Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 14 juni 1990. - G.C. NOIJ TEGEN STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOGE RAAD - NEDERLAND. - SOCIALE ZEKERHEID - VASTSTELLING VAN DE TOEPASSELIJKE WETGEVING. - ZAAK C-140/88.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-00387
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Noij is ten minste sinds 1979 in Nederland woonachtig en heeft 25 jaar als mijnwerker in België gewerkt . Op die grond geniet hij vanaf 1979 een Belgisch rustpensioen, terwijl hij destijds pas 52 jaar was . Daar in Nederland een stelsel van volksverzekeringen bestaat, waar alle in het Koninkrijk woonachtige personen onder vallen ook indien zij geen beroepswerkzaamheden verrichten, moest Noij sociale-zekerheidspremies betalen, bij de berekening waarvan ook zijn Belgisch rustpensioen in aanmerking werd genomen . Deze premies, die opliepen tot een bedrag van 23 % van dat pensioen, werden geheven op grond van de navolgende algemene regelingen : ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidsverzekering, weduwen - en wezenpensioen, kinderbijslag en verzekering bijzondere ziektekosten .
2 . Voor de nationale rechter stelde Noij, dat hij niet ingevolge de algemene ouderdomsverzekering verzekerd behoefde te zijn, aangezien hij reeds een Belgisch pensioen genoot; bij zijn overlijden heeft zijn weduwe recht op een pensioen gelijk aan 80 % van zijn eigen pensioen; hij heeft ten laste van de Belgische staat recht op alle voordelen die ook voortvloeien uit de Nederlandse Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; vóór de inwerkingtreding van een bijzondere regeling tussen Nederland en België had hij recht op kinderbijslag op grond van de Belgische wetgeving; een periodieke uitkering wegens invaliditeit of arbeidsongeschiktheid op grond van het desbetreffende Nederlandse stelsel is eveneens overbodig, aangezien hij ouderdomsrente geniet en die twee uitkeringen niet gecumuleerd kunnen worden . De enige reden voor het handhaven van de verzekering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet zou zijn, dat krachtens dit stelsel bepaalde uitkeringen kunnen worden toegekend voor het verbeteren van de leef - en werkomstandigheden, terwijl het overeenkomstige Belgische stelsel de voorwaarde stelt, dat men woonachtig is op het grondgebied van die Lid-Staat . Uit het door Noij ingenomen standpunt vloeit echter impliciet voort, dat hij meent, ook deze laatste uitkeringen niet nodig te hebben .
3 . Een Nederlands besluit van 7 juli 1982, terugwerkend tot 1 januari 1982, wijzigde de wetgeving aldus, dat voormalige mijnwerkers met een pensioen op grond van de Belgische wetgeving, voor zover zij geen beroepswerkzaamheden verrichten en geen uitkering op grond van het Nederlandse stelsel ontvangen, niet als verzekerd in de zin van de diverse bovengenoemde Nederlandse regelingen worden beschouwd .
4 . Dit besluit biedt evenwel geen soelaas voor de situatie van Noij voor het jaar 1979, noch voor personen met een Belgisch pensioen op een andere grond dan de hoedanigheid van oud-mijnwerker of met een vervroegd pensioen op grond van de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat .
5 . Ter terechtzitting heeft noch de Nederlandse regering noch de Commissie betwist, dat in dergelijke situaties de heffing van premies op grond van de verschillende Nederlandse wetten onbillijk is . Zij hebben erop gewezen, dat overleg gaande is binnen de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, met het doel een tekst op te stellen tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 ( 1 ), ten einde voortaan dergelijke situaties te vermijden .
6 . Intussen blijft het probleem van de door verzoeker in het hoofdgeding betaalde premies over 1979 bestaan . De oplossing hangt er met name van af, of de regels voor de vaststelling van de toe te passen wetgeving ( artikel 13 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 ) van toepassing blijven op voormalige grensarbeiders die in het land waar zij woonachtig zijn, geen nieuwe werkzaamheden meer uitoefenen . Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, zou Noij inderdaad uitsluitend onder de Belgische wettelijke regeling blijven vallen en zouden er van hem in Nederland geen sociale-zekerheidspremies kunnen worden verlangd . Een bepaalde uitlegging van 's Hofs arrest van 12 juni 1986 ( zaak 302/84, Ten Holder, Jurispr . 1986, blz . 1821 ) zou kunnen doen denken dat dit het geval is . In het dictum van dat arrest stelde het Hof immers vast :
"Artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat een werknemer die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een Lid-Staat beëindigt en niet gaat werken op het grondgebied van een andere Lid-Staat, onderworpen blijft aan de wetgeving van de Lid-Staat waar hij laatstelijk werkzaam was, ongeacht de tijd die sedert de beëindiging van die werkzaamheden en van het dienstverband is verstreken ."
