Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 15 juni 1989. - STRAAFZAAK TEGEN FELIX LEVY EN ANDEREN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL DE PARIS - FRANKRIJK. - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - VRIJWARINGSMAATREGELEN. - ZAAK 212/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03511
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In een arrest van 6 juli 1988 heeft de cour d' appel van Parijs ( hierna : de verwijzende rechter ) krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag gesteld :
"Vormen de Franse wettelijke en administratiefrechtelijke bepalingen betreffende de invoer in Frankrijk van textielprodukten uit derde landen die in een der Lid-Staten van de EEG in het vrije verkeer zijn gebracht, op grond waarvan degenen die dergelijke goederen in Frankrijk invoeren, vooraf een invoervergunning moeten aanvragen, en waarin de gegevens zijn omschreven die in de aangiften ten invoer in Frankrijk moeten worden vermeld, een en ander onder bedreiging van de in artikel 414 van de Franse Code des douanes vermelde straffen, bij de huidige uitlegging van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking?"
Zoals blijkt uit de hierna samengevatte feitensituatie moet deze vraag als volgt worden verstaan :
Moet artikel 30 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een nationale regeling voor de invoer van textielprodukten van oorsprong uit derde landen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht, de afgifte van een invoervergunning en de vermelding van gegevens betreffende de ingevoerde goederen, met name betreffende hun oorsprong, vereist, zulks onder bedreiging met gevangenisstraf, verbeurte van goederen en boeten waarvan het bedrag verband houdt met de waarde van de goederen?
De feiten in het geschil ten gronde
2 . De verwijzende rechter geeft de volgende beschrijving van de feiten die de grondslag vormen voor het bij hem aanhangige geschil . De heren Levy en Bazini, appellanten in het geding voor de verwijzende rechter, werden in eerste aanleg door het Tribunal de Grande Instance van Parijs op 23 december 1985 veroordeeld wegens valse oorsprongsverklaringen die een verbod van invoer ontweken, overtredingen op de artikelen 426, leden 2 en 3, en 414 van het Franse douanewetboek . De opgelegde straffen waren drie maanden opsluiting met uitstel en betaling aan het bestuur van douane, de burgerlijke partij, van tweemaal 3 998 357 FF, éénmaal als verbeurdverklaring en éénmaal als boete . Deze veroordeling volgde op een reeks van 22 invoeraangiften van confectiekleren voor heren, dames en kinderen, bij het Franse douanekantoor Le Bourget ingediend tussen 8 maart 1976 en 23 mei 1977 . Deze produkten hadden een douanewaarde van 3 998 357 FF, en waren ingepakt in "hergebruikte" dozen of dozen waarop stond "Belgium ". Zij werden aangegeven als hebbende een Belgische oorsprong en herkomst . Een onderzoek in de bedrijfszetel van de onderneming Dorotex waarvan de heer Bazini enige aandeelhouder was en de heer Levy zaakvoerder, gevolgd door een verzoek om internationale wederzijdse bestuurlijke bijstand gericht tot de Belgische douane, leidden tot de vaststelling dat de bewuste goederen niet van Belgische oorsprong waren, maar daarentegen van oorsprong waren uit Zuid-Korea, Pakistan en Taiwan .
De prejudiciële vraag en de argumenten van partijen
3 . Er werden voor Uw Hof opmerkingen ingediend door de Franse regering en door de Commissie . De Franse regering komt tot het besluit dat, enerzijds, de invoer van textielprodukten met oorsprong in derde landen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer waren gebracht kon afhankelijk gesteld worden van de afgifte van een invoervergunning, en, anderzijds, dat de daders van valse invoerverklaringen konden bestraft worden met de straffen van artikel 414 van het Franse douanewetboek wanneer de onjuiste of onvolledige aangiften opzettelijk en met bedrieglijk oogmerk waren gedaan .
De Commissie komt tot een verschillend besluit . Zij meent namelijk dat er moet onderscheiden worden tussen toezicht - en vrijwaringsmaatregelen waartoe een Lid-Staat door de Commissie kan gemachtigd zijn . In het geval er enkel een machtiging bestaat tot het houden van toezicht op de handelsstromen in produkten, zou een Lid-Staat niet dezelfde sancties kunnen opleggen aan een economisch agent die verkeerde verklaringen aflegt, als wanneer een vrijwaringsmaatregel zou worden ontweken of overtreden .
