Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 30 MEI 1989. - S. A. ROQUETTE FRERES TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - NIET-CONTRACTUELE AANSPRAKELIJKHEID - ONVERSCHULDIGD BETAALDE MONETAIR COMPENSERENDE BEDRAGEN. - ZAAK 20/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 01553
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Beroep tot schadevergoeding - Verjaring - Ambtshalve onderzoek - Uitsluiting
( EEG-Verdrag, artikelen 178 en 215, tweede alinea; Statuut van het Hof van Justitie, artikel 43 )
2 . Beroep tot schadevergoeding - Zelfstandig karakter - Uitputting van nationale rechtsmiddelen - Uitzondering - Onmogelijkheid vergoeding voor nationale rechter te verkrijgen
( EEG-Verdrag, artikelen 178 en 215, tweede alinea )
3 . Niet-contractuele aansprakelijkheid - Schade - Vergoedbare schade - Schade overeenkomende met betaling van op basis van ongeldigverklaarde verordening geheven monetair compenserende bedragen - Heffing onaantastbaar geworden door arrest van het Hof - Uitsluiting
( EEG-Verdrag, artikelen 174, tweede alinea, en 215, tweede alinea )
4 . Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden - Normatieve handeling die beleidskeuzen op economisch gebied impliceert - Voldoende gekwalificeerde schending van hogere rechtsregel - Technische fout - Geen aansprakelijkheid
( EEG-Verdrag, artikel 215, tweede alinea )
Samenvatting1 . Ingevolge artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, wordt de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap beheerst door de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de Lid-Staten gemeen hebben . Uit een rechtsvergelijkend onderzoek van die stelsels blijkt dat, enkele uitzonderingen daargelaten, de rechter het middel van verjaring in de regel niet ambtshalve kan opwerpen . Hieruit volgt, dat het Hof, in het kader van een beroep tot schadevergoeding krachtens artikel 178 van het Verdrag, het probleem van de eventuele verjaring krachtens artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG niet ambtshalve behoeft te onderzoeken, wanneer de verweerder dit middel niet heeft opgeworpen .
2 . De in de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag voorziene schadevordering is een zelfstandige beroepsweg met een eigen functie in het stelsel van de beroepsmogelijkheden . Weliswaar kan de ontvankelijkheid ervan in bepaalde gevallen afhankelijk zijn van de vraag, of de nationale rechtsmiddelen waarmee van de nationale instanties voldoening kan worden verkregen, zijn uitgeput, doch daarbij is ook van belang, of die nationale rechtsmiddelen een doeltreffende bescherming waarborgen van de particulieren die zich door handelingen van de gemeenschapsinstellingen gelaedeerd achten . Dat laatste is niet het geval, wanneer de terugbetaling door de nationale autoriteiten van de mcb' s die zijn geheven op basis van een door een arrest van het Hof ongeldig verklaarde gemeenschapsverordening, door dat arrest is uitgesloten .
3 . Wanneer het Hof, toen het een verordening ongeldig verklaarde, op basis waarvan mcb' s zijn geheven, gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag verleende bevoegdheid, en heeft beslist dat die heffing niet kan worden betwist, kan een ondernemer geen vergoeding vorderen van de schade overeenkomende met de uit hoofde van die heffing betaalde som, en zulks ongeacht de grondslag van de vordering .
4 . De Gemeenschap kan wegens een normatieve handeling die beleidskeuzen impliceert, slechts aansprakelijk worden gesteld in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel . In een normatief kader dat wordt gekenmerkt door de uitoefening van een voor de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onontbeerlijke ruime discretionaire bevoegdheid, kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld, indien de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheden klaarblijkelijk en ernstig heeft miskend . Dat is niet het geval wanneer de vaststelling van de mcb' s met de basisregeling ter zake in strijd is als gevolg van een technische fout, zelfs wanneer zij objectief beschouwd tot ongelijke behandeling van een aantal ondernemers in landen met een zwakke valuta heeft geleid .
