Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (TWEEDE KAMER) VAN 9 NOVEMBER 1989. - THEODOROS IOANNIS KATSOUFROS TEGEN HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - ARTIKEL 24 VAN HET AMBTENARENSTATUUT. - ZAAK 55/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03579
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Procesbelang - Beroep tot vergoeding van morele schade - Ontvankelijkheid
( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )
2 . Ambtenaren - Bijstandsverplichting van administratie - Draagwijdte
( Ambtenarenstatuut, artikel 24 )
Samenvatting1 . Een ambtenaar heeft procesbelang wanneer het door hem ingestelde beroep strekt tot vergoeding van de morele schade die het gevolg is van de smet die op hem is gevallen doordat men hem zou kunnen beschouwen als degene die verantwoordelijk is voor een gewelddadige confrontatie in een dienst, en als iemand die zich heeft gedragen op een wijze een ambtenaar onwaardig .
2 . De krachtens artikel 24 van het Statuut op de gemeenschapsinstellingen rustende verplichting om de ambtenaar te beschermen - welke verplichting ook bestaat in het geval dat zij door andere ambtenaren worden aangevallen -, geldt slechts voor zover de betrokken feiten bewezen zijn .
Ook al moet de administratie bij een incident dat in een ordelijke, serene ambtelijke sfeer geen pas geeft, met de nodige energie optreden ten einde de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, passende consequenties aan te verbinden, zij mag tegen de betrokken ambtenaar slechts dan tuchtmaatregelen nemen wanneer het ingestelde onderzoek er geen twijfel over heeft laten bestaan, dat die ambtenaar zich heeft gedragen op een wijze die afbreuk doet aan de goede werking van de dienst of aan de waardigheid en goede naam van een andere ambtenaar .
PartijenIn zaak 55/88,
Theodoros I . Katsoufros, ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door L . Stavritis, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Menidiatis, 50, rue Nic . Ries,
verzoeker,
tegen
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F . Hubeau, ambtenaar van het Hof van Justitie, als gemachtigde, bijgestaan door K . Loukopoulos, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij genoemde gemachtigde, bâtiment "Annexe", Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de administratieve commissie van het Hof van Justitie houdende afwijzing van verzoekers klacht, en tot vaststelling dat het tot aanstelling bevoegd gezag gehouden is te handelen in overeenstemming met artikel 24, Ambtenarenstatuut,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
samengesteld als volgt : F . A . Schockweiler, kamerpresident, G . F . Mancini en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 27 juni 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 oktober 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 22 februari 1988, heeft Th . I . Katsoufros, ambtenaar in de rang LA 6 bij de Griekse vertaalafdeling van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ( hierna : verzoeker ), beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de administratieve commissie van het Hof van 23 november 1987 houdende afwijzing van verzoekers klacht, en tot vaststelling dat het tot aanstelling bevoegd gezag gehouden is te handelen in overeenstemming met artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : "Statuut ").
2 Blijkens het dossier heeft zich op 4 februari 1987, na een discussie tussen enkele functionarissen van de Griekse vertaalafdeling over de beroepskwaliteiten van verzoeker, een incident voorgedaan waarbij, volgens de verklaringen van verzoeker, een gepensioneerd gemeenschapsambtenaar, Constantinou, die op dat moment als freelance-reviseur voor het Hof werkzaam was, hem lichamelijk geweld heeft aangedaan . Verzoekers gezondheid zou daardoor zozeer zijn geschokt, dat hij enige tijd niet had kunnen werken .
3 Deze versie van de feiten wordt bevestigd door een andere ambtenaar van de afdeling, maar bestreden zowel door Constantinou zelf als door het hoofd van de afdeling, die beiden verzoeker van provocerend optreden beschuldigen .
4 Op 24 februari 1987 verzocht verzoeker het tot aanstelling bevoegd gezag, passende maatregelen te nemen ten einde vast te stellen wie voor het incident verantwoordelijk was, herhaling van het gebeurde, dat uitsluitend aan Constantinou te wijten zou zijn, te voorkomen en tuchtrechtelijk tegen laatstgenoemde op te treden .
5 Bij brief van 9 juni 1987 deelde de griffier van het Hof verzoeker mee, dat hij het dossier had bestudeerd, maar dat het hem, gezien de uiteenlopende verklaringen van de ooggetuigen van het incident, niet mogelijk was de realiteit vast te stellen van feiten op grond waarvan maatregelen gerechtvaardigd zouden kunnen zijn; er was evenwel opdracht gegeven, de vertalingen van verzoeker niet meer door Constantinou te laten reviseren .
6 Op 11 augustus 1987 diende verzoeker een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut tegen het antwoord van de griffier van 9 juni 1987 . Verzoeker oefende daarin kritiek op het feit, dat er tegen Constantinou geen tuchtrechtelijke maatregelen waren genomen .