Alvorens tot een eigen beoordeling over te gaan geef ik de redeneringen weer die in de opmerkingen van de Franse regering respectievelijk van de Commissie werden ontwikkeld .
4 . De Franse regering vertrekt in haar redenering van de op het ogenblik van de feiten, dit is in 1976-1977, geldende beschikking van de Commissie 71/202/EEG van 12 mei 1971, gewijzigd door beschikking 73/55/EEG van 9 maart 1973 ( 1 ), en wel op artikel 1 van die beschikking . Ik geef dit artikel hier nu weer .
"1 . De Lid-Staten worden gemachtigd de invoer van produkten van oorsprong uit derde landen, die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer worden gebracht, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat een invoerdocument wordt afgegeven, wanneer
- de invoer in de betrokken Lid-Staat van deze produkten, die rechtstreeks van herkomst zijn uit het betrokken derde land, overeenkomstig het Verdrag onderworpen is aan kwantitatieve beperkingen of aan een vrijwillige beperking, welke door het betrokken derde land op grond van een handelsakkoord met de betrokken Lid-Staat wordt toegepast, en indien
- voor verlegging van het handelsverkeer moet worden gevreesd in verband met de dispariteiten tussen deze maatregelen en de handelspolitieke maatregelen welke in de andere Lid-Staten worden toegepast .
2 . De Lid-Staat kan van de aanvrager van het invoerdocument eisen dat hij de nodige gegevens verstrekt, zoals de omschrijving van het produkt, de oorsprong, de prijs, de hoeveelheid of de waarde van het in te voeren produkt en gegevens over het in het vrije verkeer brengen van het produkt in een andere Lid-Staat .
3 . Het invoerdocument moet zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen acht werkdagen na de indiening van het verzoek door de betrokkene worden afgegeven ."
Volgens de Franse regering volgt uit dit artikel 1 dat op het moment van de feiten een Lid-Staat de invoer van goederen van oorsprong uit derde landen maar in het vrij verkeer gebracht in een andere Lid-Staat kon onderwerpen aan het vereiste van afgifte van een invoervergunning, mits de rechtstreekse invoer van die produkten uit de betrokken derde landen in overeenstemming met het Verdrag, in de eerste Lid-Staat onderworpen was aan kwantitatieve beperkingen of aan een op een handelsakkoord gebaseerde vrijwillige beperking .
Wat betreft de in de tweede zinsnede van de vorige zin bedoelde voorwaarde wijst de Franse regering erop dat de onderhavige confectieprodukten niet op de bijlage I van verordening ( EEG ) nr . 1439/74 van de Raad van 4 juli 1974 ( 2 ) vermeld staan, en dat zij vallen onder het Multivezelakkoord gesloten tussen de Gemeenschap en bepaalde lage-loonlanden . Onder die voorwaarden zouden invoervergunningen kunnen geëist worden .
Vervolgens behandelt de Franse regering de vraag van de evenredigheid van de straffen van artikel 414 van de Franse Codes des douanes toepasselijk op douanemisdrijven omschreven in artikel 426, leden 2 en 3, van hetzelfde wetboek . ( 3 ) De Franse regering verwerpt de stellingname die door Levy voor de verwijzende rechter verdedigd werd, dat de weglatingen of onjuistheden in onderhavig geval slechts douaneovertredingen zijn in de zin van artikel 410 van hetzelfde Franse douanewetboek en dus slechts de forfaitaire boetes van dat artikel kunnen opleveren . ( 4 ) De Franse regering verwijst ter ondersteuning van haar opvatting naar Uw arrest van 15 december 1976 in de zaak 41/76, Donckerwolcke ( 5 ). Met name zegt de Franse regering dat in onderhavig geval een bedrieglijk oogmerk, en met andere woorden geen goede trouw, aanwezig waren, zodanig dat het onevenredig zou zijn de lichtere forfaitaire straffen van artikel 410 toe te passen, die uitsluitend zouden bedoeld zijn voor vergissingen die volledig te goeder trouw worden begaan . In een geval als het onderhavige zou volgens de Franse regering het toepassen van de zwaardere sancties van artikel 414, in casu een gevangenisstraf met uitstel en een boete gelijk aan tweemaal de douanewaarde, volledig verantwoord zijn .
