Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 16 NOVEMBER 1989. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - LANDBOUW - ONGEWENSTE STOFFEN EN PRODUKTEN IN DIERVOEDING - RECHTSGRONDSLAG. - ZAAK 11/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03799
Pub.RJ bladzijde Pub somm
Samenvatting
Partijen
Dictum
++++
Landbouw - Harmonisatie van wetgevingen - Rechtsgrondslag
( EEG-Verdrag, artikelen 38, lid 2, 39, 43 en 100; richtlijn 87/519 van de Raad )
SamenvattingIn het kader van het stelsel van bevoegdheden van de Gemeenschap moet de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling berusten op objectieve gegevens, die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn ( zie arrest van 26 maart 1987, zaak 45/86, Commissie/Raad, Jurispr . 1987, blz . 1493 ).
Artikel 43 EEG-Verdrag is de geschikte rechtsgrondslag voor elke regeling betreffende de produktie en het in de handel brengen van de in bijlage II bij het Verdrag genoemde landbouwprodukten, die bijdraagt tot de verwezenlijking van één of meer van de in artikel 39 EEG-Verdrag genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid . Ook indien dergelijke regelingen niet enkel gericht zijn op landbouwpolitieke doelstellingen, maar ook op andere die, bij gebreke van een specifieke bepaling, langs de weg van artikel 100 van het Verdrag kunnen worden nagestreefd, kunnen zij een harmonisatie van de nationale bepalingen op dit gebied inhouden, zonder dat daartoe naar laatstgenoemd artikel behoeft te worden verwezen . Wegens de voorrang die artikel 38, lid 2, van het Verdrag aan de specifieke bepalingen op landbouwgebied toekent boven de algemene bepalingen betreffende de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt, kan aan artikel 100 geen argument worden ontleend om de werkingssfeer van artikel 43 te beperken ( zie arresten van 23 februari 1988, zaak 68/86 en zaak 131/86, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr . 1988, blz . 855 en 905 ).
Richtlijn 87/519 houdende wijziging van richtlijn 74/63 inzake ongewenste stoffen en produkten in diervoeding, moge op bijkomstige wijze ook betrekking hebben op bepaalde niet in bijlage II genoemde produkten, maar betreft voornamelijk produkten die daar wel in worden genoemd, en levert bovendien een bijdrage tot de stijging van de produktiviteit in de landbouw, een doelstelling die wordt genoemd in artikel 39, lid 1, sub a, EEG-Verdrag . Zij moest derhalve door de Raad uitsluitend op de grondslag van artikel 43 worden vastgesteld . Nu dit niet is gebeurd, moet zij nietig worden verklaard .
Partijenin zaak C-11/88,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A . Brautigam en M . Sims, respectievelijk hoofdadministrateur en administrateur bij zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van richtlijn 87/519/EEG van de Raad van 19 oktober 1987 houdende wijziging van richtlijn 74/63/EEG inzake ongewenste stoffen en produkten in diervoeding ( PB 1987, L 304, blz . 38 ).
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn en F . A . Schockweiler, kamerpresidenten, G . F . Mancini, R . Joliet, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en F . Grévisse, rechters,
( rechtsoverwegingen niet opgenomen )
rechtdoende :
Dictum1 ) Verklaart nietig richtlijn 87/519 van de Raad van 19 oktober 1987 houdende wijziging van richtlijn 74/63 inzake ongewenste stoffen en produkten in diervoeding .
2 ) Verwijst de Raad in de kosten .
Top