Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 21 maart 1991. - NMB (DEUTSCHLAND) GMBH EN NMB ITALIA SRL EN NMB (UK) LTD TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - ANTI-DUMPINGRECHTEN - TERUGBETALING - KOGELLAGERS. - ZAAK C-188/88.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-01689
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleiding
Verzoeksters komen op tegen de beschikkingen van de Commissie 88/327/EEG, 88/328/EEG en 88/329/EEG van 22 april 1988, waarbij hun verzoeken om terugbetaling van anti-dumpingrechten, die zijn betaald bij de invoer in 1985 en 1986 van kogellagers van oorsprong uit Singapore, gedeeltelijk zijn verworpen (PB 1988, L 148, blz. 26, 28 en 30).
Het beroep bestaat uit twee onderdelen. Primair betwisten verzoeksters de wettigheid van bovengenoemde beschikkingen op grond dat deze zijn gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de relevante bepalingen van de basisverordening [verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap; PB 1984, L 201, blz. 1]. Subsidiair, voor het geval dat het Hof van mening mocht zijn, dat de Commissie deze bepalingen correct heeft toegepast, beroepen verzoeksters zich op onwettigheid van deze bepalingen op de grondslag van artikel 184 EEG-Verdrag.
Wettelijke voorschriften
Een grondbeginsel van de anti-dumpingwetgeving is, dat het geïnde recht niet meer mag bedragen dan de marge van dumping.
Krachtens artikel 8, lid 3, van de anti-dumpingcode "(bedraagt) het anti-dumpingrecht (...) niet meer dan de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde marge van dumping".
Het lijkt niet overbodig dit elementaire beginsel in herinnering te brengen. In casu namelijk staat juist de toepassing van dit beginsel, wanneer het anders dan oppervlakkig wordt gelezen, ter discussie.
Het uit bovenstaande regel af te leiden begrip anti-dumpingrecht, dat als zuiver "compensatoir" zou kunnen worden gekwalificeerd, impliceert de dwingende verplichting om elk bedrag dat de marge van dumping te boven gaat, terug te betalen. De betrokken bepaling luidt immers verder: "Indien derhalve na toepassing van het recht blijkt dat het aldus geheven recht meer bedraagt dan de werkelijke marge van dumping, moet het gedeelte van het recht dat deze marge te boven gaat zo spoedig mogelijk worden terugbetaald."
In overeenstemming met de voorschriften van het GATT, bepaalt artikel 16, lid 1, van verordening nr. 2176/84 het volgende:
"Wanneer een importeur kan aantonen dat het geïnde recht meer bedraagt dan de werkelijke marge van dumping (...), wordt het verschil terugbetaald."
Zoals bekend, wordt ten aanzien van een produkt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt (artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2176/84). De "marge van dumping" is het bedrag waarmee de normale waarde de prijs bij uitvoer overschrijdt (artikel 2, lid 13, sub a, van verordening nr. 2176/84).
De prijzen bij uitvoer en bijgevolg de marge van dumping worden anders berekend al naar gelang de importeur in de Gemeenschap volkomen onafhankelijk is van de exporteur dan wel met deze laatste is geassocieerd, zoals het geval is met verzoeksters.
Indien namelijk de importeur niet onafhankelijk is ten opzichte van de exporteur, wordt de prijs waartegen de importeur het goed koopt, niet beschouwd als een voldoende betrouwbaar gegeven voor de vaststelling van de "prijs bij uitvoer" in het kader van een onderzoek naar eventuele dumping. In deze gevallen, zo heeft de Commissie verklaard, kan de exporteur de goederen tegen een kunstmatig opgedreven prijs verkopen en de importeur ertoe aansporen met verlies op de binnenlandse markt af te zetten. Uiteindelijk staat de band tussen exporteur en importeur eraan in de weg om de prijs van de tussen hen gesloten transactie als grondslag te nemen. De prijs bij uitvoer moet dus worden "samengesteld" op basis van de aan de eerste onafhankelijke koper berekende wederverkoopprijs. Vanzelfsprekend moet voor de vaststelling van deze "samengestelde" uitvoerprijs de wederverkoopprijs worden verminderd met een aantal tussen de invoer en de wederverkoop ontstane factoren (kosten, diverse lasten en winsten).
In de anti-dumpingcode (artikel 2, lid 5) wordt bepaald dat, indien er een associatie bestaat tussen de exporteur en de importeur, "de uitvoerprijs kan worden samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde produkten voor het eerst worden wederverkocht aan een onafhankelijke koper". Artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr. 2176/84 is in dezelfde bewoordingen gesteld.
Ten aanzien van de wijze waarop de uitvoerprijs in deze gevallen wordt "samengesteld", bepaalt de anti-dumpingcode (artikel 2, lid 6) dat "eveneens rekening behoort te worden gehouden met de tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen en winsten".
In dat opzicht is verordening nr. 2176/84 analytischer. Inzonderheid moeten op grond hiervan onder de correcties die voor de berekening van de uitvoerprijs moeten worden toegepast op de wederverkoopprijs, anti-dumpingrechten worden begrepen. In artikel 2, lid 8, sub b, wordt niet alleen bepaald dat rekening moet worden gehouden met "alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, alsmede (met) een redelijke winstmarge", maar ook:
"Deze correcties omvatten met name:
(...)
ii) douanerechten, anti-dumpingrechten en andere belastingen die in het invoerende land moeten worden betaald in verband met de invoer of de verkoop van de goederen."
De Commissie heeft er in dupliek evenwel terecht op gewezen, dat de samengestelde uitvoerprijs voor drie verschillende doeleinden kan worden vastgesteld:
a) vaststelling van anti-dumpingrechten;
b) nieuw onderzoek van anti-dumpingrechten;
c) berekening van de aan een geassocieerde importeur terug te betalen rechten.
Ter verduidelijking diene dat er in het sub a bedoelde geval, waarin (nog) geen anti-dumpingrechten zijn ingesteld, uiteraard geen anti-dumpingrecht in mindering kan worden gebracht op de aan de eerste onafhankelijke koper berekende wederverkoopprijs. Met betrekking tot het sub b bedoelde geval, staat vast dat de uitvoerprijs moet worden samengesteld door aftrek van het bedrag van de betaalde anti-dumpingrechten.
Ten aanzien van het sub c bedoelde geval - dat het voorwerp van het onderhavige geschil vormt - is de Commissie van mening, dat het in bovengenoemd voorschrift neergelegde beginsel van aftrek van anti-dumpingrechten eveneens van toepassing is op de terugbetaling van betaalde rechten. In mededeling 86/C/266/02 van 15 oktober 1986 (PB 1986, C 266, blz. 2; hierna: "mededeling van 1986"), heeft de Commissie de volgende leidraad voor haar handelwijze neergelegd (titel II, punt 2, sub c):
"Wanneer de prijs bij uitvoer is samengesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 zal de eventuele betaling van anti-dumpingrechten voor het in het vrije verkeer brengen van het betrokken produkt in de Gemeenschap worden beschouwd als factor van de kosten die zijn ontstaan tussen de invoer en de wederverkoop.
Bijgevolg zal terugbetaling, geheel of gedeeltelijk, van anti-dumpingrechten, betaald over zendingen die werden ingevoerd door een importeur die geassocieerd is met de betrokken exporteur, als alle andere factoren gelijk blijven alleen onder de volgende omstandigheden worden toegestaan:
- wanneer de produkten in kwestie vóór betaling van rechten werden wederverkocht aan de eerste onafhankelijke koper, zal toestemming worden verleend tot terugbetaling aan de onderneming die de rechten heeft betaald indien de prijs bij wederverkoop is verhoogd met het bedrag van de dumpingmarge of een gedeelte daarvan;
- wanneer de produkten in kwestie werden wederverkocht aan de eerste onafhankelijke koper na betaling van rechten, zal toestemming worden verleend tot terugbetaling indien de prijs voor wederverkoop is verhoogd met het bedrag van de dumpingmarge en het bedrag van het betaalde anti-dumpingrecht. In dat geval mag de aanvrager het tenslotte terugbetaalde bedrag aan de koper doorgeven."
Het staat vast dat de "correcties" bedoeld in artikel 2, lid 8, sub b, tot stand komen door het betrokken bedrag af te trekken van de wederverkoopprijs.
De feiten
Verzoeksters, NMB Italië, NMB Duitsland en NMB Verenigd Koninkrijk, importeren en distribueren in de Gemeenschap hoge-precisiekogellagers die worden geleverd door een andere geassocieerde vennootschap van de groep, NMB Singapore. De drie Europese vennootschappen, evenals NMB Singapore, worden voor 100 % gecontroleerd door het Japanse moederbedrijf. Het is dus duidelijk dat verzoeksters niet moeten worden beschouwd als onafhankelijke importeurs, maar als importeurs die door een associatie-overeenkomst met de exporteur zijn verbonden (hierna: "geassocieerde importeurs") in de zin van artikel 2, lid 5, van de anti-dumpingcode van het GATT en artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr. 2176/84.