7 . Tot de wijziging ervan in 1981 luidde genoemd artikel 13 als volgt :
"1 ) De werknemer op wie deze verordening van toepassing is, is slechts aan de wetgeving van een enkele Lid-Staat onderworpen . De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld .
a ) is op de werknemer die werkzaam is op het grondgebied van een Lid-Staat, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat ."
8 . Om in het hem voorgelegde geschil te kunnen beslissen, heeft de Hoge Raad der Nederlanden het Hof de navolgende vragen voorgelegd :
"1 ) Staan de van het Europese Gemeenschapsrecht deel uitmakende regels op het gebied van de sociale zekerheid, die er toe strekken het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap tot stand te brengen, in het bijzonder de regels betreffende de vaststelling van de toe te passen nationale wetgeving, vervat in titel II van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, eraan in de weg dat van degene die op het grondgebied van een Lid-Staat woont ( hierna : de woonstaat ) en sedert de beëindiging door hem van zijn op het grondgebied van een andere Lid-Staat in loondienst verrichte werkzaamheden krachtens de sociale wetgeving van die andere Lid-Staat ter zake van deze werkzaamheden een rustpensioen geniet, als verplicht verzekerde krachtens de sociale wetgeving van zijn woonstaat, mede naar de grondslag van dat rustpensioen, premie wordt geheven :
a ) indien hij na beëindiging van zijn op het grondgebied van die andere Lid-Staat verrichte werkzaamheden in het geheel niet meer heeft gewerkt?
b ) indien hij na die beëindiging gedurende enige tijd - in loondienst dan wel als zelfstandige - op het grondgebied van zijn woonstaat heeft gewerkt?
I - Vraag 1 a )
9 . Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dat eerder van de zaak kennis nam, oordeelde dat verordening nr . 1408/71 in het geheel niet op Noij van toepassing was, omdat deze geen werkzaamheden in loondienst meer verrichtte .
10 . Het Hof heeft evenwel, zoals de Spaanse regering terecht heeft opgemerkt, in zijn arrest van 22 mei 1980 ( zaak 143/79, Walsh, Jurispr . 1980, blz . 1639, r.o . 6 ) verklaard, dat
"verordening nr . 1408/71 blijkens sommige harer bepalingen van toepassing is op bepaalde categorieën van personen die op het tijdstip waarop het risico zich verwezenlijkt, arbeidsrechtelijk niet als 'loontrekkenden' zijn te beschouwen . Het zou in strijd zijn met de geest van deze bepalingen en met een van de belangrijkste doelstellingen van de verordening - namelijk de werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, de verworven rechten en voordelen te waarborgen - om, door een enge uitlegging van de omschrijving van het begrip 'werknemer' , van het toepassingsgebied van de verordening alle andere gevallen uit te sluiten, waarin, volgens de betrokken wetgeving, de verzekering het risico van de verzekerde blijft dekken, ook wanneer deze niet meer gehouden is bijdragen te betalen ."
11 . Uit het arrest van 31 mei 1979 ( zaak 182/78, Algemeen Ziekenfonds Drenthe-Platteland, Jurispr . 1979, blz . 1977, 1993, r.o . 4 ) komt eveneens naar voren, dat
"degenen die recht hebben op een pensioen of een rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van één of meer Lid-Staten, zelfs indien zij geen beroepswerkzaamheden verrichten, wegens hun aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid vallen onder de bepalingen van de verordening inzake 'werknemers' , tenzij voor hen bijzondere bepalingen gelden ."
12 . Het valt derhalve niet te ontkennen, dat verordening nr . 1408/71 als zodanig ook van toepassing is op personen die geen beroepsarbeid meer verrichten .