5 . De Commissie ontwikkelt de volgende redenering . Zij vertrekt van Uw arrest van 15 december 1971 in de zaken 51 tot en met 54/71, International Fruit Company, waar gesteld werd dat voor het intracommunautair handelsverkeer zelfs een louter formeel vereiste van in - en uitvoervergunningen uitgesloten is ( 6 ). Dit beginsel wordt verbonden met artikel 9, lid 2, van het Verdrag, zoals Uw Hof ook erkende in het arrest van 15 december 1976, in de zaak 41/76, Donckerwolcke ( 7 ).
De enige uitzondering op het hiervoor weergegeven beginsel zou bestaan krachtens machtiging door de Commissie . Hier verwijst de Commissie naar dezelfde beschikking van 12 mei 1971, 71/202/EEG, waarnaar ook de Franse regering verwees . De Commissie maakt echter een scherp onderscheid tussen twee situaties, enerzijds het toezicht op het intracommunautair handelsverkeer waartoe de Lid-Staten krachtens artikel 1 van die beschikking in het algemeen zouden gemachtigd zijn, en anderzijds de vrijwaringsmaatregelen die een Lid-Staat slechts op grond van een uitdrukkelijke, specifieke machtiging van de Commissie zou kunnen toepassen .
De juridische situatie zou volgens de Commissie sterk verschillen afhankelijk van de vraag of men met toezicht dan wel met vrijwaringsmaatregelen te doen heeft . In het kader van het toezicht zou een Lid-Staat, zoals beschreven staat in artikel 1 van de genoemde beschikking, "invoerdocumenten" kunnen vragen waarin de oorsprong van de goederen wordt weergegeven zoals die aan de invoerder bekend is; eventuele sancties op een verkeerde vermelding zouden in elk geval niet even hoog mogen zijn als sancties die worden opgelegd bij "verboden invoer"; met name zou het soort verbeurte-sancties als in onderhavig geval toegepast op grond van artikel 414 van het Franse douanewetboek onevenredig zijn en derhalve onverenigbaar met het Verdrag . Hiervoor steunt de Commissie zich voornamelijk op rechtsoverwegingen 36 tot en met 38 van Uw arrest Donckerwolcke .
In het geval dat door de Commissie met betrekking tot de bedoelde goederen een machtiging verleend zou zijn om vrijwaringsmaatregelen te nemen, dit wil zeggen om de bewuste goederen van het vrij intracommunautair verkeer uit te sluiten, lijkt de Commissie te suggereren dat een strenge strafsanctie van het soort dat in onderhavig geval in artikel 414 van het Franse douanewetboek werd toegepast, toelaatbaar zou zijn .
Eigen beoordeling
6 . Bij het beoordelen van de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vraag moet mijns inziens uitgegaan worden van het fundamenteel beginsel vervat in artikel 9, lid 2, juncto artikel 30, van het EEG-Verdrag ( 8 ). Dit betekent meteen dat eventuele uitzonderingen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, dat evenzeer geldt voor in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer gebrachte goederen als voor in de Gemeenschap zelf geproduceerde goederen, strikt moeten geïnterpreteerd worden ( 9 ).
Om deze reden moet mijns inziens in elk geval akkoord gegaan worden met het onderscheid dat in de opmerkingen van de Commissie wordt gemaakt tussen enerzijds de hypothese van machtiging van de Commissie om vrijwaringsmaatregelen te nemen, dit is een door de Commissie op grond van artikel 115, lid 1, van het Verdrag toegestane afwijkende regeling van het vrije goederenverkeer, en anderzijds, de hypothese van een met het oog op het eventueel aanvragen van zulke machtiging uitgeoefend toezicht op de handelsstromen binnen de Gemeenschap .
In wat nu volgt zal ik bijgevolg twee situaties onderscheiden : de situatie waarin het voor de onderhavige goederen op het moment van de invoer in Frankrijk aan deze Lid-Staat was toegestaan van het beginsel van vrij goederenverkeer af te wijken, en anderzijds de situatie waarin dat voor de onderhavige goederen niet het geval was . Om na te gaan welke hypothese geldt, zal de verwijzende rechter dienen na te gaan of er voor de concrete goederen van oorsprong uit een welbepaald derde land gedurende de bewuste periode een machtiging door de Commissie ex artikel 115 tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen voorhanden was . Van de door de Commissie in haar opmerkingen vermelde machtigingen lijken er drie in aanmerking te komen om eventueel toepasselijk geweest te zijn op de betrokken goederen, weze het gedurende beperkte periodes en uitsluitend voor goederen van oorsprong uit Zuid-Korea ( 10 ).