PartijenIn zaak 20/88,
SA Roquette frères, te Restrem ( Frankrijk ), vertegenwoordigd door M . Veroone, advocaat te Rijsel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L . Schiltz, advocaat aldaar, 83, boulevard Grande-Duchesse Charlotte,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-Cl . Séché als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot schadevergoeding krachtens artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag op grond van de vaststelling, door het Hof van Justitie, van de ongeldigheid van sommige bepalingen van verordening nr . 652/76 van de Commissie van 24 maart 1976 houdende wijziging van de monetaire compenserende bedragen naar aanleiding van de ontwikkeling van de wisselkoersen van de Franse frank ( PB 1976, L 79, blz . 4 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, T . Koopmans en F . Grévisse, kamerpresidenten, G . F . Mancini, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler, J . C . Moitinho de Almeida, M . Diez de Velasco en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : D . Louterman, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 17 januari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 maart 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 januari 1988, heeft de vennootschap Roquette frères ( hierna : verzoekster ), te Lestrem ( Frankrijk ), krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot toekenning van een bedrag van 10 miljoen ECU, vermeerderd met de vertragingsrente, ter vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de vaststelling door de Commissie van nadien door het Hof ongeldig verklaarde monetaire compenserende bedragen ( hierna : mcb' s ).
2 Verzoekster meent, dat de vaststelling van mcb' s voor sommige zetmeelprodukten door de Commissie volgens berekeningsmethodes die bij het arrest van 15 oktober 1980 ( zaak 145/79, Roquette frères, Jurispr . 1980, blz . 2917 ) onwettig zijn verklaard, tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap heeft geleid .
a ) De antecedenten van het geding
3 Bij arrest van 15 oktober 1980 heeft het Hof verordening nr . 652/76 van de Commissie van 24 maart 1976 houdende wijziging van de monetaire compenserende bedragen naar aanleiding van de ontwikkeling van de wisselkoersen van de Franse frank ( PB 1976, L 79, blz . 4 ), ongeldig verklaard :
- voor zover daarbij de compenserende bedragen voor maiszetmeel zijn vastgesteld op een andere grondslag dan die van de interventieprijs van mais, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel;
- voor zover daarbij de compenserende bedragen voor tarwezetmeel zijn vastgesteld op een andere grondslag dan die van de referentieprijs van tarwe, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel;
- voor zover daarbij de compenserende bedragen voor de verschillende, bij de verwerking van een bepaalde hoeveelheid van een zelfde basisprodukt, zoals mais of tarwe, in een bepaalde produktieketen verkregen produkten, zijn vastgesteld op een aanzienlijk hoger niveau dan het compenserende bedrag voor die bepaalde hoeveelheid van het basisprodukt;
- voor zover daarbij compenserende bedragen voor aardappelzetmeel zijn vastgesteld die hoger zijn dan die voor maiszetmeel .
4 In dat arrest werd tevens vastgesteld, dat die ongeldigheid de ongeldigheid meebracht van de bepalingen van de latere verordeningen van de Commissie houdende wijziging van de mcb' s voor de produkten waarop de ongeldigverklaring betrekking had .
5 Voorts besliste het Hof op grond van artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat voor wat betreft het vóór de datum van het arrest gelegen tijdvak, door de erkenning van de ongeldigheid van de betrokken bepalingen niet de weg werd geopend voor betwisting van een op grond van die bepalingen verrichte heffing of toekenning van mcb' s door de nationale autoriteiten .
6 Het arrest werd gewezen op een prejudiciële verwijzing van het tribunal d' instance te Rijsel, waarbij verzoekster een vordering had ingesteld tegen de Franse Staat, ten einde terugbetaling te verkrijgen van door de douane vanaf 25 maart 1976 ( datum van inwerkingtreding van verordening nr . 652/76 ) te veel geïnde mcb' s . Na het prejudiciële arrest wees het tribunal d' instance verzoeksters vordering toe, daar het van oordeel was dat het Hof, gelet op de bewoordingen van de gestelde prejudiciële vragen, niet bevoegd was de gevolgen van de ongeldig verklaarde verordening aan te wijzen die als gehandhaafd moesten worden beschouwd .
7 Het vonnis van het tribunal d' instance werd in beroep bevestigd door de cour d' appel te Douai, doch het arrest van de cour d' appel werd in cassatie vernietigd . De cour de cassation was namelijk van oordeel, dat alleen het Hof van Justitie bevoegd was de gevolgen van de ongeldigheid van de betrokken verordeningen in de tijd te beperken, en dat de cour d' appel niet de juiste gevolgen had verbonden aan het arrest van 15 oktober 1980 . Na verwijzing vernietigde de cour d' appel te Amiens bij arrest van 1 juni 1987 het vonnis van het tribunal d' instance te Rijsel en wees zij verzoeksters vordering af .
8 Met het onderhavige beroep wil verzoekster van de Gemeenschap vergoeding verkrijgen van de schade die zij stelt te hebben geleden door de toepassing te haren aanzien van ongeldige bepalingen . Deze schade bestaat volgens haar uit twee verschillende elementen . Enerzijds zou zij aanzienlijke schade hebben geleden doordat zij aan de nationale autoriteiten mcb' s had moeten betalen op basis van nadien ongeldig verklaarde gemeenschapsbepalingen . Anderzijds zou zij winst hebben gederfd doordat zij, als gevolg van de te hoge mcb' s, in een nadelige positie was geplaatst ten opzichte van haar concurrenten, met name die in Lid-Staten met een sterke valuta .