In 1984 stelde de Gemeenschap anti-dumpingrechten in op de invoer van kogellagers door verzoeksters. Bij verordening (EEG) nr. 744/84 van de Commissie van 19 maart 1984 (PB 1984, L 79, blz. 8), werden voorlopige rechten en bij verordening (EEG) nr. 2089/84 van de Raad van 19 juli 1984 (PB 1984, L 193, blz. 1), definitieve rechten ingesteld. Deze rechten werden betaald vanaf maart 1984. In de onmiddellijk daaropvolgende maanden begonnen verzoeksters verzoeken om terugbetaling in te dienen. De verzoeken met betrekking tot de invoer in 1984 werden ingetrokken. De verzoeken betreffende de invoer in 1985 en 1986 werden daarentegen gehandhaafd en ten aanzien van deze verzoeken heeft de Commissie de drie bestreden beschikkingen gegeven.
Het staat vast dat na de instelling van de anti-dumpingrechten, de marge van dumping op de betrokken importen aanzienlijk daalde. Deze verkleining was zowel het gevolg van een verhoging van de door verzoeksters gehanteerde verkoopprijzen in de Gemeenschap als van een verlaging van de normale waarde en een vermindering van de kosten voor het in de handel brengen in de Gemeenschap.
Deze wijzigingen zijn geen voorwerp van geschil. Dat de Commissie de door verzoeksters ingediende verzoeken om terugbetaling niet geheel heeft ingewilligd, komt dus niet doordat zij deze factoren afwijkend heeft beoordeeld, maar hoofdzakelijk door de wijze waarop de Commissie de betaalde anti-dumpingrechten in aanmerking heeft genomen voor de vaststelling van de samengestelde uitvoerprijs en ter bepaling van het recht op terugbetaling.
De ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid
Alvorens de kern van het geschil te behandelen, moeten eerst enkele preliminaire vragen worden opgelost.
Zoals gezegd, bestaat het beroep uit twee verschillende onderdelen.
Verzoeksters betogen primair dat de bestreden beschikkingen onwettig zijn op grond dat zij zijn gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de basisverordening.
Subsidiair, voor het geval het Hof mocht oordelen dat de Commissie ingevolge die verordening de betaalde anti-dumpingrechten moet behandelen als kosten die voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs in mindering moeten worden gebracht, werpen verzoeksters op de grondslag van artikel 184 EEG-Verdrag een exceptie van onwettigheid op tegen de verordening.
Tegen deze subsidiaire vordering werpt de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid op die is gebaseerd op drie middelen: de bepalingen van de verordening die verzoeksters willen aanvechten, zijn niet naar behoren gespecificeerd; het verzoekschrift bevat geen vordering dienaangaande; op basis van artikel 184 kan de niet-toepasselijkheid van een verordening worden ingeroepen, maar niet de wettigheid ervan worden bestreden.
Ten aanzien van het eerste middel volstaat het erop te wijzen, dat de discussie in casu handelt over de wettigheid van de in artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening bedoelde aftrek van rechten als zijnde kosten. Zowel verzoeksters als de Commissie hebben steeds op eenduidige wijze enkel naar deze bepaling verwezen. Er bestaat derhalve niet de geringste twijfel over de vraag, welke bepaling in geding is.
Wat het tweede middel betreft, vermelden de conclusies van het verzoekschrift niet uitdrukkelijk de op artikel 184 gebaseerde exceptie van onwettigheid, en wordt het Hof enkel gevraagd de bestreden beschikkingen "nietig te verklaren" (en de Commissie uiteraard te verwijzen in de kosten).
Uit de stukken van het dossier blijkt echter ontegenzeglijk, dat verzoeksters subsidiair een exceptie van onwettigheid ten aanzien van artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening hebben opgeworpen. Bovendien verklaren zij in het verzoekschrift uitdrukkelijk, dat de vordering de bepalingen van de basisverordening "nietig te verklaren", is geformuleerd "overeenkomstig artikel 184 EEG-Verdrag". Het lijdt derhalve geen twijfel, dat de exceptie van onwettigheid wel degelijk en op regelmatige wijze in de procedure is opgeworpen.
Het feit dat de conclusies van het beroep geen specifieke vordering van die strekking behelzen, leidt mijns inziens niet tot niet-ontvankelijkheid van de exceptie zelf, wil men niet vervallen in een formalisme dat elke rationele rechtvaardiging ontbeert. Het petitum van de in het inleidend verzoekschrift geformuleerde conclusies (nietigverklaring van de litigieuze beschikkingen) is immers volledig coherent, zowel met de primaire vordering van verzoeksters als met de subsidiaire vordering strekkende tot incidentele vaststelling van de onwettigheid. Of het Hof nu de primaire vordering toewijst of de subsidiaire vordering, doordat het de exceptie van onwettigheid gegrond verklaart, het resultaat zal hoe dan ook zijn dat de door de Commissie krachtens artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening gegeven beschikkingen worden nietigverklaard, hetgeen precies in overeenstemming is met het petitum van de conclusies van het beroep.
Het derde middel van niet-ontvankelijkheid is mijns inziens klaarblijkelijk ongegrond, omdat duidelijk is dat verzoeksters enkel een zuiver incidentele vaststelling van de onwettigheid van genoemde bepaling van de basisverordening van het Hof hebben gevorderd; een dergelijke vordering past uitstekend binnen het kader van artikel 184 EEG-Verdrag.
Andere ontvankelijkheidskwesties
De Commissie is voorts van mening, dat enkele middelen van het beroep niet-ontvankelijk zijn, omdat zij buiten de werkingssfeer van artikel 173 vallen. Het gaat hier om de middelen betreffende de schending van de verplichtingen uit hoofde van het GATT, de buitengewoon lange duur van de terugbetalingsprocedures, het verschil tussen de handelwijze van de Commissie en die van de handelspartners van de Gemeenschap en de onwettigheid van de "handelspolitiek" van de Commissie. In dupliek wijst de Commissie er nogmaals op, dat verzoeksters niet hebben aangegeven op welke rechtsgrondslag deze grieven zijn gestoeld en dat het Hof deze derhalve niet dient te onderzoeken.
Mijns inziens moeten echter de middelen waarvan de Commissie de ontvankelijkheid betwist, niet zozeer als autonome middelen van beroep worden gekwalificeerd, maar als argumenten ter ondersteuning van andere in het beroepschrift geformuleerde grieven, met name die inzake de onjuiste uitlegging van de basisverordening. Zo wordt de buitengewoon lange duur van de terugbetalingsprocedures aangevoerd als een factor die het in wezen weinig bevredigende karakter van het stelsel verergert; hiermee wordt de nadruk gelegd op het gebrek aan evenredigheid; het verschil met de handelwijze van de handelspartners van de Gemeenschap wordt aangevoerd als zijnde een element waarmee rekening moet worden gehouden voor de uitlegging van de gemeenschapswetgeving, ten betoge dat het door de Commissie aanvaarde stelsel in wezen niet noodzakelijk en onvermijdelijk is en op een onjuiste uitlegging van de basisregels berust; de stelling dat het stelsel van de Commissie van een onwettige handelspolitiek getuigt omdat het exporteurs ervan lijkt te weerhouden hun prijzen spontaan te verhogen, is nog een argument ten betoge dat de uitlegging waarop de Commissie zich baseert, volkomen irrationeel is, omdat zij resultaten oplevert die strijdig zijn met de doelstellingen van de maatregelen ter bescherming van de handel.
Daarentegen ligt het minder voor de hand, hoe de opmerkingen betreffende de schending van de voorschriften van het GATT moeten worden gekwalificeerd: het is volkomen onduidelijk, of verzoeksters een uitlegging van de communautaire voorschriften met inachtneming van de bepalingen van de anti-dumpingcode bepleiten, dan wel van mening zijn - zoals lijkt voort te vloeien uit de repliek -, dat strijd met de anti-dumpingcode per se leidt tot onwettigheid van de communautaire voorschriften en dus kan worden ingeroepen in het kader van de op artikel 184 gebaseerde exceptie. Gelet op de verklaringen ter terechtzitting ben ik geneigd, de eerste lezing juist te achten. Het komt mij immers voor, dat verzoeksters zich op de voorschriften van het GATT beroepen ten betoge dat de door de Commissie voorgestane zuiver letterlijke uitlegging van de basisverordening onjuist is omdat zij resultaten oplevert die onverenigbaar zijn met de anti-dumpingcode, terwijl de in het verzoekschrift bepleite afwijkende uitlegging volkomen coherent lijkt te zijn met de internationale verplichtingen van de Gemeenschap. Ook zo men de gestelde schending van de voorschriften van het GATT mocht beschouwen als een autonoom middel ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid, gaat het hier hoe dan ook om een middel dat past in het kader van artikel 173 en dat ten gronde moet worden onderzocht.
Gelet op deze kwalificatie van de hiervoor genoemde middelen van beroep komt het mij voor, dat de door de Commissie opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid moeten worden verworpen.
Ten gronde
In casu is de vraag aan de orde, of in het kader van een terugbetalingsprocedure de door een geassocieerde importeur betaalde anti-dumpingrechten al dan niet kunnen worden beschouwd als kosten, die derhalve voor de vaststelling van de samengestelde uitvoerprijs in mindering worden gebracht op de wederverkoopprijs. Volgens verzoeksters leidt het criterium van aftrek van anti-dumpingrechten, althans onder bepaalde omstandigheden, ertoe dat een marge van dumping wordt vastgesteld (en terugbetaling derhalve wordt geweigerd), terwijl deze marge in werkelijkheid niet meer bestaat. Het aldus toegepaste stelsel zou dus in strijd zijn met de fundamentele beginselen van de anti-dumpingregeling en zou voor de geassocieerde importeurs onevenredige en discriminatoire lasten meebrengen.