7 . Ik bekijk eerst de hypothese waarin voor de onderhavige goederen door de Commissie een machtiging zou zijn verleend om van het beginsel van vrij goederenverkeer af te wijken, waarbij ik de vragen buiten beschouwing laat die Uw Hof reeds met betrekking tot de motivering en de geldigheid van dergelijke machtigingen ex artikel 115 heeft beantwoord ( 11 ) en die trouwens door de verwijzende rechter niet worden opgeworpen .
In een dergelijke situatie is het de Lid-Staat toegestaan goederen uit het in de machtiging genoemde land van oorsprong, van het vrij verkeer uit te sluiten en ze buiten zijn grondgebied te houden voor de duur van, en onder de voorwaarden bepaald in, de machtigingsbeschikking van de Commissie . Tot uitvoering daarvan is het vereisen van een invoervergunning verantwoord . In dat geval is het ook begrijpelijk dat de importeurs de juiste oorsprong van de ingevoerde waren dienen te vermelden, en dat niet-nakoming van deze verplichting als een ernstige overtreding kan worden beschouwd; strenge straffen om naleving af te dwingen, zijn dan ook aanvaardbaar . ( 12 )
Toegepast op de onderhavige rechtsvraag lijkt het in overeenstemming met de vroegere rechtspraak van Uw Hof en met de beginselen van het Verdrag, dat in een situatie als de in dit punt beschrevene een Lid-Staat strenge straffen, van het soort als voorzien in artikel 414 van het Franse douanewetboek, toepast .
8 . Nu wil ik ingaan op de situatie waarin door de Commissie geen ( geldige ) machtiging is verleend om vrijwaringsmaatregelen te nemen, dat is om de onderhavige goederen van het vrij goederenverkeer uit te sluiten . In een dergelijke situatie kan het aan een Lid-Staat ten hoogste worden toegestaan zijn toezicht uit te oefenen op het verloop van het intracommunautair handelsverkeer .
Hier moeten twee vragen beantwoord worden : kon een Lid-Staat op het moment van de feiten het vereiste van een invoerdocument ex artikel 1, lid 1, van beschikking 71/202/EEG, zoals in 1973 gewijzigd, stellen, en, ten tweede, kon een Lid-Staat aan het verkeerd beantwoorden van de met het oog op de afgifte van dit invoerdocument gestelde vraag naar de oorsprong van de goederen sancties verbinden zoals degene die in het nationaal douanerecht zijn voorzien voor "verboden invoer"?
9 . De eerste vraag betreft dus de mogelijkheid voor de betrokken Lid-Staat om, op het moment van de feiten, in het algemeen, dat is zonder specificatie van de goederen, een invoerdocument te eisen als voorwaarde voor invoer vanuit een andere Lid-Staat en als voorwaarde voor de afgifte van dit invoerdocument te eisen dat de nodige gegevens zoals de oorsprong van het in te voeren goed zouden worden verstrekt . Een dergelijke mogelijkheid steunt zoals gezegd op artikel 1, lid 1, van beschikking 71/202/EEG ( voor de tekst daarvan, zie nummer 4 ) ( 13 ), waar de Lid-Staten in het algemeen gemachtigd worden om met het oog op het toezicht op de intracommunautaire handelsstromen, onder bepaalde voorwaarden ( voor goederen die in het buitenverkeer aan beperkingen onderworpen zijn en waarvoor verlegging van handelsverkeer te vrezen valt ), een invoerdocument te eisen .