13 . De Nederlandse regering, de Spaanse regering en de Commissie delen deze zienswijze en erkennen ook, dat de regels van artikel 13, lid 2, inzake de vaststelling van de toe te passen wetgeving, van toepassing blijven voor personen die tijdelijk niet actief zijn, maar op een later moment het werk kunnen hervatten, zoals aanvragers van of gerechtigden tot uitkeringen wegens ziekte als bedoeld in de arresten van 12 januari 1983 ( zaak 150/82, Coppola, Jurispr . 1983, blz . 43, r.o . 11 ) en 12 juni 1986 ( zaak 302/84, Ten Holder, reeds aangehaald ).
14 . De Nederlandse regering en de Commissie wijzen evenwel op de bewoordingen van artikel 13, lid 2 . Die bepaling legt immers het beginsel vast, dat de "lex loci laboris" de overhand moet hebben op de wetgeving van het land waar de werknemer woonachtig is . Zij veronderstelt dus een actieve werknemer die zijn beroep uitoefent in een andere Lid-Staat dan die waaruit hij afkomstig is of die waarin hij woonachtig is . Het is dan ook uitgesloten dat die bepaling van toepassing kan zijn op personen die definitief elke beroepsactiviteit hebben beëindigd ( de "post-actieven ").
15 . De Nederlandse regering en de Commissie onderstrepen tevens de ongemakken die een tegengestelde uitlegging voor de gepensioneerden zelf zou meebrengen, en op de mogelijke financiële gevolgen voor die Lid-Staten waar een stelsel van volksverzekeringen bestaat .
16 . Wat de gepensioneerden zelf betreft, zou het zeker onbillijk zijn wanneer een "post-actieve" die op grond van de wettelijke regeling in het land waarin hij laatstelijk werkzaam was, slechts een ontoereikend vervroegd pensioen geniet, geen gebruik zou kunnen maken van de mogelijkheid nieuwe pensioenrechten in zijn woonstaat te verwerven, zelfs wanneer de wettelijke regeling van die staat daarvoor niet het verrichten van beroepswerkzaamheden als voorwaarde stelt, wanneer hij daarvoor geen premies behoeft te betalen of wanneer hij die premies meent te kunnen opbrengen .
17 . Indien men trouwens op personen die elke beroepsactiviteit hebben gestaakt, uitsluitend de wettelijke regeling van het land van laatste tewerkstelling van toepassing zou verklaren, zou dit kunnen leiden tot misbruiken ten koste van de Lid-Staten waar een door premies of belastingheffing gefinancierd stelsel van volksverzekeringen bestaat . Men zou dan namelijk tegen het einde van de loopbaan korte tijd in dat land kunnen gaan werken, vervolgens terugkeren naar het land van herkomst en iedere werkzaamheid beëindigen, en zo onbeperkt van het stelsel van het land van voormalige tewerkstelling profiteren, zonder aldaar premies of belastingen te betalen .
18 . Met die argumenten van de Nederlandse regering en van de Commissie ben ik het eens, maar ik zou in het bijzonder de volgende punten willen benadrukken .
19 . a ) Over het algemeen is een ieder onderworpen aan de wettelijke regeling van het land waar hij woonachtig is, hetwelk normaal gesproken ook het land is alwaar hij zijn beroep uitoefent . Artikel 13 van de verordening beoogt enkel conflicten tussen wettelijke regelingen op te lossen, die zich kunnen voordoen wanneer de woonplaats en de plaats van tewerkstelling zich niet in hetzelfde land bevinden, of in het geval van andere in dat artikel genoemde zeer bijzondere situaties . Vanaf het ogenblik dat één van de in artikel 13 bedoelde situaties definitief eindigt, en met name vanaf het ogenblik dat de belanghebbende elke beroepsactiviteit staakt, moet het beginsel dat de wettelijke regeling van het woonland van toepassing is, naar mijn mening zijn rechten hernemen . Indien die wettelijke regeling het vallen onder een bepaald stelsel afhankelijk stelt van het uitoefenen van een beroepsactiviteit, is er niets aan de hand zolang de betrokkene inactief blijft . Indien die wetgeving echter de verplichte verzekering voor het sociale-zekerheidsstelsel van alle ingezetenen kent, dus ook van de "post-actieven", valt een ieder automatisch daaronder .
20 . b ) Mijns inziens kan geen argument voor het tegendeel worden ontleend aan lid 1 van artikel 13, dat bepaalt dat "de werknemer op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van een enkele Lid-Staat ( is ) onderworpen ". Enerzijds kan deze zin slechts worden gelezen in samenhang met lid 2 van hetzelfde artikel, waarin de draagwijdte van dat beginsel wordt vastgelegd .
