RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-100/88 ( *1 )
I — De feiten en het procesverloop
A — De feiten
1.
Verzoekers A. Oyowe, van Nigeriaanse nationaliteit, en A. Traore, van Franse en Malinese nationaliteit, traden op 3 september 1979 respectievelijk 3 april 1978 op basis van speciale contracten in dienst van de Europese Associatie voor Samenwerking (hierna: „EAS”). De EAS is een internationale vereniging zonder winstoogmerk, opgericht naar Belgisch recht, die bij Koninklijk Besluit van 15 september 1964 rechtspersoonlijkheid heeft verkregen (Belgisch Staatsblad van 3.10.1964, blz. 10536). Verzoekers zijn journalisten en maken deel uit van de redactie van het tweemaandelijks tijdschrift Le Courrier-Afrique-Caraïbes-Pacifique-Communauté européenne (hierna: „Le Courrier”), dat wordt uitgegeven door de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Ontwikkeling (DG VIII) van de Commissie.
2.
Volgens artikel 1 van haar statuten is de EAS opgericht „met het oog op de samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en de ontwikkelingslanden alsmede de met de Gemeenschappen geassocieerde landen en gebieden overzee”. Artikel 3, lid 2, van de statuten bepaalt, dat de EAS in het kader van haar statuten en de tussen haar en de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangegane overeenkomsten zorg draagt voor „de aanwerving, de plaatsing en het beheer van het personeel bestemd om taken te verrichten op het gebied van de samenwerking, de wetenschappelijke en technische controle en het beheer van door de Gemeenschap toegekende beurzen”.
3.
Bij de op 13 juli 1964 en 4 juni 1974 tussen de EAS en de Commissie gesloten overeenkomsten, bedoeld in artikel 3 van de statuten, wordt aan de EAS onder meer opgedragen „te zorgen voor de aanwerving en het beheer van gedelegeerden van de Commissie en arbeidscontractanten voor de uitvoering van interventies die worden gefinancierd door het Europees Ontwikkelingsfonds of door de begroting van de Commissie” (artikel 1 van de overeenkomst van 13.7.1965). De EAS is door de Commissie gemachtigd, „voor haar vestiging het personeel aan te werven dat nodig is voor haar administratieve werking”, personeel te selecteren en de aanstellingvoorwaarden voor dat personeel vast te stellen (artikelen 2 en 3 van die overeenkomst). Uit die overeenkomsten blijkt voorts, dat de EAS hoofdzakelijk in opdracht en onder toezicht van de Commissie werkt.
4.
Ter verwezenlijking van haar doel, namelijk het bevorderen van de door de Europese Gemeenschappen begonnen economische samenwerking met de ontwikkelingslanden, beschikte de EAS over drie groepen door haar beheerd personeel: het personeel van de zetel, het in de ACS-landen tewerkgestelde personeel overzee, en het zogenoemde personeel-SC, dat door de EAS werd aangeworven op een speciaal contract waarbij zij ter beschikking van het Directoraat-generaal Ontwikkeling (DG VIII) van de Commissie werden gesteld. Een deel van dit laatste personeel, de zogenoemde samenwerkingsfunctionarissen (personeel-AC) werd betaald uit het Europees Ontwikkelingsfonds.
5.
De speciale contracten tussen verzoekers en de EAS werden gesloten voor de duur van één jaar, met de mogelijkheid van verlenging, hetgeen in casu steeds is gebeurd. Overeenkomstig de Belgische wetgeving werden verzoekers derhalve geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangeworven.
6.
In zijn verordening nr. 3245/81 van 26 oktober 1981 houdende oprichting van een Europees agentschap voor samenwerking (PB 1981, L 328, blz. 1), overwoog de Raad, dat het, ten einde de Commissie behulpzaam te zijn bij de tenuitvoerlegging van de financiële en technische samenwerking van de Gemeenschap met de ontwikkelingslanden, dienstig was om in het kader van de Europese Gemeenschappen een agentschap op te richten dat optreedt met inachtneming van het communautaire recht, met als opdracht de taken te verrichten die voordien door de EAS werden verricht.
7.