Op grond van Uw arrest Donckerwolcke, en de conclusie van advocaat-generaal Capotorti, is twijfel toegelaten omtrent de verenigbaarheid met het Verdrag van het genoemde artikel 1 van de beschikking . ( 14 ) De beschikking werd overigens, na datum van onderhavige feiten, vervangen door beschikking 80/47/EEG waardoor belangrijke wijzigingen werden aangebracht onder meer om rekening te houden met de rechtspraak van het Hof . ( 15 ) Voor zover de mogelijke onverenigbaarheid van artikel 1 van beschikking 71/202/EEG met het Verdrag betrekking heeft op de erin vervatte mogelijkheid voor de Lid-Staten om zonder specifieke machtiging van de Commissie de invoer van goederen gedurende maximum acht dagen tegen te houden, is deze vraag in het onderhavige geschil niet echt aan de orde . Gelet op de feitelijke situatie is het wezenlijke aspect waaronder genoemd artikel 1 hier in het geding staat, de verplichting om, bij gelegenheid van die invoer, de oorsprong van het produkt aan te geven . Welnu, uit de rechtspraak van Uw Hof ( 16 ) blijkt dat de Lid-Staten ook met betrekking tot goederen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer zijn gebracht en door een communautair verkeerscertificaat zijn gedekt, de importeur wel degelijk kunnen verplichten de eerste oorsprong der goederen te vermelden . De Lid-Staten kunnen van de importeur echter niet meer vergen dan vermelding van de oorsprong van de produkten, voor zover deze hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn ( zie de hierna in nummer 10 geciteerde r.o . 35 uit het arrest Donckerwolcke ). Binnen de grenzen van laatstgenoemde beperking en met inachtneming van het hierna gegeven antwoord op de tweede vraag kunnen zij het niet-nakomen van een door hen opgelegde vermeldingsplicht dan ook sanctioneren .
10 . Het antwoord op de hiervoor in nummer 8 genoemde tweede vraag betreffende de hoogte van de door een Lid-Staat voorziene sancties is duidelijk negatief . De rechtspraak van Uw Hof, en in het bijzonder rechtsoverwegingen 35 tot en met 38 van Uw arrest Donckerwolcke, zoals later bevestigd ( 17 ), is zonder meer duidelijk .
De bedoelde rechtoverwegingen luiden als volgt :
"( r.o . 35 ) dat evenwel de Lid-Staten van de importeur niet meer kunnen vergen dan vermelding van de oorsprong van de produkten, voor zover deze hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn;
( r.o . 36 ) dat voorts niet-nakoming door de importeur van zijn verplichting om de eerste oorsprong van een waar te vermelden, niet mag leiden tot toepassing van straffen die onevenredig zijn met de ernst van zo een zuiver administratieve overtreding;
( r.o . 37 ) dat verbeurdverklaring van de goederen of oplegging van een boete waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde der goederen, stellig onverenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag, aangezien dat zou neerkomen op belemmering van het vrije goederenverkeer;
( r.o . 38 ) dat in het algemeen iedere administratieve of strafrechtelijke maatregel die verder gaat dan voor de invoerende Lid-Staat strikt noodzakelijk is tot verkrijging van redelijk volledige en juiste gegevens betreffende goederenbewegingen waarvoor bijzondere handelspolitieke maatregelen gelden, moet worden beschouwd als een bij het Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking ".
Op grond van deze duidelijke rechtspraak kan er geen twijfel over bestaan dat het Verdrag in de weg staat aan de toepassing in het intracommunautair verkeer van een onevenredig hoge strafsanctie - of het nu een vrijheidsstraf of een verbeurdverklaring is dan wel een boete waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde der goederen - ter afdwinging van een zuiver administratieve verplichting . En daarover gaat het in de onderhavige hypothese : namelijk over een verplichting om, met het oog op het houden van toezicht op intracommunautaire goederenbewegingen, de eerste oorsprong te vermelden van goederen die zich in het vrij verkeer bevinden, met andere woorden van goederen waarvoor de Commissie geen geldige machtiging tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen maar slechts een machtiging tot het houden van toezicht heeft verleend .
11 . Wat voorafgaat doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de Lid-Staten om, bij de sanctionering van zuiver administratieve douaneovertredingen, te differentiëren naar gelang van de subjectieve intentie van de invoerder . Het gemeenschapsrecht bevat daaromtrent geen aanwijzingen, voor zover de Lid-Staten maar geen onevenredig hoge strafsancties ( zoals degene in het vorige nummer vermeld ) toepassen die bestemd zijn om ernstige douaneovertredingen te sanctioneren .
Het in het voorgaande nummer gestelde doet evenmin afbreuk aan de mogelijkheid voor de Lid-Staten om, binnen de perken van het evenredigheidsbeginsel, valse oorsprongsvermeldingen op produkten die aan de consumenten worden aangeboden, te verbieden en te bestraffen ( 18 ). Maar daarover gaat het niet in de door de verwijzende rechter voorgelegde vraag, die immers een valse vermelding van oorsprong betreft welke door een invoerder tegenover de douaneautoriteiten wordt afgelegd .
