Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 18 OKTOBER 1989. - SA SOLVAY & CIE TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - ONDERZOEKSBEVOEGDHEDEN VAN COMMISSIE - RECHTEN VAN DE VERDEDIGING. - ZAAK 27/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03355
Pub.RJ bladzijde Pub somm
Samenvatting
Partijen
Dictum
++++
1 . Mededinging - Administratieve procedure - Verzoek om inlichtingen - Bevoegdheden van Commissie
( Verordening nr . 17 van de Raad, artikelen 11 en 14 )
2 . Gemeenschapsrecht - Beginselen - Rechten van verdediging - Eerbiediging in administratieve procedures - Mededinging - Tot onderneming gerichte beschikking houdende verzoek om inlichtingen - Recht om antwoord te weigeren dat erkenning van inbreuk inhoudt
( Verordening nr . 17 van de Raad, artikel 11 )
Samenvatting1 . De artikelen 11 en 14 van verordening nr . 17 voeren twee procedures in, die elk op zich staan . Dat een verificatie als bedoeld in artikel 14 reeds heeft plaatsgevonden, kan geenszins afdoen aan de onderzoeksbevoegdheden die de Commissie op grond van artikel 11 heeft . Er is dan ook geen aan verordening nr . 17 inherent beletsel van procedurele aard voor de Commissie om in het kader van een verzoek om inlichtingen documenten op te vragen waarvan zij bij een eerdere verificatie geen afschrift of uittreksel had kunnen maken .
Het staat aan de Commissie om te beoordelen of een inlichting noodzakelijk is om een inbreuk op de mededingingsregels te kunnen opsporen . Zelfs indien zij reeds over aanwijzingen of zelfs bewijzen voor het bestaan van een inbreuk beschikt, kan de Commissie het zeer wel noodzakelijk achten aanvullende inlichtingen in te winnen om zich een nauwkeuriger idee te vormen van de omvang van de inbreuk, van de duur ervan of van de ondernemingen die erbij betrokken zijn .
2 . Het fundamenteel beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging moet niet alleen in acht worden genomen in administratieve procedures die tot oplegging van sancties kunnen leiden, doch ook in procedures van vooronderzoek zoals verzoeken om inlichtingen als bedoeld in artikel 11 van verordening nr . 17, die beslissend kunnen zijn voor de totstandkoming van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen, waarvoor deze aansprakelijk zijn .
Ook al kan de Commissie dus in het kader van een verzoek om inlichtingen krachtens artikel 11 van verordening nr . 17 de onderneming verplichten om alle noodzakelijke inlichtingen te verstrekken over feiten waarvan zij eventueel kennis heeft, en om zo nodig de desbetreffende in haar bezit zijnde documenten over te leggen, ook wanneer deze tegen haarzelf of tegen een andere onderneming bewijs kunnen opleveren van een gedraging die in strijd is met de mededingingsregels, toch mag zij, wanneer zij bij beschikking de mededeling van inlichtingen verlangt, geen afbreuk doen aan de rechten van de verdediging .
Hoewel voor inbreuken van economische aard, met name op het gebied van het mededingingsrecht, de onderneming niet krachtens een beginsel dat de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben of krachtens het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dan wel het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, kan weigeren tegen zichzelf te getuigen, kan de Commissie de onderneming dus niet dwingen zodanige antwoorden te geven dat zij het bestaan van de inbreuk zou moeten erkennen, die de Commissie heeft te bewijzen .
( De motivering van dit arrest verschilt niet van het eveneens op 18 oktober 1989 gewezen arrest in zaak 374/87, Orkem/Commissie, Jurispr . 1989, blz . 3283 )
Partijenin zaak 27/88,
Solvay & Cie, naamloze vennootschap, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door L . Simont, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Loesch, 8, rue Zithe,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A . Mc Clellan als gemachtigde, bijgestaan door N . Coutrelis, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking IV/31.865 van de Commissie van 24 november 1987 inzake een procedure op grond van artikel 11, lid 5, van verordening nr . 17 van de Raad .
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn, F . A . Schockweiler en M . Zuleeg, kamerpresidenten, T . Koopmans, G . F . Mancini, R . Joliet, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias, F . Grévisse en M . Diez de Velasco, rechters,
( rechtsoverwegingen niet opgenomen )
rechtdoende :
Dictum1 ) Verklaart nietig beschikking IV/31.865 van de Commissie van 24 november 1987 inzake een procedure op grond van artikel 11, lid 5, van verordening nr . 17 van de Raad van 6 februari 1962 : Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, voor wat de vragen sub II, 1c, en sub III, 1 en 2 betreft .
2 ) Verwerpt het beroep voor het overige .
3 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Top