Daar dit criterium is neergelegd in artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening, moet eerst worden stilgestaan bij de uitlegging van dit voorschrift (I). In dit verband zal ook worden onderzocht of de door verzoeksters opgeworpen exceptie van onwettigheid gegrond is.
Ik wil er echter al aanstonds de aandacht op vestigen, dat de discussie over de procedure het brandpunt van het geschil lijkt te hebben verplaatst naar een problematiek die verder gaat dan het criterium ter bepaling van de samengestelde uitvoerprijs en van de marge van dumping. Gelet op de gegevens van de zaak en in het bijzonder op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, luidt de werkelijke vraag mijns inziens, of de geassocieerde importeur de financiële last van de betaling van het recht op zich kan nemen tot aan het moment waarop dit aan hem wordt terugbetaald, of dat deze last altijd voor rekening van de koper van de geassocieerde importeur moet komen. Dat de last van het recht op de onafhankelijke koper moet drukken, lijkt een autonome, aanvullende voorwaarde te vormen voor de uitoefening van het recht op terugbetaling. Deze vraag zal in het tweede deel van deze conclusie worden onderzocht (II).
Ten slotte zal kort worden stilgestaan bij de overige grieven die tegen de bestreden beschikkingen zijn aangevoerd (III).
I - De uitlegging van de basisverordening
a) De stellingen van partijen
Volgens verzoeksters stelt artikel 16 van verordening nr. 2176/84 het recht op terugbetaling van het anti-dumpingrecht, in overeenstemming met de anti-dumpingcode, afhankelijk van één voorwaarde: het bewijs dat het bedrag van het betaalde recht de "werkelijke marge van dumping" overschrijdt.
In de tweede plaats stellen zij, dat wanneer een geassocieerde importeur de wederverkoopprijs in de Gemeenschap heeft verhoogd met het bedrag van de eerder vastgestelde dumpingmarge, een dergelijke verhoging noodzakelijk en voldoende is om een einde te maken aan de dumping en bijgevolg om de grondslag te vormen voor het recht op terugbetaling van de betaalde rechten. In geval van een wederverkoopprijs die is verhoogd met een keer het bedrag van de dumpingmarge, zou, als alle andere belangrijke factoren (normale waarde en distributiekosten van importeur) gelijk blijven, de samengestelde uitvoerprijs gelijk zijn aan de normale waarde: de dumping zou dus zijn opgeheven.
Dit resultaat wordt echter bereikt op voorwaarde dat de betaalde rechten niet worden beschouwd als tussen de invoer en de wederverkoop gedragen kosten en deze rechten derhalve bij de berekening van de samengestelde uitvoerprijs niet in mindering worden gebracht. Volgens verzoeksters moet derhalve aan de in artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr. 2176/84 bedoelde regel een minder grote draagwijdte worden toegekend dan voortvloeit uit de letter ervan. Men zou dus moeten erkennen, dat de aftrek van de betaalde rechten voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs alleen is voorzien voor de procedures inzake nieuw onderzoek en niet voor de terugbetalingsprocedures.(1) Een andere oplossing zou tot het onlogische, en overigens onwettige, resultaat leiden, dat een volkomen kunstmatige marge van dumping wordt vastgesteld, en zou aanleiding geven tot een absoluut onevenredige en discriminatoire vermogensrechtelijke schade.
De Commissie van haar kant betwist niet, dat er recht op terugbetaling bestaat wanneer de dumping is opgeheven. Zij stelt echter, dat in het geval van geassocieerde importeurs de door artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening voorgeschreven regel van de berekening van de samengestelde uitvoerprijs naar de letter moet worden toegepast, om vast te stellen of er voor bepaalde invoer nog een marge van dumping bestaat. Krachtens deze regel zou in het algemeen, en dus ook voor de terugbetalingsprocedures, de samengestelde uitvoerprijs moeten worden bepaald door het bedrag van de betaalde rechten in mindering te brengen op de door de importeur aan de eerste onafhankelijke koper berekende wederverkoopprijs. Op basis van deze uitlegging van artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening zou de Commissie de hiervoor aangehaalde mededeling van 1986 hebben vastgesteld, waarin juist met betrekking tot door een geassocieerde importeur ingestelde terugbetalingsprocedures wordt verklaard, dat "de eventuele betaling van anti-dumpingrechten voor het in het vrije verkeer brengen van het betrokken produkt in de Gemeenschap zal worden beschouwd als factor van de kosten die zijn ontstaan tussen de invoer en de wederverkoop". Dezelfde letterlijke uitlegging vormt een van de belangrijkste punten in de motivering van de litigieuze beschikkingen.(2)
Indien de samengestelde uitvoerprijs echter wordt berekend door de betaalde rechten eveneens in mindering te brengen op de wederverkoopprijs, volgt hieruit noodzakelijkerwijze dat de geassocieerde importeur, die de rechten heeft moeten betalen, de wederverkoopprijzen met twee keer en niet met slechts een keer de dumpingmarge zal moeten verhogen, wil hij een einde maken aan de dumping en teruggave verkrijgen.
b) Een "single jump" of een "double jump"?
Het is dus duidelijk welke verschillen zich voordoen naar gelang het ene of het andere berekeningscriterium voor de bepaling van de samengestelde uitvoerprijs wordt toegepast.
Volgens de stelling van verzoeksters maakt een verhoging van de wederverkoopprijs met een keer de marge van dumping een einde aan de dumping en doet zij bijgevolg het recht op terugbetaling van de betaalde rechten ontstaan. Derhalve zou slechts een single jump - om een doeltreffende uitdrukking van verzoeksters te gebruiken - zijn vereist.
Volgens de Commissie daarentegen is een verhoging met twee keer de marge van dumping - een double jump - noodzakelijk om een einde te maken aan de dumping en het recht op terugbetaling te doen ontstaan.(3)
Het is ook duidelijk dat de twee situaties volkomen alternatief zijn. Bij een bepaalde verhoging van de wederverkoopprijs aan de eerste onafhankelijke koper blijven alle andere belangrijke factoren gelijk, of er nu sprake is van dumping of niet.
De vraag is dus welke prijsverhoging noodzakelijk en voldoende is om een einde aan de dumping te maken. Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt, dat artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening, waarin wordt bepaald dat de door de importeur betaalde anti-dumpingrechten als kosten worden behandeld en dus voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs in mindering worden gebracht, de toepassing van dit berekeningsvoorschrift niet uitsluitend beperkt tot een bepaald geval. De letter van het voorschrift lijkt dus de uitlegging van de Commissie te bevestigen, volgens welke de rechten in mindering zouden moeten worden gebracht op de wederverkoopprijs, ongeacht de procedure (procedure inzake nieuw onderzoek of terugbetalingsprocedure) in het kader waarvan de samengestelde uitvoerprijs moet worden bepaald.
Hierbij moet echter worden opgemerkt dat, terwijl in de procedures inzake nieuw onderzoek de toepassing van het criterium van aftrek van anti-dumpingrechten volkomen gerechtvaardigd lijkt en overigens door verzoeksters wordt aanvaard(4), de toepassing van dit criterium in de terugbetalingsprocedures, onder bepaalde omstandigheden, gevolgen meebrengt die onlogisch zijn en onverenigbaar met zowel de wezenlijke beginselen van de anti-dumpingregelgeving als met bepaalde grondbeginselen van de communautaire rechtsorde.
Zoals gezegd, dient de geassocieerde importeur bij strikte toepassing van het betrokken criterium de wederverkoopprijzen met twee keer de marge van dumping te verhogen om de samengestelde uitvoerprijs na aftrek van rechten in overeenstemming te brengen met de normale waarde: met andere woorden, er zal een marge van dumping blijven bestaan zolang een dergelijke tweevoudige verhoging van de wederverkoopprijzen niet heeft plaatsgevonden.
Juist deze tweevoudige verhoging lijkt mij echter volkomen ongerechtvaardigd.
Dienaangaande is het dienstig om nogmaals in herinnering te brengen, dat de logica van de anti-dumpingregeling strikt "compensatoir" is, omdat zij strekt tot bescherming van de handel. Deze regeling is erop gericht te voorkomen dat produkten tegen een kunstmatig verlaagde prijs in de Gemeenschap worden ingevoerd en afgezet. Onder deze omstandigheden wordt met de toepassing van het anti-dumpingrecht als handelsbeschermende maatregel in hoofdzaak beoogd, op het niveau van de door de exporteurs gehanteerde prijzen eerlijke mededingingsvoorwaarden te herstellen.
De sleutelfactor is dus de marge van dumping. Deze marge moet worden gecompenseerd. Het grondbeginsel is dus dat het recht niet meer mag bedragen dan de marge van dumping, zoals reeds vanaf het begin is opgemerkt.
Hiervan uitgaande moet op grond van de logica van deze regeling worden aangenomen, dat de dumping is opgeheven wanneer de verkoopprijs in de Gemeenschap is verhoogd met de omvang van de vastgestelde marge van dumping. Wanneer deze verhoging eenmaal is doorgevoerd, wordt het betrokken produkt niet langer tegen een kunstmatig verlaagde prijs verkocht en is het niet meer noodzakelijk om handelsbeschermende maatregelen vast te stellen.