7 Bij besluit van 23 november 1987 wees de administratieve commissie van het Hof de klacht af . Door schriftelijke getuigenverklaringen van alle bij het incident betrokkenen te verzamelen en te onderzoeken, was de administratie, naar het oordeel van genoemde commissie, haar bijstandsverplichting ex artikel 24, eerste alinea, van het Statuut nagekomen . Daar de administratie niet had kunnen bepalen wie verantwoordelijk was, had zij passend en met de door de ernst van de gestelde feiten vereiste zorgvuldigheid gehandeld door een maatregel met betrekking tot de organisatie van de dienst te treffen, waarmee een nieuwe confrontatie tussen de betrokkenen kon worden voorkomen . Wat de wenselijkheid van sancties betreft, merkte de commissie op, dat deze niet gebaseerd konden worden op de tuchtregeling van het Statuut, daar dit niet op Constantinou van toepassing was, en dat de administratie bovendien over een ruime discretionaire bevoegdheid ter zake beschikte en dat het uitgesloten was, dat zij op grond van haar bijstandsverplichting gehouden zou zijn een tuchtprocedure in te leiden .
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De ontvankelijkheid
9 Het Hof stelt, dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens ontbreken van procesbelang . Door de weigering om tuchtmaatregelen tegen Constantinou te nemen, zou de rechtspositie van verzoeker niet zijn aangetast .
10 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat verzoeker met zijn klacht beoogde te bereiken, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn statutaire verplichtingen nakomt en tuchtmaatregelen tegen Constantinou neemt . Aldus wenste verzoeker indirect te zien vastgesteld, dat hemzelf geen verantwoordelijkheid voor het incident van 4 februari 1987 treft .
11 Verzoeker heeft derhalve belang bij zijn beroep tegen het besluit waarbij zijn klacht is afgewezen, voor zover dat beroep strekt tot herstel van de morele schade die het gevolg is van de smet die op hem is gevallen doordat men hem zou kunnen beschouwen als degene die verantwoordelijk is voor het gebeurde, en als iemand die zich heeft gedragen op een wijze een ambtenaar onwaardig .
12 Hieruit volgt, dat de door het Hof tegen het beroep opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen .
Ten gronde
13 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker kort samengevat aan, dat het Hof artikel 24 van het Statuut heeft geschonden door geen passende maatregelen te nemen tot herstel van de schade die hij als gevolg van het incident van 4 februari 1987 stelt te hebben geleden . In het bijzonder verwijt hij het Hof, geen tuchtmaatregelen tegen Constantinou te hebben genomen wegens de door deze gepleegde agressie .
14 Volgens artikel 24, eerste alinea, van het Statuut "verlenen de Gemeenschappen bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen (( zijn )) persoon ... waaraan hij ... uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie (( blootstaat ))".
15 Gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 26 januari 1989 ( zaak 224/87, Koutchoumoff, Jurispr . 1989, blz . 99 ), geldt de krachtens artikel 24 van het Statuut op de instellingen rustende verplichting om de ambtenaren te beschermen - welke verplichting ook bestaat in het geval dat zij worden aangevallen door andere ambtenaren -, slechts voor zover de betrokken feiten bewezen zijn .
16 Ook al moet volgens 's Hofs vaste rechtspraak ( zie arrest van 14 juni 1979, zaak 18/78, V ., Jurispr . 1979, blz . 2093 ) de administratie bij een incident dat in een ordelijke, serene ambtelijke sfeer geen pas geeft, met de nodige energie optreden ten einde de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, passende consequenties aan te verbinden, zij mag tegen de betrokken ambtenaar slechts dan tuchtmaatregelen nemen wanneer het ingestelde onderzoek er geen twijfel over heeft laten bestaan, dat die ambtenaar zich heeft gedragen op een wijze die afbreuk doet aan de goede werking van de dienst of aan de waardigheid en goede naam van een andere ambtenaar .
17 In casu heeft het tot aanstelling bevoegd gezag onmiddellijk nadat het van het incident kennis had gekregen, een administratief onderzoek gelast, in het kader waarvan zij getuigenverklaringen heeft verzameld en onderzocht van allen die bij het incident van 4 februari 1987 aanwezig waren geweest .
18 Toen de daarbij verzamelde, elkaar tegensprekende verklaringen het niet mogelijk maakten de feiten en de respectieve verantwoordelijkheden met zekerheid vast te stellen, kon het tot aanstelling bevoegd gezag met goed recht en zonder de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te overschrijden, tot het oordeel komen, dat er geen grond bestond om uit hoofde van artikel 24 van het Statuut in te grijpen .
19 De conclusie moet derhalve zijn, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet is tekort geschoten in zijn algemene verplichting zorg te dragen voor een goede werking van de dienst, door zich te beperken tot de instructie de vertalingen van verzoeker niet meer door Constantinou te laten reviseren, ten einde iedere nieuwe confrontatie tussen de betrokkenen te vermijden .
20 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep moet worden verworpen .
Beslissing inzake de kostenKosten
21 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de partij die in het ongelijk is gesteld, in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van het Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
rechtdoende,
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Top