vakvereniging
78 . Hecq was in mei 1987 tot lid van het uitvoerend comité van de Union syndicale te Brussel gekozen en betoogt, dat hij als gevolg van zijn overplaatsing naar Luxemburg zijn vakbondsmandaat niet langer naar behoren kan vervullen . Hij is daarom van mening, dat de Commissie artikel 24 bis Ambtenarenstatuut heeft geschonden, dat luidt als volgt :
"de ambtenaren hebben het recht van vereniging; zij kunnen met name lid zijn van vak - of beroepsorganisaties van Europese ambtenaren ".
79 . De omstandigheid dat Hecq na zijn overplaatsing naar Luxemburg door een andere beroepsorganisatie een nieuw mandaat werd toevertrouwd, toont voor zover nodig overduidelijk aan, dat de hem bij artikel 24 bis verleende rechten door zijn overplaatsing in geen enkel opzicht zijn beïnvloed . Het is overigens zeer twijfelachtig of een ambtenaar het recht heeft om te verlangen dat hij zijn vakbondsactiviteit in een door hemzelf bepaalde plaats van tewerkstelling kan uitoefenen .
80 . Hecq stelt ten slotte ook dat het besluit in strijd is met artikel 13 van de overeenkomst van 20 september 1974 betreffende de betrekkingen tussen de Commissie en de vakbonds - en beroepsorganisaties, dat bepaalt :
"Het lid zijn van een vakbonds - of beroepsorganisatie, het deelnemen aan activiteiten van de vakbonden of het vervullen van een functie in een vakbond mag op geen enkele wijze of uit welke hoofde dan ook nadelig zijn voor de beroepssituatie of het verloop van de loopbaan van de betrokkene ."
81 . Aangezien verzoeker niet het minste bewijs aanvoert voor zijn stelling dat tot zijn overplaatsing was besloten om reden van zijn vakbondsactiviteiten, kan dit argument worden verworpen zonder dat de stelling van de Commissie behoeft te worden onderzocht, volgens welke het Hof niet bevoegd is om de wettigheid van de handelingen van de Commissie aan die overeenkomst te toetsen .
Conclusie
82 . Op grond van al het voorafgaande geef ik het Hof in overweging, de onder de nummers C-116/88 en C-149/88 ingeschreven beroepen te verwerpen en overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering elk der partijen in de eigen kosten te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Arrest van 17.1.1989, zaak 293/87, Vainker, Jurispr . 1989, blz . 23, r.o . 7-9 .
( 2 ) De Commissie citeert hier de arresten van 11.7.1968, zaak 16/67, Labeyrie, Jurispr . 1968, blz . 411, en 12.7.1979, zaak 124/78, List, Jurispr . 1979, blz . 2510 .
( 3 ) Zie inzonderheid het arrest van 17.5.1984, zaak 338/82, Albertini en Montagnani, Jurispr . 1984, blz . 2145 .
( 4 ) De gewraakte nota van 22.4.1987 is in dit verband veelzeggend : de heer Petersen "hoopt" daarin op Hecqs terugkeer op 27.4.1987, terwijl Hecq eerst op 4.5.1987 is teruggekomen .
( 5 ) Zie bij analogie het arrest van 9.3.1978, zaak 54/77, Herpels, Jurispr . 1978, blz . 585, 602 .
( 6 ) Zie het arrest van 27.6.1973, zaak 35/72, Kley, Jurispr . 1973, blz . 679 .
( 7 ) Arrest-Kley, reeds aangehaald, alsmede de arresten van 1.5.1983, gevoegde zaken 36/81, 37/81 en 218/81, Seton, Jurispr . 1983, blz . 1789 en 29.10.1981, zaak 125/80, Arning, Jurispr . 1981, blz . 2553 .
( 8 ) Arrest van 10.7.1975, gevoegde zaken 4/74 en 30/74, Scuppa, Jurispr . 1975, blz . 919 .
( 9 ) Arrest van 14.6.1979, zaak 18/78, V ., Jurispr . 1979, blz . 2093 .
( 10 ) Arrest van 6.5.1969, zaak 21/68, Huybrechts, Jurispr . 1969, blz . 85 .
( 11 ) Arresten van 23.1.1986, zaak 173/84, Rasmussen, Jurispr . 1986, blz . 204 en 24.2.1981, gevoegde zaken 62/80 en 161/80, Carbognani en Coda Zabetta, Jurispr . 1981, blz . 543, 564 .
Top