Indien het een geassocieerde importeur betreft, moet worden gekeken naar de prijs waartegen aan de eerste onafhankelijke koper wordt verkocht. Dit is immers het stadium waarin het ingevoerde produkt de concurrentie met de gemeenschapsprodukten aangaat. Deze prijs moet dus als uitgangspunt worden genomen om vast te stellen, of ten aanzien van het produkt sprake is van dumping en of de eventuele dumping is opgeheven.
Wanneer blijkt dat in een bepaalde wederverkoopprijs een marge van dumping is opgenomen en bijgevolg een recht wordt ingesteld, kan de handelsbeschermende maatregel wettig tot doel hebben, de prijs zodanig te verhogen dat deze het niveau bereikt waarop nooit sprake zou zijn geweest van dumping.
Deze verhoging (net als overigens de handelsbeschermende maatregel) kan niet meer bedragen dan de marge van dumping. Indien een grotere verhoging werd verlangd, zou niet alleen een correct prijsniveau worden hersteld, maar zou daarnaast de prijs van het produkt worden opgetrokken naar een niveau waarop het ten onrechte wordt benadeeld ten opzichte van het concurrerende gemeenschapsprodukt. Met andere woorden, men zou van handelsbescherming vervallen in protectionisme.
Samenvattend ben ik derhalve van mening dat, wil de geassocieerde importeur een einde aan de dumping maken, hij de prijzen waartegen hij aan de onafhankelijke koper verkoopt moet verhogen met het bedrag van de vastgestelde marge van dumping, en niet met meer.
c) De praktijk van de Commissie
Deze conclusie vindt bevestiging in de praktijk van de Commissie, zoals die voortvloeit uit de mededeling van 1986 en uit de ter terechtzitting overgelegde memories, op voorwaarde dat niet alleen het hiervoor vermelde criterium in de beschouwing wordt betrokken, maar ook de effectieve werking van het stelsel van terugbetaling wordt onderzocht.
De in casu overgelegde memories dienen als uitgangspunt. In het verweerschrift - en wel in de afsluitende samenvatting van haar betoog - stelt de Commissie, dat de geassocieerde importeur slechts tijdelijk is gedwongen de wederverkoopprijs te verhogen met twee keer de marge van dumping:
"De geassocieerde importeur is tijdelijk gedwongen zijn prijs te verhogen met twee keer de marge van dumping om de terugbetaling te verkrijgen die hij vervolgens kan doorgeven aan zijn koper."
Deze opvatting wordt even later opnieuw bevestigd, waar wordt gesteld dat de situatie waarin de wederverkoopprijs aanvankelijk wordt verhoogd met twee keer de marge van dumping, "zuiver tijdelijk" is.
Het is wellicht zelfs overbodig om erop te wijzen, dat deze zuiver tijdelijke verhoging alleen maar betekent dat de definitieve en dus werkelijke prijs, waartegen de transactie tussen de importeur en de onafhankelijke koper wordt afgesloten, "at the end of the day" met slechts één keer de marge van dumping is verhoogd: een single jump derhalve, zoals verzoeksters het uitdrukken. Het betreft hier in feite de prijs die ontstaat wanneer de importeur het bedrag van het terugbetaalde recht ex post heeft overgemaakt aan zijn koper, omdat deze terugbetaling niet meer en niet minder is dan een korting a posteriori op de verkoopprijs.
Dit wordt duidelijk bevestigd door de cijfervoorbeelden die de Commissie met name in dupliek geeft.
Uit deze voorbeelden volgt dat in de twee gevallen waarin het recht op terugbetaling door de Commissie wordt erkend, dat wil zeggen:
- wanneer de geassocieerde importeur aan de eerste onafhankelijke koper verkoopt "recht niet betaald",
- en wanneer de geassocieerde importeur aan de eerste onafhankelijke koper verkoopt "recht betaald",
het netto saldo van de onafhankelijke koper, dat wil zeggen wanneer het recht eenmaal is gerestitueerd en eventueel is doorgegeven, een eenheid te zijnen laste bedraagt, welke eenheid overeenkomt met de verhoging van de koopprijs met een keer de marge van dumping.
Overigens refereren deze voorbeelden aan de twee gevallen die reeds zijn geregeld in de mededeling van de Commissie van 1986. In beide gevallen is de werkelijke en definitieve prijs waartegen de goederen aan de onafhankelijke koper worden wederverkocht, slechts met een keer en niet met twee keer de marge van dumping verhoogd.
In het eerste geval immers:
- verhoogt de geassocieerde importeur de wederverkoopprijs met een keer de marge van dumping;
- verkoopt de importeur "recht niet betaald", hetgeen betekent dat zijn koper het recht moet betalen en terugbetaling moet aanvragen;
in de praktijk draagt de koper slechts tijdelijk een dubbele last, bestaande in betaling van de verhoogde prijs en betaling van het recht; het recht zelf wordt later gerestitueerd: de door de koper betaalde werkelijke prijs is verhoogd met slechts een keer de marge van dumping.
Zo ook in het tweede geval:
- de geassocieerde importeur verhoogt de wederverkoopprijs met twee keer de marge van dumping;
- de importeur betaalt het recht;
- de importeur vraagt en verkrijgt terugbetaling van dit recht;
- de importeur maakt het bedrag van het terugbetaalde recht over aan zijn koper;
bijgevolg draagt de koper slechts tijdelijk een dubbele last (bestaande uit de double jump van de koopprijs); daarna wordt het bedrag van het aan de importeur terugbetaalde recht door deze laatste overgemaakt aan zijn koper, die derhalve in werkelijkheid een korting ex post op de koopprijs van de goederen krijgt: in de praktijk is de door de koper betaalde werkelijke prijs "at the end of the day" verhoogd met slechts een keer de marge van dumping.
Ik wijs erop, dat het (door wie dan ook betaalde) anti-dumpingrecht juist tegen deze prijs wordt terugbetaald. Dit bevestigt dat bij deze prijs moet worden aangenomen, dat de dumping is opgeheven.
Al met al houdt de praktijk van de Commissie in, dat de geassocieerde importeur die de op het produkt van toepassing zijnde rechten heeft betaald, een einde aan de dumping maakt door zijn prijzen bij verkoop aan de onafhankelijke koper te verhogen met het bedrag van de marge van dumping, en niet met meer.
d) Internationale oriëntaties
Aanwijzingen op internationaal niveau bevestigen deze conclusie. In de onderhavige procedure is met name het Amerikaanse stelsel besproken. Volgens de Commissie is, gezien het verschil met het gemeenschapsstelsel, verwijzing naar het Amerikaanse stelsel irrelevant.
Het Amerikaanse stelsel is namelijk "retrospectief" in die zin, dat na betaling van een geschat recht voor elke invoer ex post facto de werkelijke marge van dumping en dus het definitieve recht wordt vastgesteld, waarna het positieve of negatieve saldo wordt terugbetaald respectievelijk nagevorderd.
Voor het onderhavige probleem ontneemt zulks evenwel niet de grondslag aan een vergelijking met het Amerikaanse stelsel.
De ondernemingen die om terugbetaling van aan de Gemeenschap betaalde rechten verzoeken, moeten aantonen dat, met betrekking tot een bepaalde referentieperiode, het geïnde recht meer bedroeg dan de werkelijke marge van dumping. Deze ondernemingen verzoeken uiteindelijk om een aanpassing ex post facto van het bij de invoer geïnde recht aan de werkelijke situatie van het produkt op het tijdstip van de invoer. Deze benaderingswijze verschilt mijns inziens in wezen niet van die welke in het Amerikaanse stelsel wordt toegepast voor de vaststelling van het definitieve recht. In beide gevallen dienen voor een bepaalde referentieperiode ex post de uitvoerprijs en de normale waarde te worden vastgesteld, waarna de uit deze gegevens eventueel voortvloeiende marge van dumping moet worden vergeleken met het bij de invoer geïnde recht. Het is duidelijk dat, wat de uitvoerprijzen betreft, in beide gevallen met betrekking tot geassocieerde importeurs een "samengestelde" prijs moet worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van de anti-dumpingcode van het GATT.
Na deze opmerkingen wijs ik er nog slechts op, dat uit een door de diensten van het Hof opgestelde onderzoeksnota het volgende blijkt:
- in de praktijk worden in de Verenigde Staten de anti-dumpingrechten overeenkomstig Section 1677a, sub d, van de Tariff Act niet in mindering gebracht;
- de Court of International Trade heeft zich in haar arrest van 27 januari 1986 (PQ Corp. v. U.S., CIT 1987, Slip Opinion nr. 87-11, US International Trade Reports, New Series, vol. 2), duidelijk uitgesproken tegen de aftrek van het bedrag dat bij wijze van geschat anti-dumpingrecht is betaald, en heeft ingestemd met de argumentatie van het Department of Commerce, volgens hetwelk "if deposits of estimated antidumping duties entered into calculation of present dumping margins, then the deposits would work to open up a margin where non otherwise exists";
- de praktijk van het Department of Commerce, zoals die voortvloeit uit de Notice of Final Results of Antidumping duty administrative Review (July 1, 1988), Color Television Receivers from Korea, 53 FR 245975, waarin wordt verklaard dat "adding these estimated duties to the dumping margins would artificially inflate them", moet als vaste praktijk worden beschouwd.