9 De Commissie betoogt, dat het beroep misbruik van procedure vormt, aangezien verzoekster door middel van een schadevordering terugbetaling tracht te verkrijgen van de bedragen die zij niet heeft teruggekregen via een voor de Franse rechterlijke instanties ingestelde actie uit onverschuldigde betaling . Bovendien is volgens de Commissie in casu niet voldaan aan de in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wegens een onwettige normatieve handeling . Ten slotte betwist zij de gestelde schade, aangezien verzoekster ook voordeel heeft kunnen hebben van de hoge mcb' s, in het bijzonder bij de export van haar produkten naar landen met een zwakke valuta .
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
b ) De ontvankelijkheid
11 Volgens artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG verjaren vorderingen tegen de Gemeenschap inzake niet-contractuele aansprakelijkheid vijf jaar na het feit dat tot de vordering aanleiding heeft gegeven . In casu heeft verweerster de verjaring van verzoeksters vordering niet opgeworpen .
12 Ingevolge artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, wordt de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid beheerst door de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de Lid-Staten gemeen hebben . Uit een rechtsvergelijkend onderzoek van die stelsels blijkt dat, enkele uitzonderingen daargelaten, de rechter het middel van verjaring in de regel niet ambtshalve kan opwerpen .
13 Bijgevolg behoeft het probleem van de eventuele verjaring van de met dit beroep ingestelde vordering niet te worden onderzocht .
14 Wat daarentegen wel ambtshalve moet worden onderzocht, is de vraag of bij het Hof een vordering uit niet-contractuele aansprakelijkheid kan worden ingesteld, wanneer de gestelde schade deels bestaat uit door de nationale administratie te veel geïnde mcb' s en de vordering tot terugbetaling van die mcb' s tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort .
15 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat de in de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag voorziene schadevordering een zelfstandige beroepsweg is met een eigen functie in het stelsel van de beroepsmogelijkheden . Weliswaar kan de ontvankelijkheid ervan in bepaalde gevallen afhankelijk zijn van de vraag, of de nationale rechtsmiddelen waarmee van de nationale instanties voldoening kan worden verkregen, zijn uitgeput, doch daarbij is ook van belang, of die nationale rechtsmiddelen een doeltreffende bescherming waarborgen van de particulieren die zich door handelingen van de gemeenschapsinstellingen gelaedeerd achten ( arresten van 12 april 1984, zaak 281/82, Unifrex, Jurispr . 1984, blz . 1969, en 26 februari 1986, zaak 175/84, Krohn, Jurispr . 1986, blz . 753, 763 ).
16 In casu zijn de nationale beroepswegen om terugbetaling van te hoge mcb' s te verkrijgen, voor verzoekster juist versperd doordat het Hof in zijn arrest van 15 oktober 1980, waaraan door de Franse gerechten toepassing is gegeven, heeft verklaard, dat voor wat het vóór de datum van het arrest gelegen tijdvak betreft, de ongeldigheid van de verordeningen waarin die bedragen zijn vastgesteld, niet de weg opent voor betwisting van de verrichte heffingen . In deze omstandigheden bestaat er geen nationaal rechtsmiddel waarmee de vergoeding van eventueel geleden schade doeltreffend kan worden verzekerd .
17 Mitsdien is het beroep ontvankelijk .
c ) De uit de onverschuldigde betaling van mcb' s voortgevloeide schade
18 Volgens verzoekster bestaat haar schade in de eerste plaats uit het bedrag van de mcb' s die zij onverschuldigd aan de nationale autoriteiten heeft betaald . Zij noemt in dit verband het door het tribunal d' instance te Rijsel en de cour d' appel te Douai vastgestelde bedrag van 29 639 506,74 FF alsmede een bedrag van 773 465 DM, overeenkomend met de onverschuldigd aan de douaneautoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland betaalde mcb' s, welk bedrag volgens dezelfde methode is berekend als in Frankrijk was toegepast .
19 Opgemerkt zij, dat het arrest van 15 oktober 1980 uitdrukkelijk iedere "betwisting" van vóór de datum van het arrest op grond van de ongeldig verklaarde bepalingen verrichte heffingen of toekenningen van mcb' s heeft uitgesloten . De heffing van de in geding zijnde bedragen door de nationale autoriteiten is dus onaantastbaar geworden .