Besluit
12 . Op grond van het voorgaande stel ik Uw Hof voor de door de verwijzende rechter gestelde vraag als volgt te beantwoorden :
"Met betrekking tot goederen waarvoor in de onderzochte periode een specifieke machtiging was verleend door de Commissie om af te wijken van het vrije goederenverkeer, stond het een Lid-Staat vrij de invoer van die goederen, binnen de toepassingsgrenzen en onder de voorwaarden voorzien in de specifieke machtiging van de Commissie, tegen te houden, hoewel zij reeds in een andere Lid-Staat in het vrij verkeer gebracht waren . Verkeerde vermeldingen van de oorsprong van die goederen konden in die hypothese gesanctioneerd worden met zware sancties, zoals verbeurdverklaring van de goederen en/of gelijkwaardige boeten .
Met betrekking tot goederen waarvoor een specifieke machtiging van de Commissie tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen niet voorhanden was en waarvoor slechts een machtiging tot het houden van toezicht bestond, kon een Lid-Staat het verkeerd opgeven van een door de Lid-Staat gevraagde vermelding van de oorsprong van zulke, in andere Lid-Staten in het vrij verkeer gebrachte goederen niet sanctioneren met onevenredig hoge straffen, gelijk of vergelijkbaar met de in de vorige alinea bedoelde; een dergelijke oorsprongvermelding was immers enkel bedoeld om de Lid-Staat in staat te stellen de intracommunautaire handelsstromen te observeren ."
(*) Oorspronkelijke taal : Nederlands .
( 1 ) Gepubliceerd in PB 1971, L 121, blz . 26 en PB 1973, L 80, blz . 22 respectievelijk .
( 2 ) Inzake de gemeenschappelijke regeling voor de invoer; PB 1974, L 159, blz . 1 . De bedoelde eerste bijlage draagt de titel "Gemeenschappelijke Liberalisatielijst ".
( 3 ) In artikel 414, eerste lid worden onder meer een gevangenisstraf van maximum drie maanden, de verbeurte van het voorwerp van de ontduiking en een boete van één tot twee maal de waarde van het voorwerp verbonden aan elke smokkel alsmede elke in - of uitvoer zonder aangifte wanneer deze overtredingen betrekking hebben op goederen die verboden of zwaar belast zijn in de zin van het wetboek .
Wat als in - of uitvoer zonder aangifte van verboden goederen wordt verstaan wordt onder meer bepaald in artikel 426 . Het lid 2 noemt elke valse verklaring die als strekking of als resultaat heeft het ontwijken van de toepassing van verbodsmaatregelen (" prohibitions "). Het lid 3 vernoemt valse verklaringen met betrekking tot de soort, de waarde, de oorsprong, de ware bestemmeling of de ware afzender van de goederen, wanneer deze overtredingen begaan worden met behulp van valse, onjuiste, onvolledige of niet-toepasselijke documenten .
Volgens artikel 38, eerste lid, worden als verboden beschouwd alle goederen waarvan de in - of uitvoer om welke reden ook verboden is, of onderworpen aan ( onder meer ) beperkingen of kwaliteitsregels . In artikel 38, tweede lid, wordt bepaald dat wanneer in - of uitvoer slechts toegelaten is na overlegging van een toelating, vergunning, certificaat enz . het goed verboden is wanneer het niet vergezeld gaat van een regelmatig document of wanneer het wordt voorgesteld onder dekking van een niet-toepasselijk document .
( 4 ) Artikel 410 voorziet in een boete van 2 000 tot 20 000 FF voor elke onregelmatigheid die niet elders in het wetboek strenger wordt bestraft, en in het bijzonder voor elke weglating of onjuistheid met betrekking tot aanduidingen die de aangifte moet bevatten, wanneer de onregelmatigheid geen enkele invloed heeft op de toepassing van de rechten of van de verbodsmaatregelen (" prohibitions ").
( 5 ) Jurispr . 1976, blz . 1921 . De Franse regering verwijst in het bijzonder naar rechtsoverweging 35 .
( 6 ) Jurispr . 1971, blz . 1107, r.o . 9 .
( 7 ) Jurispr . 1976, blz . 1921, r.o . 21 .
( 8 ) Zie r.o . 17 en 18 van Uw in voetnoot 5 geciteerde arrest Donckerwolcke .