Op grond van de overweging dat bij genoemde verordening nr. 3245/81 het Europees Agentschap voor Samenwerking was opgericht en dat er oplossingen moesten worden gevonden voor de problemen met betrekking tot de situatie van de 56 personeelsleden van de zetel van de EAS, stelde de Raad bij verordening nr. 3332/82 van 3 december 1982 bijzondere overgangsmaatregelen vast voor de aanwerving van 56 personeelsleden van de zetel van de EAS als ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (PB 1982, L 352, blz. 5). Artikel 1 van deze verordening bepaalde, dat de personeelsleden die op 1 januari 1982 in dienst waren bij de zetel van de EAS, als ambtenaar op proef van de Commissie konden worden aangesteld.
8.
In dit verband en om de aanstelling in vaste dienst van 32 personeelsleden-SC van de EAS mogelijk te maken, kende de begrotingsautoriteit de Commissie voor 1981 32 vaste posten toe. Bij de vaste aanstelling van deze personeelsleden paste de Commissie de algemene regels van het Europees ambtenarenrecht toe. De personeelsleden-SC ontvingen een ontslagbrief van de EAS en tegelijkertijd een aanbod tot tewerkstelling als tijdelijk functionaris van de Commissie. Vervolgens publiceerde de Commissie kennisgevingen van vacature en maakte zij een begin met de organisatie van interne vergelijkende onderzoeken.
9.
Het in de ACS-landen tewerkgestelde overzeese personeel van de EAS werd in vaste dienst aangesteld krachtens verordening nr. 3018/87 van de Raad van 5 oktober 1987 tot invoering van bijzondere overgangsmaatregelen betreffende de aanwerving van overzee tewerkgestelde personeelsleden van de EAS als ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (PB 1987, L 286, blz. 1).
10.
Verzoekers zijn niet in vaste dienst aangesteld.
B — Het procesverloop
11.
Op 4 juni 1987 dienden verzoekers bij de Commissie een verzoek in als bedoeld in artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut, om ambtenaren van de Commissie te worden. Toen dit verzoek onbeantwoord bleef, lieten zij het op 4 november 1987 volgen door een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut.
12.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 maart 1988, hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
13.
Het Hof (Tweede kamer) heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
14.
Het Hof heeft voorts een vraag aan de Commissie gesteld en partijen verzocht om overlegging van de documenten waarover zij voor de procedure meende te moeten beschikken. Aan deze verzoeken is binnen de daartoe gestelde termijn voldaan.
II — Conclusies van partijen
1.
Verzoekers concluderen dat het den Hove behage:
a)
het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
b)
te verklaren voor recht, dat zij functionarissen van verweerster zijn in de zin van artikel 2, sub c, van de Regeling andere personeelsleden, dat bijgevolg de regeling voor tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen (artikel 2, sub c) op hen moet worden toegepast vanaf hun aanwerving door, in schijn, de EAS en dat passende regularisatiemaatregelen moeten worden getroffen;
c)
verweerster te veroordelen, hen als ambtenaar aan te stellen met ingang van een door het Hof te bepalen tijdstip, althans voor hen de procedure tot aanstelling als ambtenaar in te leiden;
d)
subsidiair: verweerster ertoe te veroordelen, de uitbetaling van hun gehele pensioen te garanderen ongeacht het land waar zij later zullen wonen, althans de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen, dat dat gebeurt;
e)
nietig te verklaren het besluit tot afwijzing van hun klacht van 4 november 1987;
f)
verweerster in de kosten te verwijzen.
2.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
a)
het beroep niet-ontvankelijk althans ongegrond te verklaren;
b)
verzoekers in de kosten te verwijzen.
III — Middelen en argumenten van partijen
A — De ontvankelijkheid
1.
De Commissie betoogt, dat verzoekers personeelsleden zijn van een internationale vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht. Als zodanig hebben zij een arbeidscontract gesloten buiten het Statuut en de Regeling andere personeelsleden (hierna: „RAP”) om en kunnen zij geen aanspraak maken op de hoedanigheid van personeelslid van de Gemeenschappen in de zin van de RAP en staat de beroepsweg van artikel 179 EEG-Verdrag dus niet voor hen open. Voorts dient de toelaatbaarheid van de wijziging die verzoekers in repliek in de rechtsgrondslag van hun subsidiaire vordering hebben aangebracht, in twijfel te worden getrokken.
2.
Verzoekers menen, dat hun beroep ontvankelijk is om dezelfde redenen als het Hof heeft genoemd in zijn arrest van 11 juli 1985 (gevoegde zaken 87/77 en 130/77, 22/83, 9/84 en 10/84, Salerno e. a., Jurispr. 1985, blz. 2523) betreffende de personeelsleden van de zetel van de EAS. Objectief is er geen enkele rechtvaardiging om de ene categorie EAS-personeel wel rechtsingang bij het Hof te verlenen en de andere niet. In repliek preciseren verzoekers, dat hun subsidiaire vordering berust op artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag.