21 . Anderzijds heeft het Hof in zijn arresten Perenboom ( 2 ), Luijten ( 3 ) en Ten Holder ( r.o . 15 ), lid 1 van artikel 13 in die zin uitgelegd, dat dit beoogt te voorkomen, dat iemand
"voor een zelfde tijdvak onder de wettelijke verzekering van meer Lid-Staten valt ".
Iemand die ophoudt met werken in een ander land dan dat waarin hij woonachtig is, begint evenwel duidelijk een "nieuw tijdvak" en het probleem dat artikel 13 wil oplossen, is dan ook in zijn geval niet aan de orde .
22 . Ten slotte heeft het Hof zich in zijn recente arrest Kits van Heijningen ( 4 ) uitgedrukt als volgt :
"(...) vermeld zij, dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr . 1408/71 uitsluitend ten doel heeft ( 5 ), te bepalen welke nationale wetgeving van toepassing is op personen die arbeid in loondienst ( 5 ) verrichten op het grondgebied van een Lid-Staat . Dat artikel heeft niet als zodanig ten doel, de voorwaarden te bepalen voor het bestaan van het recht of de verplichting zich aan te sluiten bij een stelsel van sociale zekerheid of bij een onderdeel van zulk een stelsel . Zoals het Hof al menigmaal heeft verklaard, staat het aan de wetgeving van iedere Lid-Staat die voorwaarden vast te stellen ( zie met name het arrest van 23 september 1982, Koks, zaak 275/81, Jurispr . 1982, blz . 3013 )."
23 . Uit dat alles leid ik af, dat zodra zich geen van de in artikel 13 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 bedoelde situaties meer voordoet, die bepaling niet meer van toepassing is .
24 . Indien degene die tevoren in een andere Lid-Staat heeft gewerkt, woonachtig is of wordt op het grondgebied van een Lid-Staat waarvan de wetgeving inzake sociale zekerheid de verplichte verzekering van alle ingezetenen kent, ongeacht of zij beroepsarbeid verrichten, kan het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand de toepasselijkheid van die wetgeving niet beletten .
25 . Nu dat de draagwijdte van artikel 13 is, moet met de Nederlandse regering en de Commissie worden geconcludeerd, dat het Hof in het arrest Ten Holder enkel personen op het oog kan hebben gehad die hun activiteiten op het grondgebied van een andere Lid-Staat tijdelijk "staken", bij voorbeeld wegens ziekte, zwangerschap of werkloosheid .
26 . c ) Het feit dat in lid 1 van artikel 13 wordt gesproken van "de werknemer op wie deze verordening van toepassing is" ( of in de huidige versie van verordening nr . 1408/71 : "degenen op wie deze verordening van toepassing is "), stelt mijns inziens die uitlegging van dat artikel niet ter discussie .
Zeker is dat, wil een bepaling van verordening nr . 1408/71 voor iemand een rol spelen, deze moet behoren tot de categorie van personen waarop de verordening van toepassing is . Maar dit is geen voldoende voorwaarde : de betrokkene moet ook in de situatie verkeren waarop de desbetreffende bepaling doelt . Wat nu artikel 13, lid 2, sub a, betreft, is dat de situatie van een persoon die in een Lid-Staat woonachtig is terwijl hij in een andere Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent .
27 . d ) De uitlegging dat een pensioengerechtigde werknemer in beginsel aan de wettelijke regeling van zijn woonstaat onderworpen kan zijn, wordt bevestigd door een op 18 juli 1989, dus na het arrest Ten Holder, door de Raad aangebrachte wijziging in verordening nr . 1408/71 . Het gaat om het aan artikel 33 toegevoegde nieuwe tweede lid, dat luidt als volgt ( 6 ):
"Wanneer de pensioen - of rentetrekker in de in artikel 28 bis bedoelde gevallen krachtens de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, uit hoofde van zijn woonplaats aldaar, premies of soortgelijke inhoudingen verschuldigd is voor de dekking van de kosten van prestaties wegens ziekte of moederschap, zijn deze niet invorderbaar ."