Bovendien blijkt uit deze onderzoeksnota dat, aangezien de tekst van de relevante bepaling van de anti-dumpingcode van het GATT onduidelijk is, de kwestie aan de orde is gesteld in het kader van de besprekingen van de Uruguay Round. Het is vermeldenswaard dat uit de tot nog toe ingenomen standpunten blijkt dat:
- anti-dumpingrechten in beginsel niet worden beschouwd als kosten;
- indien de samengestelde uitvoerprijs zonder aftrek van anti-dumpingrechten gelijk is aan of meer bedraagt dan de normale waarde, zoals juist het geval is in de onderhavige procedure, het recht dwingend wordt terugbetaald, hetgeen betekent dat, indien de andere factoren (normale waarde, andere kosten en winsten van de geassocieerde importeur) gelijk blijven, een verhoging van de wederverkoopprijs met één keer de marge van dumping volstaat om een einde te maken aan de dumping en om terugbetaling te verkrijgen;
- er verschil van mening bestaat over de noodzaak om de anti-dumpingrechten in mindering te brengen, wanneer na de eerste berekening zonder aftrek van de anti-dumpingrechten, zou blijken dat de samengestelde uitvoerprijs lager is dan de normale waarde; in dat geval is het overigens duidelijk dat er hoe dan ook geen recht op terugbetaling bestaat en dat in plaats daarvan moet worden vastgesteld, of al dan geen rekening moet worden gehouden met de betaalde anti-dumpingrechten om in het kader van een procedure inzake nieuw onderzoek na te gaan of de marge van dumping groter is geworden (zie hierboven voetnoot 5).
Weliswaar zijn bovenstaande indicaties slechts oriëntaties in het kader van nog lopende onderhandelingen, maar daarom mogen zij niet worden onderschat of ronduit worden genegeerd, omdat zij niettemin voldoende duidelijke en relevante gegevens verschaffen.
e) Artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening: restrictieve uitlegging of onwettigheid?
Op grond van het voorgaande ben ik dus van mening dat een geassocieerde importeur die de anti-dumpingrechten heeft betaald, wil hij een einde maken aan de dumping en derhalve terugbetaling verkrijgen, de wederverkoopprijzen slechts behoeft te verhogen met het bedrag van de marge van dumping.
Door deze single jump komt een einde aan de dumping en krijgt de geassocieerde importeur krachtens artikel 16, lid 1, van de basisverordening recht op terugbetaling van de voldane rechten.
In de zojuist beschreven situatie dienen de betaalde rechten derhalve niet te worden beschouwd (en worden zij door de Commissie in feite niet behandeld) als factor van de kosten die in mindering moet worden gebracht op de wederverkoopprijs om de samengestelde uitvoerprijs te berekenen. Indien deze aftrek plaatsvond, zou een marge van dumping worden vastgesteld op een niveau van de wederverkoopprijs waarop in werkelijkheid geen marge van dumping bestaat.
Hieruit volgt dat in een situatie als de onderhavige de toepassing van het in artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening bedoelde criterium onaanvaardbaar is, omdat als gevolg hiervan handelsbeschermende maatregelen worden gehandhaafd, hoewel de belangrijkste rechtvaardigingsgrond daarvoor (de marge van dumping) is weggevallen. Even onwettig is het dat de geassocieerde importeur overeenkomstig dit criterium wordt onderworpen aan een last die elke legitieme grond ontbeert en dat de Gemeenschap derhalve ten onrechte zonder titel geïnde rechten moet inhouden, waardoor zij zich verrijkt met bedragen die deel uitmaken van de legitieme inkomsten van de geassocieerde importeur.
Een dergelijk stelsel is bovendien discriminatoir, omdat het in het geval van de geassocieerde importeur die de wederverkoopprijzen heeft verhoogd met één keer de marge van dumping, ertoe leidt dat op dit prijsniveau nog steeds een marge van dumping wordt geacht te bestaan die gelijk is aan die welke vóór die verhoging werd vastgesteld, terwijl het in het geval van een onafhankelijke importeur, die in de wederverkoopprijzen een verhoging van de uitvoerprijs met hetzelfde bedrag heeft opgenomen, dat wil zeggen die nog steeds gelijk is aan de marge van dumping (een volkomen rechtmatige situatie), duidelijk is dat de dumping als opgeheven moet worden beschouwd. In de praktijk kan in gelijke omstandigheden en bij dezelfde wederverkoopprijs ten aanzien van het door de geassocieerde importeur verkochte produkt nog sprake zijn van dumping, terwijl dit niet meer het geval is ten aanzien van het door de onafhankelijke importeur verkochte produkt.
Uiteindelijk leidt de toepassing van het criterium van de aftrek van de anti-dumpingrechten voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs, in het geval van een geassocieerde importeur die de wederverkoopprijzen heeft verhoogd met een keer de marge van dumping en die derhalve verzoekt om terugbetaling van de bijbehorende rechten, tot onwettige gevolgen.
Derhalve is het òf het een òf het ander. Ofwel moet artikel 2, lid 8, sub b, worden geacht een dergelijke aftrek dwingend op te leggen, en moet de exceptie van onwettigheid van verzoeksters worden aanvaard; ofwel aanvaard men dat de norm restrictief wordt uitgelegd door de aftrek van de rechten enkel toe te staan in de procedure inzake nieuw onderzoek van de marge van dumping.
In de praktijk is het resultaat hetzelfde, omdat de gedeeltelijke onwettigheid of de restrictieve uitlegging van de bepaling er hoe dan ook toe leidt, dat de aftrek in het onderhavige geval niet kan worden toegepast en dat de bestreden beschikkingen derhalve onwettig zijn.
Persoonlijk geef ik echter de voorkeur aan de tweede oplossing. Mijns inziens staat het immers aan het Hof, de draagwijdte van de bepalingen te bepalen in dier voege, dat er coherentie ontstaat met het stelsel waarvan zij deel uitmaken en wordt voorkomen dat zij (zij het maar gedeeltelijk) onwettig zijn. De beginselen van systematische uitlegging en van behoud van de handeling gebieden deze benaderingswijze, waarbij de bewoordingen van de bepalingen slechts een uitgangspunt en niet het eindpunt vormen.
Met inachtneming van deze beginselen acht ik een restrictieve uitlegging van artikel 2, lid 8, sub b, geoorloofd, aangezien de bepaling hiermee in elk geval niet van elke normatieve werking wordt beroofd. Partijen zijn het er immers over eens, dat het criterium van de aftrek van de rechten hoe dan ook van toepassing is in de procedures inzake nieuw onderzoek; eveneens staat vast, dat de aftrek in die gevallen strookt met de gedachte van bescherming van de handel, die ten grondslag ligt aan de anti-dumpingregeling. Bovendien wordt deze restrictieve uitlegging mijns inziens bevestigd door het feit dat de Commissie, ondanks haar verklaring dat het criterium van de aftrek van de anti-dumpingrechten moet worden toegepast in de restitutieprocedures, dit in de praktijk niet coherent en strikt heeft toegepast, zoals moge blijken uit de voorgaande overwegingen.
II - De voorwaarden voor de uitoefening van het recht op restitutie
Samenvattend moet op basis van het onderzoek tot dusverre worden geconcludeerd, dat het criterium van de aftrek van de rechten niet moet worden toegepast indien uitspraak moet worden gedaan op een verzoek om terugbetaling van een geassocieerde importeur die de wederverkoopprijzen heeft verhoogd met een keer de eerder vastgestelde marge van dumping.
Hieruit volgt dat er in dat geval geen reden is om het recht van de geassocieerde importeur op terugbetaling van de betaalde rechten niet te erkennen.
Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat de Commissie de wettigheid van de bestreden beschikkingen nog tracht te verdedigen op basis van andere overwegingen dan die welke hiervoor zijn onderzocht.
Volgens de Commissie moet in een situatie als de thans in geding zijnde, het recht op terugbetaling hoe dan ook om twee redenen worden ontzegd:
- om het risico van "verkapte dumping" door de geassocieerde importeur te voorkomen;
- om ongelijke behandeling tussen de onafhankelijke importeur en de geassocieerde importeur te voorkomen.
Dienaangaande zij om te beginnen nogmaals gezegd, dat deze argumenten zijn geformuleerd ter rechtvaardiging van een praktijk die niet getuigt van een coherente toepassing van het criterium van de aftrek van de in artikel 2, lid 8, sub b, van de basisverordening bedoelde rechten. Zuiver economisch gezien verschillen de gevallen waarin de Commissie, overeenkomstig de mededeling van 1986, de terugbetaling van de rechten toestaat, niet van het onderhavige geval. Volgens verzoeksters heeft een geassocieerde importeur zonder meer recht op terugbetaling wanneer hij het produkt waarvoor hij een anti-dumpingrecht heeft betaald, heeft wederverkocht tegen een prijs die is verhoogd met een keer de marge van dumping. Eveneens zij nogmaals gezegd, dat een dergelijke situatie identiek lijkt te zijn met de twee in de mededeling van 1986 geregelde gevallen, voor wat betreft de werkelijke prijs waartegen de transactie tussen de geassocieerde importeur en de onafhankelijke koper tot stand komt. In alle gevallen is er immers sprake van een verhoging van de wederverkoopprijs, die gelijkstaat met een single jump.