B — Ten gronde
3.
Verzoekers voeren één middel aan, te weten schending van de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder de beginselen van gelijke behandeling, billijkheid en rechtvaardigheid, alsmede de beginselen betreffende de motivering van administratieve handelingen. Tot staving van dit middel voeren zij aan, a) dat de EAS slechts in schijn hun werkgever is en dat hun werkelijke werkgever de Commissie is; b) dat zij de enige personeelsleden-AC zijn die niet door de Commissie als ambtenaar zijn aangesteld; c) dat zij hun welverdiende pensioen slechts kunnen genieten wanneer zij in België blijven wonen.
De grief betreffende de „schijnbare” en de werkelijke werkgever
4.
Ten bewijze dat de EAS slechts hun „schijnbare” werkgever is, betogen verzoekers, dat de Raad bij verordening nr. 3245/81 het Europees Agentschap voor Samenwerking heeft opgericht, waarin de EAS is opgegaan, en bij verordening nr. 3332/82 bijzondere overgangsmaatregelen heeft getroffen voor de aanwerving van 56 personeelsleden van de zetel van de EAS als ambtenaren van verweerster.
5.
De leden van de Raad van Bestuur van de EAS zijn allen ambtenaren van de Commissie; hetzelfde geldt voor het bureaupersoneel van de EAS dat, afgezien van een van een uitzendbureau ingehuurde secretaresse, bestaat uit door verweerster gedetacheerde ambtenaren. De uitgever van het tweemaandelijkse tijdschrift (Le Courrier), D. Frisch, is directeur-generaal van DG VIII (Ontwikkeling) en de hoofdredacteur, H. Birindelli, is eveneens ambtenaar van de Commissie. Het feit dat Le Courrier niet alleen door de Commissie wordt gefinancierd, doet niet af aan verweersters bevoegdheden met betrekking tot het bestuur en het beleid van het tijdschrift.
6.
Verzoekers menen, dat Le Courrier de jure noch de facto een gezamenlijke uitgave van de Gemeenschap en de ACS-landen is.
Juridisch zijn alleen het Technisch centrum voor landbouwsamenwerking en het Centrum voor industriële ontwikkeling paritaire organisaties als voorzien in de Overeenkomst van Lomé III, ondertekend te Lomé op 8 december 1984 (PB 1986, L 86, blz. 3).
In de praktijk keurt de uitgever van Le Courrier ieder jaar het programma van het blad goed. Verweerster beslist of een bepaalde reportage of een bepaald interview wel of niet zal worden gemaakt. Het beleid van het blad wordt bepaald door verweerster, want het paritaire beheerscomité is sinds 1979 niet meer bijeengekomen. Ten slotte wordt de inhoud van alle op te nemen teksten goedgekeurd door de hoofdredacteur.
7.
Verzoekers voegen hieraan toe, dat alle personeelsleden-SC en -AC van de EAS, daaronder begrepen een journalist van Le Courrier, door verweerster volgens de gewone statutaire procedure als ambtenaar zijn aangeworven. Alleen met verzoekers is dat niet gebeurd.
8.
Ten slotte menen zij, dat aan de kwalificatie van de EAS als hun schijnbare werkgever niet wordt afgedaan door het arrest van het Hof van 11 juli 1985 (Salerno e. a., reeds aangehaald), waarin het Hof de stelling verwierp, dat de EAS slechts een administratieve eenheid van verweerster is, doch geen uitspraak deed over de vraag, of de EAS in feite of slechts in schijn werkgever is.
9.
Om te weten wie hun werkgever is, moet volgens verzoekers worden onderzocht, onder wiens feitelijk gezag zij staan, wanneer het erom gaat te bepalen wat het door hen te verrichten werk inhoudt, en op welke wijze dat werk moet worden verricht. Dat gezag ligt bij verweerster en om zich daarvan te overtuigen, behoeft men maar te zien naar artikel II van de bijzondere voorwaarden van hun arbeidscontract en artikel 1 van de algemene voorwaarden. Deze artikelen luiden als volgt:
„Artikel II
Hij (het personeelslid) wordt ter beschikking gesteld van de Commissie van de Europese Gemeenschappen...