28 . Deze bepaling betekent noodzakelijkerwijs, dat in de ogen van de Raad degene die recht heeft op een pensioen krachtens de wettelijke regeling van Lid-Staat A, in beginsel is onderworpen aan de wettelijke regeling van Lid-Staat B alwaar hij woonachtig is, wanneer deze regeling een volksverzekering is waaraan van rechtswege alle ingezetenen zijn onderworpen . Was dit namelijk niet het geval, dan zou het probleem van de premiebetaling in de woonstaat zich niet eens kunnen voordoen . Ik meen dan ook uit het nieuwe lid 2 van artikel 33 de conclusie te kunnen trekken, dat de gemeenschapswetgever zelf van oordeel is, dat het beginsel van artikel 13, dat degenen op wie de verordening van toepassing is, enkel aan de wettelijke regeling van de Lid-Staat waarin zij hun werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verrichten ook al zijn zij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woonachtig, niet meer van toepassing is vanaf het ogenblik dat zij definitief elke beroepsbezigheid staken .
29 . Samenvattend stel ik dan ook voor, in de eerste plaats vast te stellen, dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand er niet aan in de weg staat, dat een werknemer die zijn beroepsactiviteiten in het buitenland staakt en die in het land waar hij woonachtig is, geen nieuwe activiteit aanvangt, onderworpen wordt aan de wettelijke regeling van zijn land, wanneer deze op het beginsel van een verplichte verzekering voor alle ingezetenen berust, en wel onverminderd de pensioenrechten en, voor zover van toepassing, de voor hem uit de wettelijke regeling van het land van zijn laatste tewerkstelling voortvloeiende bijkomende verplichtingen ( bij voorbeeld inhouding van premies wegens ziektekostenverzekering ).
30 . Brengt dit beginsel evenwel noodzakelijk mee, dat de werknemer premies moet betalen krachtens de verschillende sociale-zekerheidswetten van zijn woonland, ook als hij meent voldoende gedekt te zijn door de door hem op grond van de wettelijke regeling van het land van zijn laatste tewerkstelling verkregen rechten?
31 . Dienaangaande deel ik allereerst de opvatting van de Commissie, dat Noij niet aan betaling van premies krachtens de Nederlandse wet op de bijzondere ziektekosten ( AWBZ ) kan worden onderworpen . Uit het verwijzingsarrest blijkt immers, dat verzoeker in het hoofdgeding ten laste van het Belgische bevoegd orgaan recht heeft op de voordelen die ook uit die wet voortvloeien . Zoals ook de Commissie opmerkt, kan men echter uit 's Hofs arrest van 28 maart 1985 ( zaak 275/83, Commissie/België, Jurispr . 1985, blz . 1097 ) ten aanzien van artikel 33 van verordening nr . 1408/71 opmaken, dat wanneer de verstrekkingen in het woonland ingevolge artikel 28 bis ten laste komen van het orgaan in een andere Lid-Staat, dit orgaan als enige bevoegd is tot inhouding van premies en dat in het woonland geen premies mogen worden ingehouden .
32 . Het in 1989 ingevoerde nieuwe lid 2 van artikel 33 legt enkel maar uitdrukkelijk dit beginsel vast, dat door het Hof reeds was afgeleid uit artikel 33 in de versie van verordening nr . 2864/72 van de Raad van 19 december 1972 ( PB 1972, L 306, blz . 1 ). Welnu, indien dit beginsel reeds uit de sinds 1972 bestaande versie van artikel 33 voortvloeide, was het derhalve van toepassing in 1979, het jaar waarin volgens Noij ten onrechte premie van hem is geheven .
33 . Blijft nog de vraag, hoe het met de door verzoeker te betalen premies krachtens de overige Nederlandse sociale-zekerheidswetten gesteld is .
34 . Moet men uit het feit dat bepalingen als die van artikel 33 op de andere terreinen ontbreken, opmaken dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand zich niet tegen heffing van dergelijke premies verzet? Of moet men uit de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag of uit verordening nr . 1408/71 een algemeen beginsel afleiden dat dit verbiedt?
35 . In die context zou men kunnen denken aan het menigmaal door het Hof, met name in het arrest De Rijke ( 7 ), bevestigde beginsel, dat
"het doel van de artikelen 48 tot en met 51 niet zou worden bereikt, indien werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer sociale-zekerheidsvoordelen zouden verliezen, die hun door de wettelijke regeling van een Lid-Staat worden toegekend ".