Er is één verschil en wel het volgende. In de beide in de mededeling van 1986 bedoelde gevallen draagt de onafhankelijke koper voorlopig de last van de betaling van het recht(5): het betreft hier een zuiver tijdelijke last, omdat de koper in een tweede stadium een even hoog bedrag ontvangt, hetzij van de Gemeenschap (in geval van koop "rechten niet betaald"), hetzij van de importeur (in geval van koop "rechten betaald").
In het geval van verzoeksters daarentegen draagt de importeur de last van de betaling van het recht tot aan de restitutie.
Dat is het enige verschil. En dit ene verschil - het zij gezegd - vormt kennelijk de enige werkelijke reden waarom de gevraagde terugbetaling niet aan verzoeksters is toegekend.
Rekening houdend met alle aan het Hof voorgelegde gegevens, sluit de volgende omschrijving van de door de Commissie ter zake van de terugbetaling van rechten gevolgde weg mijns inziens het nauwste aan bij de feiten: voor terugbetaling verlangt de Commissie geen verhoging van de werkelijke wederverkoopprijs die meer bedraagt dan een single jump; daarnaast verlangt zij evenwel dat het recht tot aan de restitutie ten laste van de koper komt en niet van de geassocieerde importeur. Het behoeft nauwelijks te worden herhaald, dat een dergelijke praktijk erg weinig gemeen heeft met de aftrek van de rechten als factor van de kosten. Indien de rechten immers daadwerkelijk evenals alle andere door de importeur gedragen kosten in mindering werden gebracht, zou niet alleen een verhoging met twee keer de marge van dumping dwingend noodzakelijk zijn om terugbetaling te verkrijgen, maar zou een dergelijke double jump uiteraard definitief en niet slechts tijdelijk moeten zijn. Voor de vaststelling van de dumping is de werkelijke prijs van de betrokken transactie van belang: ter bepaling van deze prijs moet niet alleen de in eerste instantie gehanteerde verkoopprijs in aanmerking worden genomen, maar ook elke andere aanbetaling, korting of overdracht die de verkoper ex post aan de koper toestaat.
Zo dit de werkelijke strekking van het stelsel van de Commissie is - en op basis van de verschafte gegevens is mijns inziens geen andere conclusie mogelijk - kan naar mijn mening het volgende worden opgemerkt.
In de eerste plaats zijn de bestreden beschikkingen mijns inziens ontoereikend gemotiveerd, omdat de werkelijke reden voor de (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek om terugbetaling niet wordt vermeld.
In de tweede plaats lijkt het stelsel vooral onverenigbaar met artikel 16, lid 1, van de basisverordening. Deze bepaling stelt het recht op terugbetaling afhankelijk van één enkele voorwaarde, te weten het bewijs dat de marge van dumping is opgeheven. Gelet op de ratio van de regeling - waarop hierboven is ingegaan - is het mijns inziens niet legitiem andere voorwaarden in te voeren ten gevolge waarvan de uitoefening van het recht op terugbetaling wordt bemoeilijkt. Wanneer eenmaal is aangetoond dat de verhoging van de wederverkoopprijs volstaat om een einde aan de dumping te maken, heeft de importeur ten volle en onvoorwaardelijk recht op terugbetaling van het bedrag van de betaalde rechten, welk bedrag - zoals niet mag worden vergeten - een onderdeel vormt van zijn legitieme inkomsten. De door de Commissie gestelde bijkomende voorwaarde, volgens welke eerst terugbetaling kan plaatsvinden wanneer de onafhankelijke koper de last van het recht medio tempore heeft gedragen, is in tegenspraak met artikel 16, lid 1, van de basisverordening.
Maar zelfs indien men deze elementen buiten beschouwing wil laten - hetgeen mijns inziens ronduit moeilijk is -, moet hoe dan ook worden opgemerkt, dat de door de Commissie aangevoerde redenen voor de invoering van deze bijkomende voorwaarde niet overtuigend zijn en geen rechtvaardiging lijken te vormen voor zo een grote beperking van de subjectieve rechten van de betrokken importeurs.
Wat het risico van verkapte dumping betreft, heeft de Commissie gesteld dat, indien het de importeur die het recht heeft betaald en die de prijzen heeft verhoogd met een keer de marge van dumping, zou zijn toegestaan terugbetaling van dit recht te verkrijgen, er een groot gevaar zou bestaan dat de importeur het bedrag van het terugbetaalde recht daarna overdraagt aan zijn koper en bijgevolg de handelsbeschermende maatregel ontduikt. Indien daarentegen - aldus de Commissie - dezelfde importeur wordt verplicht de wederverkoopprijs tijdelijk te verhogen met twee keer de marge van dumping, dan beantwoordt de definitieve prijs waartegen de transactie wordt gesloten, aan de vereisten van bescherming van de handel, ook al wordt het terugbetaalde recht overgedragen aan de koper.
Het is duidelijk dat deze redenering - zo nodig - nogmaals bevestigt, dat een (daadwerkelijke) single jump noodzakelijk en voldoende is om een einde aan de dumping te maken. Maar daar gaat het niet om. De Commissie neemt in haar redenering twee gegevens als vaststaand aan: dat de geassocieerde importeur probeert te frauderen met de anti-dumpingmaatregelen door geheime overboekingen aan zijn cliënten (de Commissie gaat uit van bijschrijvingen op rekeningen-courant van buitenlandse banken of van kruiselingse kortingen op andere leveringen), en dat op deze handelwijzen geen enkele realistische controle mogelijk is. Indien dat echter - zoals zich laat aanzien - de werkelijke reden is waarom wordt verlangd dat de prijs twee keer wordt verhoogd, dan kan ik moeilijk enig verband tussen het gekozen middel en het nagestreefde doel bespeuren. Indien men immers uitgaat van de vooronderstelling dat de importeur misbruik wil maken van de wet in de wetenschap dat hij onbestraft zal blijven, dan kan een dubbele verhoging van de wederverkoopprijs zeker geen oplossing bieden voor het probleem: de importeur zal, ongeacht de verhoging van de vastgestelde prijs, hoe dan ook over dezelfde mogelijkheden beschikken om aan zijn cliënten geheime kortingen toe te staan, zodat hij tegen dumpprijzen kan verkopen: bij een grotere verhoging van de kennelijke wederverkoopprijs worden de geheime kortingen gewoon naar evenredigheid verhoogd. Maar afgezien van dit ene verschil, blijft het gevaar van verkapte dumping of andere frauduleuze samenspanningen volstrekt hetzelfde.
Met betrekking tot de noodzaak om discriminatie tussen de geassocieerde importeur en de onafhankelijke importeur te vermijden, heeft de Commissie in dupliek gesteld dat ook de kopers van een onafhankelijke importeur op de een of andere manier tijdelijk met een dubbele verhoging van de koopprijs te maken krijgen. De Commissie "veronderstelt" immers dat de onafhankelijke importeur die het recht heeft betaald en die bij de exporteur heeft gekocht tegen een prijs die, ten opzichte van de oorspronkelijke prijs, is verhoogd met één keer de marge van dumping, deze dubbele verhoging integraal aan zijn cliënt zal doorberekenen. De Commissie concludeert, dat "de ondernemer die bij een onafhankelijke importeur of bij de eerste onafhankelijke koper die de rechten heeft betaald, koopt, vrijwel zeker de oorspronkelijke prijs, verhoogd met twee keer de marge van dumping, zal betalen (...) tenzij en tot aan het tijdstip waarop het anti-dumpingrecht wordt terugbetaald aan deze importeur of eerste koper en deze besluit zijn koper terug te betalen". De opvatting van de Commissie komt duidelijk tot uitdrukking in het rapport ter terechtzitting, waar wordt verklaard: "dat zij (de geassocieerde importeurs) hun prijs moeten verhogen met twee keer de dumpingmarge om teruggave te kunnen verkrijgen, dient enkel voor zover mogelijk te waarborgen dat alle cliënten binnen de Gemeenschap te maken hebben met dezelfde prijsverhoging tot aan de terugbetaling van het anti-dumpingrecht, wanneer de terugbetaling aan hen kan worden doorgegeven".
Tegen de redenering van de Commissie kunnen echter verschillende bezwaren worden aangevoerd.
In de eerste plaats "veronderstelt" de Commissie dat, wanneer de exporteur de uitvoerprijs heeft verhoogd met één keer de marge van dumping (om een einde te maken aan de oneerlijke praktijk), de onafhankelijke importeur, die op dat moment teruggave van het betaalde recht kan verkrijgen, vrijwel zeker de dubbele last van de verhoging van de koopprijs en van het betaalde recht zal doorberekenen in zijn wederverkoopprijzen, in ieder geval zolang het recht niet is terugbetaald.