( 9 ) Zie r.o . 29 van Uw arrest in de zaak Donckerwolcke . Zie tevoren reeds Uw arresten van 23 november 1971, zaak 62/70, Bock, Jurispr . 1971, blz . 897, r.o . 14, en van 8 april 1976, zaak 29/75, Kaufhof, Jurispr . 1976, blz . 431, r.o . 5 .
( 10 ) Het zijn de beschikkingen van 9 september 1976, 76/839/EEG, PB 1976, L 304, blz . 29, van 30 maart 1977, 77/762/EEG, PB 1977, L 314, blz . 33, en van 27 mei 1977, 77/482/EEG, PB 1977, L 198, blz . 30 . De beschikkingen van 10 november 1976, 76/926/EEG, PB 1976, L 364, blz . 8, en van 3 maart 1977, 77/362/EEG, PB 1977, L 138, blz . 29 betreffen tariefposten van goederen die naar blijkt uit de opmerkingen van de Franse regering niet in de bewuste dozen voorkwamen .
( 11 ) Zie het arrest van 8 april 1976 in de zaak 29/75, Kaufhof, Jurispr . 1976, blz . 443, r.o . 6, resp . de arresten van 5 maart 1986 in de zaken 59/84 en 242/84, Tezi I en II, Jurispr . 1986, blz . 916 en 933, r.o . 43 en 51-52 .
( 12 ) Zie de conclusie van de heer Capotorti in de zaak Donckerwolcke, Jurispr . 1976, op blz . 1945, tweede kolom .
( 13 ) Door beschikking 80/47/EEG van de Commissie van 20 december 1979, PB 1980, L 16, blz . 14, werd deze beschikking grondig gewijzigd . Zie hierna voetnoot 15 .
( 14 ) Jurispr . 1976, blz . 1921, 1948 en 1949, hernomen door advocaat-generaal Warner in de zaak 52/77, Cayrol/Rivoira, Jurispr . 1977, blz . 2261 en 2290 . Zie terzake Weber, A .: "Die Bedeutung des Art . 115 EWGV fuer die Freiheit des Warenverkehrs", EuropaRecht 1979, blz . 30 en volgende, 40 en 41; Kretschmer, H .: "Beschraenkungen des innergemeinschaftlichen Warenverkehrs nach der Kommissionsentscheidung 80/47/EWG", EuropaRecht 1981, blz . 63 en volgende, 73 .
( 15 ) Beschikking 80/47/EEG van 20 december 1979, PB 1980, L 16, blz . 14, bracht op drie punten belangrijke wijzigingen aan . Ten eerste werd intracommunautair toezicht nog slechts mogelijk na specifieke machtiging door de Commissie ( artikel 2 ). Ten tweede werd aangeduid in welke specifieke hypothesen een bewijs van oorsprong kon worden gevraagd ( artikel 4 ). Ten derde werden de mogelijkheden beperkt om de afgifte van invoerdocumenten enkele dagen meer uit te stellen terwijl de aanvraag van een machtiging tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen hangende is bij de Commissie ( artikel 3, lid 4 ). Op 22 juli 1987 werd door de Commissie een nieuwe beschikking 87/433/EEG, PB 1987, L 238, blz . 26, vastgesteld waardoor opnieuw aanpassingen werden doorgevoerd, mede geïnspireerd door de hiervoor in voetnoot 11 geciteerde arresten Tezi .
( 16 ) Uw hiervoor in voetnoot 5 geciteerde arrest Donckerwolcke, r.o . 33 tot en met 35, alsmede Uw arrest van 30 november 1977, zaak 52/77, Cayrol/Rivoira, Jurispr . 1977, blz . 2261, r.o . 34 tot en met 36 en dat van 28 maart 1979, zaak 179/78, Rivoira, Jurispr . 1979, blz . 1147, r.o . 16-17 .
( 17 ) Zie ook Uw in voetnoot 16 geciteerde arrest in de zaak 52/77, Cayrol/Rivoira, r.o . 34 tot en met 39 en van 28 maart 1979 in de zaak 179/78, Rivoira, blz . 1147, r.o . 18 .
( 18 ) Zie Uw arrest van 25 april 1985, Commissie/Verenigd Koninkrijk, zaak 207/83, Jurispr . 1985, blz . 1201, r.o . 21 .
Top