36 . Uit de desbetreffende rechtspraak vloeit evenwel naar mijn mening voort, dat deze regel slechts een rol speelt, wanneer de toepassing van een bepaling van verordening nr . 1408/71 zelf het bedoelde gevolg zou kunnen hebben . In casu echter blijven de voordelen die de Belgische wettelijke regeling aan Noij toekent, de jure in stand . Enkel doordat de wettelijke regeling van zijn woonland hem verplicht tot betaling van premies die, ten minste in theorie, hem nieuwe voordelen moeten opleveren, verliest hij de facto een gedeelte van zijn Belgisch pensioen .
37 . Maar ingeval een werknemer die met vervroegd pensioen is gegaan, meent krachtens de wetgeving van de Lid-Staat waar hij vroeger heeft gewerkt, recht te hebben op een toereikend pensioen en alle gewenste sociale waarborgen ( ziektekostenverzekering, kinderbijslag, eventueel weduwenpensioen ), en de premies die hij in het land waar hij woonachtig is moet betalen, voor hem een zeer zware belasting vormen, die niet in verhouding staat tot het voordeel dat het aanvullend pensioen waarop hij op 65-jarige leeftijd recht heeft, hem zou bieden, zou het onbillijk zijn hem tot betaling van die premies te verplichten . Er zijn dus goede redenen, verordening nr . 1408/71 te wijzigen en de mogelijkheid te openen dat voor die voormalig werknemer, op zijn verzoek, de sociale wetgeving van het land waar hij woont, buiten toepassing blijft .
38 . Bij de huidige stand van het recht kunnen wij echter de Hoge Raad niet antwoorden, dat het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de verplichte heffing van de premies voorzien door het sociale-zekerheidsstelsel van een land met een volksverzekeringssysteem, behalve, in voorkomend geval, van de premies voor de ziektekostenverzekering .
39 . Ik stel dan ook voor, vraag 1 a ) van de Hoge Raad te beantwoorden als volgt :
"In hun huidige stand verzetten de regels van het gemeenschapsrecht op het gebied van de sociale zekerheid zich er niet tegen, dat van een ingezetene van een Lid-Staat, die na het staken van de beroepsarbeid die hij als werknemer op het grondgebied van een andere Lid-Staat verrichtte, en die vervolgens een rustpensioen op grond van de wettelijke regeling van die andere Lid-Staat geniet, premies voor de verplichte verzekering worden geheven, mede naar de grondslag van dat rustpensioen, uit hoofde van het sociale-zekerheidsstelsel van zijn woonland, indien hij na het staken van de werkzaamheden die hij op het grondgebied van de andere Lid-Staat verrichtte, geen enkele werkzaamheid meer heeft verricht . Deze heffing moet evenwel plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van titel III van verordening nr . 1408/71 betreffende pensioen - en rentetrekkers ."
II - Vraag 1 b ) en vraag 2
40 . Door dat antwoord op vraag 1 a ) geraken de vragen 1 b ) en 2 mijns inziens zonder voorwerp . Laat ik evenwel toch de vraag bezien, of een rechthebbende op een "buitenlands" pensioen, die een nieuwe beroepsactiviteit is begonnen in het land waar hij woonachtig is, de premies overeenkomstig de sociale wetgeving van dat land moet betalen .
41 . Ik merk nogmaals op, dat zodra iemand werkt in het land waar hij woont, hij aan de wetgeving van dat land is onderworpen . Daarvoor behoeft men, dunkt mij, niet naar de toepasselijkheidsregel van artikel 13 te verwijzen : het spreekt vanzelf . Zo iemand moet dan ook tevens alle in die wettelijke regeling voorziene premies betalen .
42 . Dit is alleen anders indien artikel 14 quinquies, lid 3, van verordening nr . 1408/71 van toepassing is, dat luidt als volgt :
"Indien de wetgeving van een Lid-Staat bepaalt dat een pensioen - of rentetrekker, ook al verricht hij beroepswerkzaamheden, niet verplicht verzekerd is uit hoofde van deze werkzaamheden, dan is deze bepaling eveneens van toepassing op de pensioen - of rentetrekker, die zijn pensioen of rente heeft verworven op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat, tenzij de betrokkene (...) uitdrukkelijk verzoekt tot de verplichte verzekering te worden toegelaten ."