Artikel 1
De functionaris verklaart zich bereid, tijdens de duur van zijn aanstelling alle onderzoeken, taken en studies te verrichten, ongeacht waar, die hem door de Commissie van de Europese Gemeenschappen worden opgedragen.”
10.
De Commissie verwijst naar artikel 1 van de RAP, luidende als volgt: „Deze regeling is van toepassing op ieder personeelslid dat op grond van een overeenkomst door de Gemeenschappen is aangesteld.” Zij betoogt, dat verzoekers zijn aangesteld door de EAS, waarmee zij een arbeidsovereenkomst hebben gesloten die wordt beheerst door het Belgische recht, de statuten van de EAS, het administratief protocol van de EAS van 26 juli 1986, de uitvoeringsbesluiten van de bestuursorganen van de EAS en de bepalingen van het individuele contract.
11.
Volgens de Commissie is de Courrier een tijdschrift onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Gemeenschappen en de ACS-staten. Dit komt ook tot uiting in het personeel van Le Courrier. Naast verzoekers en nog een collega omvat de staf van Le Courrier een uitzendsecretaresse van Zaïrese nationaliteit, die geen ambtenaar of personeelslid van de Europese Gemeenschappen is. De financiering van Le Courrier komt deels ten laste van het Europees Ontwikkelingsfonds (hierna: „EOF”) en deels van de begroting van de Europese Gemeenschappen. De vermelding van de directeur-generaal van DG VIII (Ontwikkeling) als uitgever is van zuiver administratieve aard. Le Courrier is strikt technisch gezien geen paritaire organisatie in de zin van Lomé III, maar een gezamenlijke uitgave van de Gemeenschap en de ACS-landen, en hij heeft een eigen statuut, namelijk als een EOF-project. Verzoekers zijn overeenkomstig de wensen van de ACS-landen en op hun verzoek aangeworven als journalist en geplaatst onder het gezag van de hoofdredacteur. Ook diens adjunct is een ACS-journalist en geen ambtenaar of personeelslid van de Europese Gemeenschappen.
12.
De Commissie betoogt, dat het Hof in de arresten van 11 juli 1985 (Salerno, reeds aangehaald, en Appelbaum, zaak 119/83, Jurispr. 1985, blz. 2423) heeft verklaard, dat de EAS een internationale vereniging naar Belgisch recht is, met als gevolg, dat het bij de aanstelling van de personeelsleden-SC van de EAS door de Commissie om aanwerving van buiten de instellingen gaat. De EAS was de werkgever van de perso-neelsleden-SC; artikel 1 van hun arbeidsovereenkomst bevatte de algemene voorwaarden en artikel II de bijzondere bedingen, die identiek waren met de beide artikelen uit de contracten van verzoekers.
13.
Ten slotte merkt de Commissie op, dat wie tijdelijk bepaalde werkzaamheden verricht voor de Gemeenschappen, hiermee nog geen arbeidsovereenkomst heeft; daarvoor is een blijvende persoonlijke ondergeschiktheidsverhouding op contractuele basis vereist.
De grief betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling
14.
Verzoekers betogen, dat behalve zijzelf alle personeelsleden van de zetel, alle perso-neelsleden-SC en alle te Brussel werkzame personeelsleden-AC die dat wensten, in vaste dienst zijn benoemd. In zijn arrest van 11 juli 1985 (Appelbaum) heeft het Hof vastgesteld, dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen de situatie van het personeel van de zetel en de personeelsleden-SC. Een onderscheid dat een verschil in behandeling zou rechtvaardigen, bestaat a fortiori niet binnen de categorie personeelsleden-SC, noch binnen de groep personeelsleden-AC, die op één lijn zijn te stellen met eerstgenoemden. Tussen de personeelsledeņ-SC en -AC bestaat voor wat het hierbedoelde beginsel van gelijke behandeling betreft, geen verschil, want een derde journalist uit een ACS-land heeft, anders dan verzoekers, steeds een overeenkomst als personeels-lid-SC gehad.
15.