De gegrondheid van deze "veronderstelling" kan echter in twijfel worden getrokken. Zo de onafhankelijke importeur concurreert met andere aanbieders in de Gemeenschap, zal hij zijn aanbiedingsprijzen waarschijnlijk zo laag mogelijk willen houden. Derhalve zal de onafhankelijke importeur (net als de geassocieerde importeur) onder deze omstandigheden slechts de door hem betaalde verhoging van de koopprijs doorberekenen in de wederverkoopprijzen en niet tevens de last van het betaalde recht, die slechts een tijdelijke last is, aangezien deze hem later wordt terugbetaald. Bovendien zij eraan herinnerd dat, indien een (al dan niet onafhankelijke) importeur slechts de verhoging van de koopprijs doorberekent (die ook de verhoging vormt die noodzakelijk is om een einde aan de dumping te maken), zijn wederverkoopprijs zich op het communautaire aanbiedingsniveau beweegt; indien hij daarentegen, al is het slechts tijdelijk, een hoger bedrag doorberekent, wordt zijn produkt waarschijnlijk aangeboden tegen een hogere prijs dan die van de concurrerende gemeenschapsprodukten, met het risico dat hij zich buiten de markt zal plaatsen.(6)
Maar afgezien van de gegrondheid van de "veronderstelling" van de Commissie bestaat er een andere onzekere factor. Er zij op gewezen dat de onafhankelijke importeur ingevolge de gemeenschapsregeling niet verplicht is zijn prijzen te verhogen met twee keer de marge van dumping. Meer bepaald in het, verre van onwaarschijnlijke, geval waarin de koper niet bereid is het produkt tegen een tweevoudig verhoogde prijs te kopen, zal de onafhankelijke importeur een enkelvoudige verhoging toepassen zonder dat daardoor op enige manier afbreuk wordt gedaan aan zijn recht op terugbetaling.
Vergeleken met dit geval leidt het door de Commissie ten aanzien van een geassocieerde importeur gehanteerde stelsel mijns inziens tot volstrekt ongerechtvaardigde discriminatie. Indien de koper immers de tweevoudige (zij het slechts tijdelijke) prijsverhoging niet aanvaardt, verliest de geassocieerde importeur die een enkelvoudige verhoging toepast, anders dan de onafhankelijke importeur, het recht op terugbetaling. In dat geval ziet de geassocieerde importeur in de praktijk zijn inkomsten teruglopen met het bedrag van het recht, hoewel duidelijk is dat er bij de door hem gehanteerde prijs geen sprake meer is van dumping; tegelijkertijd houdt de Commissie bedragen in waarop zij geen recht heeft en die zij zelfs krachtens de uitdrukkelijke bepaling van artikel 16, lid 1, van de basisverordening moet terugbetalen.
Tot besluit nog een laatste opmerking. In feite zie ik niet de logica in van een stelsel dat de geassocieerde importeur verplicht, te trachten de koper tijdelijk (dat wil zeggen totdat de terugbetaling heeft plaatsgevonden) de last van de betaling van het recht te laten dragen. Het is vrij normaal dat de, al dan niet geassocieerde, importeur de rechten betaalt en in voorkomend geval verzoeken om terugbetaling indient. Daarentegen hebben de achtereenvolgende kopers in de Gemeenschap, die zich in een ondergeschikt stadium van de handel bevinden, er normaliter geen belang bij te interveniëren in procedures inzake de invoer van goederen in de Gemeenschap. Ik zie niet waarom zij ermee zouden moeten instemmen, de last te dragen van de betaling van een anti-dumpingrecht dat later wordt terugbetaald. Bovendien kan mijns inziens redelijkerwijs worden aangenomen, dat de koper in de Gemeenschap in veel gevallen onvoldoende en hoe dan ook op erg indirecte wijze op de hoogte is van de factoren die bepalend zijn voor terugbetaling.
Derhalve kan, nog afgezien van de duur van de desbetreffende procedures, in het geheel niet worden uitgesloten dat de koper het perspectief van de terugbetaling onvoldoende zeker acht om de tijdelijke last van de betaling van het recht op zich te nemen. Aldus is het waarschijnlijk dat de koper in de Gemeenschap met betrekking tot de normale waarde van de produkten over minder informatie beschikt dan de importeur; bovendien kent de importeur de kosten die hij tussen de invoer en de wederverkoop zelf draagt, terwijl de koper slechts bij benadering een voorstelling van deze gegevens kan hebben. Indien deze laatste erin toestemt het recht (tijdelijk) te betalen, is er uiteraard geen probleem. Maar indien - zoals ook mogelijk is - de koper hiermee niet akkoord gaat, waarom moet de geassocieerde importeur die het recht heeft betaald, het recht op terugbetaling verliezen, terwijl dit niet het geval is met de onafhankelijke importeur die zich in dezelfde omstandigheden bevindt?
Dienaangaande heeft de Commissie grote nadruk gelegd op de noodzaak, geassocieerde importeurs die hebben deelgenomen aan de uitvoering van een oneerlijke handelspraktijk in de gaten te houden. Bij gegrond wantrouwen dient zorgvuldig te worden vastgesteld, dat de verhogingen ten opzichte van de oorspronkelijke prijs daadwerkelijk een einde aan de dumping hebben gemaakt. Maar wanneer eenmaal vaststaat, dat de prijzen met het vereiste percentage zijn verhoogd, zie ik niet in hoe aan deze ondernemers het recht op terugbetaling kan worden ontzegd, enkel en alleen omdat zij de tijdelijke last van de betaling van de anti-dumpingrechten niet hebben kunnen of zelfs willen doorberekenen aan de handelaren die hun cliënten zijn; met andere woorden, ik zie niet in hoe het recht op terugbetaling afhankelijk kan worden gesteld van zwaardere bijkomende voorwaarden, die niet zijn voorzien in artikel 16, lid 1, van de basisverordening, enkel en alleen omdat het wordt uitgeoefend door ondernemingen die de weg van de verticale integratie in het stelsel van commerciële invoer van de Gemeenschap hebben gekozen.
Concluderend ben ik van mening dat, ook indien men het systeem van de Commissie beoordeelt naar hetgeen de effectieve werking ervan lijkt te zijn, men tot de slotsom moet komen dat het in tegenspraak is met artikel 16, lid 1, van de basisverordening en tot volstrekt onevenredige en discriminerende lasten leidt. De bestreden beschikkingen moeten derhalve nietig worden verklaard voor zover daarin dit systeem is toegepast.
III - Andere gronden van het beroep
Daarentegen zijn andere grieven die verzoeksters tegen de bestreden beschikkingen hebben aangevoerd, mijns inziens ongegrond.
Het middel inzake gebrek aan motivering kan zoals gezegd slagen, voor zover in de beschikkingen niet wordt gepreciseerd dat het verzoek om terugbetaling (gedeeltelijk) is afgewezen, niet omdat verzoeksters hun wederverkoopprijzen in onvoldoende mate hebben verhoogd om een einde te maken aan de dumping, maar uitsluitend omdat zij weliswaar de noodzakelijke verhoging hebben toegepast, maar daarbij niet zouden hebben voldaan aan de andere verplichting om de koper de tijdelijke last van de betaling van het anti-dumpingrecht te laten dragen. Andere door verzoeksters ter zake van het gebrek aan motivering aangevoerde punten - die zijn weergegeven in het rapport ter terechtzitting - gaan in feite op in de grieven ontleend aan onjuiste uitlegging van de basisverordening, schending van artikel 16, lid 1, van deze verordening en schending van het evenredigheids- en non-discriminatiebeginsel.
Mijns inziens is er geen sprake van dat de Commissie zich zou hebben schuldig gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. Gezien het voorgaande moet veeleer worden geconcludeerd, dat de Commissie óf de grondregels en bepaalde fundamentele beginselen heeft geschonden óf enkel bepalingen heeft toegepast die op hun beurt onwettig waren.
Met betrekking tot de schending van het gewettigd vertrouwen heeft de Commissie in haar verweerschrift verklaard, - en verzoeksters hebben dit niet weersproken - dat deze laatsten er bij brief van 6 maart 1985 van op de hoogte waren gebracht, dat de Commissie het criterium van de aftrek van de anti-dumpingrechten als een factor van de kosten van toepassing achtte op de terugbetalingsprocedures. Het is dus niet zo dat verzoeksters, althans tot aan de bekendmaking van de mededeling van 1986, niet konden weten hoe op hun verzoeken om terugbetaling zou worden beslist.
y
Conclusie
Op grond van bovenstaande opmerkingen geef ik het Hof in overweging, het beroep toe te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten.
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - Er zij op gewezen, dat partijen in casu hebben gerefereerd aan een vereenvoudigd geval: dat van de geassocieerde importeur die na de instelling van een anti-dumpingrecht heeft besloten de wederverkoopprijzen te verhogen met het bedrag van de eerder vastgestelde marge van dumping, waarbij alle andere belangrijke factoren (andere kosten, winstmarges, normale waarde) gelijk blijven. De situatie van verzoeksters, die het voorwerp is van de litigieuze beschikkingen, ligt enigszins anders. Bij verzoeksters was immers niet alleen sprake van een verhoging van de wederverkoopprijzen, maar ook van een verlaging van de andere tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, alsmede van een verlaging van de normale waarde.
Het gaat hier echter om verschillen die voor het onderhavige onderzoek niet van belang zijn. In de onderhavige procedure is de kernvraag immers, of al dan niet een einde wordt gemaakt aan de dumping wanneer de samengestelde uitvoerprijs, zonder aftrek van de betaalde rechten, wordt verhoogd met het bedrag van de marge van dumping en derhalve gelijk is aan de normale waarde.