43 . In de landen waar de verplichte verzekering niet afhangt van het verrichten van beroepswerkzaamheden, is deze bepaling uiteraard niet van toepassing, maar in het geval dat rechthebbenden op een nationaal pensioen van verplichte verzekering zijn vrijgesteld, zouden rechthebbenden op een buitenlands pensioen op dezelfde wijze moeten worden behandeld .
44 . Wat gebeurt er nu op het ogenblik dat zo iemand definitief met werken ophoudt? Mijns inziens blijft hij onderworpen aan de wetgeving van het land waar hij woonachtig is, onder dezelfde voorwaarden als de andere "post-actieven" die aldaar woonachtig zijn .
45 . Het probleem waarvoor wij ons bij de eerste vraag gesteld zagen op het punt van de ziektekostenpremies, lijkt mij zich hier niet te hoeven voordoen, aangezien de aansluiting bij het stelsel van het land van de laatste beroepsactiviteit inmiddels in de plaats zal zijn gekomen van de aansluiting bij het stelsel van de het pensioen uitkerende staat . In elk geval doet het dienaangaande voorgestelde antwoord op vraag 1 a ) aan beide hypothesen recht .
46 . Wat het in de tweede vraag aangeroerde probleem betreft, hoeft enkel te worden herinnerd aan het reeds aangehaalde arrest in de zaak Kits van Heijningen, waarin het Hof vaststelde :
"De bewoordingen van artikel 1, sub a, of artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1408/71 staan niet toe dat bepaalde categorieën van personen buiten het toepassingsgebied van de verordening vallen op grond van de tijd die zij in de uitoefening van hun beroepsactiviteit steken . Iemand die voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 1, sub a, juncto 2, lid 1, van verordening nr . 1408/71, moet dan ook geacht worden binnen het toepassingsgebied van die verordening te vallen, ongeacht de tijd die hij aan uitoefening van zijn beroepsactiviteit besteedt" ( r.o . 10 ).
47 . Ik geef dan ook in overweging, de vragen 1 b ) en 2 te beantwoorden als volgt :
"Hetzelfde geldt indien de betrokkene na beëindiging van zijn werkzaamheden op het grondgebied van de Lid-Staat die het rustpensioen is verschuldigd, gedurende enige tijd op het grondgebied van zijn woonstaat heeft gewerkt, al dan niet in loondienst, ook indien dit werk slechts ondergeschikte betekenis heeft ."
Conclusie
48 . Ik stel derhalve voor, de vragen van de Hoge Raad te beantwoorden als volgt :
"1 ) In hun huidige stand verzetten de regels van het gemeenschapsrecht op het gebied van de sociale zekerheid zich er niet tegen, dat van een ingezetene van een Lid-Staat, die na het staken van de beroepsarbeid die hij als werknemer op het grondgebied van een andere Lid-Staat verrichtte, en die vervolgens een rustpensioen op grond van de wettelijke regeling van die andere Lid-Staat geniet, premies voor de verplichte verzekering worden geheven, mede naar de grondslag van dat rustpensioen, uit hoofde van het sociale-zekerheidsstelsel van zijn woonland, indien hij na het staken van de werkzaamheden die hij op het grondgebied van de andere Lid-Staat verrichtte, geen enkele werkzaamheid meer heeft verricht . Deze heffing moet evenwel plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van titel III van verordening nr . 1408/71 betreffende pensioen - en rentetrekkers .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( PB 1971, L 149, blz . 2 ), nieuwe versie in verordening ( EEG ) nr . 2001/83 ( PB 1983, L 230, blz . 6 ), en laatstelijk gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 2332/89 ( PB 1989, L 224, blz . 1 ).
( 2 ) Arrest van 5 mei 1977, zaak 102/76, Jurispr . 1977, blz . 815, r.o . 11 .
( 3 ) Arrest van 10 juli 1986, zaak 60/85, Jurispr . 1986, blz . 2365, 2373, r.o . 15 .
( 4 ) Arrest van 3 mei 1990, zaak C-2/89, Jurispr . 1990, blz . I-1755 .
( 5 ) Cursivering van mij .
( 6 ) Verordening ( EEG ) nr . 2332/89 van de Raad van 18 juli 1989 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 ( PB 1989, L 224, blz . 1 ).
( 7 ) Arrest van 24 september 1987 ( zaak 43/86, Jurispr . 1987, blz . 3611, 3529, r.o . 14 ).
Top