Volgens verzoekers is het niet zo, dat zij in het gemengde redactieteam (ACSEEG) een bijzondere ACS-inbreng vertegenwoordigen. Er bestaat dan ook geen onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van Europees ambtenaar en de zogenaamde vertegenwoordiging van de ACS-inbreng. Alle journalisten van de Commissie doen immers alle soorten werk, ongeacht hun nationaliteit. De stukken van alle journalisten van Le Courrier worden voorgelegd aan de hoofdredacteur en aan degenen die verantwoordelijk zijn voor een bepaalde geografische sector. Verzoekers hebben alle contractuele verplichtingen die voor ambtenaren gelden. In een mededeling van 1986 (gepubliceerd in het zittingsdocument van 16.7.1986, serie A, doc. A2-83/86), was de Commissie voor ontwikkeling en samenwerking van het Europese Parlement van mening, dat verzoekers „reeds voor de Commissie werken”.
16.
Verzoekers voegen daaraan toe, dat ook uit het statuut van Le Courrier niet kan worden afgeleid, dat zij binnen de redactie van dat blad een bijzondere ACS-inbreng vertegenwoordigen. Als zij daar een bepaalde inbreng hebben, dan is het hoogstens die van hun land van herkomst, juist zoals Europese ambtenaren de inbreng van hun land van herkomst vertegenwoordigen. De gezamenlijke financiering van Le Courrier heeft niet verhinderd, dat alle personeelsleden-AC, een subcategorie van de categorie SC, die worden betaald uit de kredieten voor projecten van het EOF (waaruit ook verzoekers worden betaald), in vaste dienst zijn aangesteld.
17.
Volgens verzoekers is Le Courrier geen gezamenlijke uitgave van de Gemeenschap en de ACS-landen. Reeds in 1987 hebben de ACS-landen hun bezorgdheid daarover uitgesproken. Ondanks de gezamenlijke financiering van het blad was het verweerster die over alle bestuurs- en beleidsbevoegdheden beschikte.
18.
Verzoekers betogen, dat hun nationaliteit geen beletsel vormt voor hun vaste aanstelling, aangezien volgens artikel 28, sub a, van het Statuut het tot aanstelling bevoegd gezag ontheffing kan verlenen van de voorwaarde dat men onderdaan van een Lid-Staat moet zijn om ambtenaar te kunnen worden. Bovendien bezit verzoeker Traore naast de Malinese ook de Franse nationaliteit.
19.
De Commissie merkt op, dat verordening nr. 3018/87 niet van toepassing is op de ACS-journalisten. De weigering om verzoekers als ambtenaar aan te stellen, is objectief gerechtvaardigd door de onverenigbaarheid van de hoedanigheid van Europees ambtenaar met het vertegenwoordigen van de inbreng van de ACS-landen door verzoekers in het gemengde ACS-EEG-redactieteam.
Voor deze onverenigbaarheid wijst de Commissie in het bijzonder op de artikelen 11, 12, 17 en 21 van het Statuut, die de Europese ambtenaren loyaliteitsverplichtingen opleggen die onverenigbaar zijn met de vrijheid van meningsuiting die noodzakelijk is om in het blad de inbreng van de ACS-landen te representeren.
20.
Verzoekers zijn indertijd aangeworven als gevolg van een initiatief van de secretaris-generaal van de ACS-groep in 1977, die wenste dat de ACS-landen daadwerkelijk en tot op het niveau van het dagelijks beheer, betrokken zouden worden bij het reilen en zeilen van het blad. Hieruit blijkt de bijzondere rol van verzoekers binnen het redactieteam van Le Courrier.
21.
Dit team bestaat uit een hoofdredacteur, die ambtenaar is, zijn adjunct — een journalist uit een ACS-land, die geen ambtenaar is (Pagni) —, twee journalisten uit ACS-landen (verzoekers) en drie journalisten die EEG-ambtenaar zijn. Le Courrier wordt geleid door een paritair comité EEGACS, dat de algemene lijnen van het beleid uitzet. Uit het feit dat het comité van bestuur paritair is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Gemeenschap en de ACS-landen, blijkt het gezamenlijke karakter van Le Courrier. Hoewel het comité sinds 1979 niet meer bijeen is gekomen, bestaat er in de ACS-landen nog steeds belangstelling voor het beleid en de planning van Le Courrier.
22.
De Commissie meent, dat zij over een vérgaande beoordelingsvrijheid beschikt bij haar beleidskeuzes en dat zij geen kennelijke fout heeft gemaakt bij de uitoefening van die bevoegdheid.
23.
Met betrekking tot de nationaliteit van verzoekers merkt de Commissie op, dat dezen niet stellen dat zij een discriminerend gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om af te wijken van het nationaliteitsvereiste, door bepaalde journalisten uit de ACS-landen wel in vaste dienst te benoemen en andere niet.