De vooronderstelling is dus, dat de samengestelde uitvoerprijs na de toepassing van het recht wordt verhoogd; het doet er weinig toe of deze verhoging het gevolg is van een verhoging van de wederverkoopprijzen of (ook) van een verlaging van de kosten van de importeur: van belang is dat de samengestelde uitvoerprijs, zonder aftrek van rechten, is verhoogd met het bedrag van de dumpingmarge en gelijk is aan de normale waarde. Wat de reden van de verhoging van de samengestelde uitvoerprijs ook moge zijn (verhoging van de wederverkoopprijzen en/of verlaging van de kosten), de vraag blijft, zoals gezegd, dezelfde: in wezen moet worden vastgesteld, of een dergelijke verhoging volstaat om de dumping op te heffen (zoals verzoeksters stellen) dan wel of een nog grotere verhoging noodzakelijk is (deze laatste oplossing zou voor de hand liggen indien het criterium van aftrek van rechten werkelijk werd toegepast voor de vaststelling van de samengestelde uitvoerprijs).
Na deze verduidelijking zal in deze conclusie verder worden verwezen naar het vereenvoudigde geval dat in het begin is beschreven: het geval waarin de verhoging van de samengestelde uitvoerprijs het gevolg is van een verandering van de factor prijs (met een verhoging die gelijk is aan de marge van dumping), waarbij de andere belangrijke factoren gelijk blijven.
(2) - In de motivering van de beschikkingen verklaart de Commissie:
(de Commissie) is van mening dat de formulering van artikel 2, lid 8, onder b), voldoende duidelijk is: alle rechten, met inbegrip van de anti-dumpingrechten, dienen in mindering te worden gebracht op de wederverkoopprijs. De Commissie zou derhalve, door dit verzoek in te willigen, een inbreuk maken op de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 2, lid 8, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 en deel II, 2 b) en c), van de mededeling. In Verordening (EEG) nr. 2176/84 zijn verschillende regels vastgesteld voor het bepalen van de uitvoerprijs in verschillende situaties, naar gelang de importeur met de exporteur gelieerd is of niet. Dit kan niet als een discriminatoire maatregel worden beschouwd .
(3) - Een voorbeeld met cijfers kan wellicht duidelijker doen uitkomen, welke gevolgen het al dan niet in mindering brengen van de rechten heeft voor de vaststelling van de marge van dumping en voor het recht op terugbetaling.
De situatie is de volgende:
- normale waarde 100
- wederverkoopprijs 120
- kosten, winsten 40
- samengestelde uitvoerprijs 80 (120 - 40)
- marge van dumping 20 (100 - 80)
Vervolgens wordt verondersteld, dat de gecontroleerde importeur als gevolg van de invoering van een anti-dumpingrecht van 20, de wederverkoopprijs aan de eerste onafhankelijke koper verhoogt met het exacte bedrag van de marge van dumping van 20. De wederverkoopprijs wordt dan verhoogd van 120 naar 140.
Desondanks moet, wanneer het betaalde recht hier wordt beschouwd als tussen de invoer en de wederverkoop ontstane kosten, de importeur die de wederverkoopprijs heeft verhoogd met het bedrag van de marge van dumping, worden geacht geen einde te hebben gemaakt aan de dumping zelf. Wanneer het betaalde recht immers als factor van de kosten in mindering wordt gebracht op de wederverkoopprijs, volgt hieruit dat, ondanks de verhoging van de wederverkoopprijs, de marge van verschil tussen de normale waarde en de uitvoerprijs volkomen gelijk is gebleven.
Wanneer immers niet alleen een bedrag van 40, dat gelijk is aan de kosten en de winsten, maar ook een extra bedrag van 20, dat overeenkomt met de betaalde rechten, in mindering wordt gebracht op de nieuwe wederverkoopprijs van 140, komt de samengestelde uitvoerprijs op 80 (140 - 40 - 20) en blijft de marge van dumping dus 20 (100 - 80). Hieruit moet worden afgeleid dat, hoewel de wederverkoopprijs van 120 naar 140 is gegaan, de omvang van de dumping exact even groot blijft als tevoren en de importeur dus het tevoren opgelegde recht moet blijven voldoen.
Wat moet de geassocieerde importeur doen om een einde te maken aan de dumping en om de voldane rechten terugbetaald te krijgen? Op basis van de tot nog toe uiteengezette redenering ligt het antwoord voor de hand. De importeur moet de wederverkoopprijs verhogen met twee keer de marge van dumping en niet slechts met een keer. Wanneer de importeur de wederverkoopprijs immers van 120 naar 160, dus met twee keer de marge van dumping van 20, verhoogt, zal de samengestelde uitvoerprijs na aftrek van het anti-dumpingrecht van 20, gelijk zijn aan de normale waarde van 100 (samengestelde uitvoerprijs = 160 - 40 - 20).
Wanneer daarentegen de betaalde rechten niet worden beschouwd als kosten die in mindering moeten worden gebracht voor de bepaling van de samengestelde uitvoerprijs, zijn de uitkomsten geheel anders. Het volstaat immers dat de geassocieerde importeur de wederverkoopprijs verhoogt met slechts een keer de marge van dumping om te kunnen aannemen dat de dumping geheel is opgeheven en dat derhalve de betaalde rechten moeten worden terugbetaald. In het voorbeeld volstaat het dus dat de wederverkoopprijs van 120 naar 140 wordt verhoogd: bij een prijs van 140 wordt na aftrek van de kosten en winsten van 40 een uitvoerprijs verkregen van 100, die gelijk is aan de normale waarde.
(4) - Zoals reeds is opgemerkt, zijn partijen eenstemmig van mening - verzoeksters hebben dit ter terechtzitting nog bevestigd - dat, in geval van procedures inzake nieuw onderzoek de uitvoerprijs moet worden samengesteld door het bedrag van de betaalde anti-dumpingrechten in mindering te brengen. De reden hiervan kan beter worden uitgelegd aan de hand van een voorbeeld.
De situatie is nog steeds de volgende:
- normale waarde 100
- wederverkoopprijs 120
- kosten, winsten 40
- samengestelde uitvoerprijs 80 (120 - 40)
- marge van dumping 20 (100 - 80)
Verondersteld wordt dat een anti-dumpingrecht van 20 wordt toegepast. Verondersteld wordt voorts dat, ondanks de inning van het recht, de wederverkoopprijs van het produkt onveranderd 120 blijft. In dit geval heeft het ingestelde recht geen enkele invloed op de prijzen, hetgeen erop zou duiden, dat de dumping na de toepassing van het recht niet alleen niet is opgeheven, maar zelfs is toegenomen. Aan de reeds vóór de invoering van het recht bestaande marge van dumping, is naderhand een marge van hetzelfde bedrag toegevoegd, die gelijk is aan de financiële inspanning om het recht integraal te neutraliseren en aldus te voorkomen dat dit laatste wordt vertaald - zoals dat normaal zou zijn geweest - in een prijsverhoging.
Wanneer dit het geval is, dient de situatie opnieuw te worden onderzocht en dienen de vastgestelde maatregelen te worden gewijzigd. Er moet immers een ander recht worden toegepast, dat rekening houdt met de grotere dumpingmarge.
Voor de berekening van de samengestelde uitvoerprijs in het kader van dit nieuwe onderzoek moet rekening worden gehouden met het feit, dat de geassocieerde importeur reeds een anti-dumpingrecht draagt en tegelijkertijd dezelfde wederverkoopprijs blijft hanteren. Boekhoudkundig kan dit door het recht zelf, alsmede de andere kosten en winsten op de wederverkoopprijs in mindering te brengen. Aldus bedraagt in het hiervoor gegeven voorbeeld de nieuwe samengestelde uitvoerprijs 60 (en niet langer 80), dat wil zeggen dat hij gelijk is aan het verschil tussen de wederverkoopprijs (120 gebleven) enerzijds en het reeds gedragen anti-dumpingrecht (20) en de winsten en andere kosten (40) anderzijds.
In geval van een verlaging van de samengestelde uitvoerprijs van 80 naar 60, zal de dumpingmarge toenemen van 20 naar 40: de Gemeenschap zal het anti-dumpingrecht van 20 naar 40 kunnen verhogen, tenzij een lager recht volstaat om de schade voor de industrie in de Gemeenschap ongedaan te maken.
(5) - Dit is duidelijk wanneer de koper het recht moet betalen dat vervolgens wordt gerestitueerd, maar dit is ook het geval wanneer het recht wordt betaald door de importeur. In dat geval is er immers, volgens de Commissie, (voorlopig) sprake van een dubbele verhoging van de wederverkoopprijs. Een eenheid van deze dubbele verhoging komt overeen met de werkelijke verhoging van de wederverkoopprijs, terwijl de tweede eenheid precies gelijk is aan het bedrag van het recht, waarvan de last in feite door de koper wordt gedragen. Dit wordt vervolgens, in tweede instantie, aan hem gerestitueerd, dank zij de geassocieerde importeur die dit aan hem doorgeeft.
(6) - Natuurlijk zou de situatie anders zijn indien de importeur over een aanzienlijke invloed op de markt beschikte, in die zin dat hij de prijzen voldoende onafhankelijk van de handelwijzen van de concurrenten kan vaststellen. Maar het is duidelijk dat de onafhankelijke importeur en de geassocieerde importeur in een dergelijke, overigens in casu niet aan de orde zijnde, situatie volgens dezelfde logica zullen handelen en de tijdelijke last van de betaling van het recht aan de koper zullen willen doorberekenen (afgezien van het feit dat wanneer de importeur over invloed op de markt beschikte, dumping waarschijnlijk minder interessant zou zijn).
Top