20 Hieruit volgt, dat de gestelde schade, voor zover voortvloeiend uit de betaling van de door verordening nr . 652/76 en de latere verordeningen ter zake voorziene mcb' s, niet kan worden vergoed, welke ook de grondslag van de daartoe strekkende vordering moge zijn . Deze vordering van verzoekster moet mitsdien worden afgewezen .
d ) De schade tengevolge van winstderving
21 Verzoekster spreekt in de tweede plaats over werkelijke schade die zij zou hebben geleden als gevolg van een aanzienlijke winstderving . Zij betoogt, dat bij de mcb' s elk verschil tussen de toegepaste tarieven en de rechtmatige tarieven een dubbel effect heeft, want tegenover elke handelaar die te veel betaalt, staat een andere die te veel ontvangt . Ook had zij de last van de te hoge mcb' s niet op haar afnemers kunnen afwentelen, daar voor de betrokken goederen vrije marktprijzen golden en zij dus gedwongen was haar prijzen aan te passen aan die van haar concurrenten, in het bijzonder die in Lid-Staten met een sterke valuta .
22 Bij de wisselkoers op de dag van de mondelinge behandeling maakt deze schadepost ongeveer 52 % uit van het totale gevorderde bedrag van 10 miljoen Ecu . Verzoekster heeft overigens niet duidelijk gemaakt, hoe zij dit laatste bedrag heeft berekend, en zowel in haar memories als ter terechtzitting heeft zij niets anders gedaan dan steeds weer te verklaren dat door de hoge mcb' s niet slechts bepaalde ondernemingen zijn benadeeld, doch dat hierdoor tegelijkertijd sommige andere ondernemingen zijn bevoordeeld .
23 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de Gemeenschap wegens een normatieve handeling die beleidskeuzen impliceert, slechts aansprakelijk worden gesteld in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel . In een normatief kader dat wordt gekenmerkt door de uitoefening van een voor de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onontbeerlijke ruime discretionaire bevoegdheid, kan de Gemeenschap derhalve slechts aansprakelijk worden gesteld, indien de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheden klaarblijkelijk en ernstig heeft miskend ( arrest van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83 en 94/76, 4, 15 en 40/77, HNL, Jurispr . 1978, blz . 1209 ).
24 Derhalve moet worden onderzocht, van welke aard de regel is die volgens het arrest van 15 oktober 1980 bij de vaststelling van de mcb' s voor zetmeelprodukten is geschonden . Daarbij gaat het voornamelijk om artikel 2, lid 2, van verordening nr . 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta' s van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector ( PB 1971, L 106, blz . 1 ), de basisverordening inzake de mcb' s . Volgens die bepaling moeten de compenserende bedragen voor de op basis van mais of tarwe verwerkte produkten gelijk zijn aan de invloed die de prijs van het betrokken produkt ondergaat door de toepassing van het compenserende bedrag op de prijs van het basisprodukt .
25 Het Hof erkende, dat de berekening van die invloed voor een groot aantal produkten waarvan de produktiemethode en de samenstelling in de verschillende gebieden van de Gemeenschap kunnen variëren, moeilijke problemen van technische en economische aard opleverde . Niettemin was het van oordeel, dat de Commissie bij de bepaling van de mcb' s voor zetmeelprodukten een verkeerde berekening had gemaakt, waardoor die bedragen veel hoger waren dan overeen zou komen met de invloed van het compenserende bedrag op het basisprodukt, en dat zij daarmee de grenzen van haar beoordelingsvrijheid had overschreden . Die berekening betrof in de eerste plaats de aankoopprijs van voor de verwerking tot zetmeel gebruikte mais en tarwe, de som van de compenserende bedragen voor alle door de verwerking van een bepaalde hoeveelheid mais of tarwe in een bepaalde produktieketen verkregen bijprodukten, en de afstemming van de op aardappelzetmeel toegepaste compenserende bedragen op het bedrag dat op maiszetmeel werd toegepast .
26 Uit het voorgaande volgt, dat bij de vaststelling van de bestreden mcb' s een technische fout is gemaakt, die weliswaar objectief beschouwd tot ongelijke behandeling van een aantal ondernemers in landen met een zwakke valuta heeft geleid, doch die niet kan worden aangemerkt als een gekwalificeerde schending van een hogere rechtsregel of een klaarblijkelijke en ernstige miskenning door de Commissie van de grenzen van haar bevoegdheden .
27 Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wegens een onwettige normatieve handeling in de zin van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen .
Beslissing inzake de kostenKosten
28 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding .
Top