De subsidiaire vordering
24.
Verzoekers stellen, dat hun bijdragen aan de pensioenregeling gelijk zijn aan die welke in het Statuut zijn voorzien, namelijk 6,75% van het basissalaris ten laste van de werknemer en 13,50% ten laste van de EAS; een gedeelte daarvan wordt overgemaakt naar het Belgisch wettelijk pensioenstelsel en de rest naar een groepsverzekering bij de verzekeringsmaatschappij Generali. Volgens verzoekers kent de Belgische wetgeving niet de mogelijkheid van terugbetaling van die bijdragen op het moment van pensionering. Bij gebreke van een bilaterale overeenkomst tussen België en hun land van oorsprong kunnen zij echter slechts voor een Belgisch pensioen in aanmerking komen wanneer zij na hun pensionering in België blijven wonen. Wanneer zij geen vergunning krijgen om in België te blijven wonen, gaan hun bijdragen aan de Belgische wettelijke pensioenregeling verloren.
In ieder geval ontvangen verzoekers een lager pensioen dan gemeenschapsambtenaren, terwijl zij even hoge bijdragen moeten betalen.
25.
De Commissie stelt zich op het standpunt, dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor eventuele misstanden bij de EAS, daar dit een onafhankelijk lichaam is. Op de uit het ontbreken van harmonisatie van de nationale wetgevingen voortvloeiende ongelijkheid tussen de pensioenregeling voor gemeenschapsambtenaren en die voor nationale werknemers kan geen klacht over discriminatie worden gebaseerd in verband met een nationale wetgeving die zonder onderscheid geldt voor al degenen op wie zij van toepassing is.
De Commissie betoogt, dat zij geen rechtsband met verzoekers heeft en dat zij de gestelde lacune in de Belgische regeling niet behoeft aan te vullen. Verzoekers dienen hun geschil aan de Belgische autoriteiten voor te leggen.
IV — Antwoord op de door het Hof gestelde vraag
26.
Het Hof heeft de Commissie de volgende vraag gesteld:
„Hoe luidden de contracten en wat waren de werkzaamheden van het personeel dat
door de EAS was aangeworven uit de operationele kredieten van het EOF (AC-overeenkomsten) dan wel op speciaal contract (SC) en dat door de Commissie in vaste dienst is aangesteld, en wat zijn de verschillen met de contracten en de werkzaamheden van verzoekers ?”
27.
De Commissie heeft deze vraag beantwoord als volgt:
Het verschil tussen deze beide groepen personeelsleden is voornamelijk Van budgettaire aard. Terwijl de personeelsleden-SC worden betaald door de EAS uit de algemene middelen („alle landen”), komt de bezoldiging van de personeelsleden-AC ten laste van de middelen van het EOF voor de uitvoering van een bepaald project. De contracten die de arbeidsverhouding tussen de EAS en de personeelsleden-SC en -AC regelen, zijn echter goeddeels gelijk en bij gelijke rang bestaan geen grote verschillen tussen hun werkzaamheden.
Zoals in de gevoegde zaken 66 tot en met 68/83, 136 tot en met 140/83 en in zaak 119/83 gezegd, kan het door de EAS op speciaal contract (SC) aangeworven personeel in het algemeen worden gelijkgesteld met de bijzondere personeelsleden die zijn aangeworven uit de operationele kredieten van het EOF (AC-contracten).
Bij de aanstelling in vaste dienst van de personeelsleden-SC in 1983 en bij de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof van 11 juli 1985 in bovengenoemde zaken, die evenzeer golden voor personeelsleden-SC als voor personeelsleden-AC, vervulde het personeel van laatstgenoemde categorie dat destijds in dienst was, met uitzondering van verzoekers (die tot categorie A behoren), allen functies in categorie C (secretaresses/beambten).
De in diezelfde tijd aangestelde personeels-leden-SC behoorden tot de categorieën A, B of C.
Niet in vaste dienst zijn benoemd verzoekers (AC-contract) en L. Pagni, de derde Le Courrier-rédacteur van Afrikaanse afkomst (SC-contract). Pagni, die thans nog als personeelslid-SC bij de EAS werkzaam is, heeft geen beroep ingesteld.
Dat verzoekers en Pagni buiten de boot zijn gevallen, houdt voornamelijk verband met het bijzondere karakter van hun werkzaamheden en van hun positie in het redactieteam van Le Courrier.
G. F. Mancini
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaal: Frans.
Top