Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 27 JUNI 1989. - KARL LEUKHARDT TEGEN HAUPTZOLLAMT REUTLINGEN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT BADEN-WUERTTEMBERG - DUITSLAND. - LANDBOUW - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK 113/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 01991
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Inaanmerkingneming van buitengewone gebeurtenissen die produktie hebben beïnvloed - Grenzen - Keuze van referentiejaar buiten door gemeenschapsregeling geboden keuzemogelijkheden - Uitgesloten
( Verordening nr . 857/84 van de Raad, artikel 3, sub 3 )
2 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die gedurende gehele referentieperiode zijn getroffen door buitengewone gebeurtenissen - Onmogelijkheid om referentiejaar buiten die periode te kiezen - Discriminatie - Schending van eigendomsrecht en van vrijheid van professionele werkzaamheden - Schending van beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van gewettigd vertrouwen - Geen
( EEG-Verdrag, artikel 40, lid 3, tweede alinea; verordening nr . 857/84 van de Raad )
3 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Door buitengewone gebeurtenissen getroffen producenten - Wijziging van referentiejaar zonder gevolgen voor berekeningswijze waarvoor op nationaal vlak is geopteerd
( Verordening nr . 857/84 van de Raad, artikelen 2 en 3, sub 3 )
Samenvatting1 . Waar het gaat om de vaststelling van de referentiehoeveelheden die van de extra heffing zijn vrijgesteld, moet artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 aldus worden uitgelegd, dat een producent wiens melkproduktie gedurende de gehele periode 1981-1983 door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is beïnvloed, niet kan verlangen dat wordt uitgegaan van de gedurende een jaar vóór 1981 door hem geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent .
2 . De doeltreffendheid van het stelsel van de extra heffing op melk en de rechtszekerheid verlangen, dat het aantal als referentiejaar in aanmerking te nemen jaren beperkt is . Dit betekent, dat het door die beperking veroorzaakte verschil in behandeling tussen producenten wier melkproduktie gedurende alle als referentiejaar in aanmerking komende jaren sterk is gedaald en producenten bij wie zulks niet het geval is geweest, objectief gerechtvaardigd is en niet als discriminerend in de zin van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag kan worden aangemerkt .
Aangezien de gemeenschapswetgever bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de aard en de draagwijdte van de te nemen maatregelen, kan niet worden gesteld, dat het feit dat de keuzemogelijkheid beperkt is tot een referentiejaar binnen de periode 1981-1983, in strijd is met het eigendomsrecht, de vrijheid van professionele werkzaamheden of het rechtszekerheids - en het vertrouwensbeginsel .
3 . Artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk moeten aldus worden uitgelegd dat een producent wiens melkproduktie gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is beïnvloed, niet kan verlangen, dat zijn referentiehoeveelheid naar zijn keuze wordt berekend volgens de methode van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 uitgaande van een ander referentiejaar, dan wel volgens de methode van artikel 2, lid 1, van die verordening uitgaande van de gedurende het jaar 1981 geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent, verhoogd met 1 %.
PartijenIn zaak 113/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg, in het aldaar aanhangig geding tussen
K . Leukhardt
en
Hauptzollamt Reutlingen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van artikel 3, sub 3, en de uitlegging van artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : S . Hackspiel, plv . administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door L . Frauendorf, advocaat te Tuebingen,
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M . Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische Zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, voor de schriftelijke procedure vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P . Karpenstein als gemachtigde, en ter terechtzitting door haar juridisch adviseur D . Booss als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 28 februari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 maart 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 8 april 1988, ten Hove ingekomen op 11 april daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 3, sub 3, en de uitlegging van artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen landbouwer K . Leukhardt ( verzoeker in het hoofdgeding, hierna : verzoeker ) en het Hauptzollamt Reutlingen ( verweerder in het hoofdgeding, hierna : verweerder ) betreffende de berekening van de aan verzoeker in het kader van de regeling inzake de extra heffing op melk toekomende referentiehoeveelheid .
3 Verzoeker leverde in de jaren 1980, 1981, 1982 en 1983 respectievelijk 188 954, 160 707, 142 417 en 142 747 kg melk aan de zuivelfabriek Milchwerk Tuebingen . Bij beschikking van 26 oktober 1984 gaven de Duitse bevoegde instanties verzoeker een attest af waarin werd verklaard, dat sinds maart 1981 een meer dan normale sterfte van melkkoeien had plaatsgevonden, die de melkproduktie aanzienlijk had beïnvloed . Op grond van die beschikking werd verzoeker op basis van de door hem in 1981 geleverde hoeveelheid, verminderd met 4 %, een referentiehoeveelheid van 155 500 kg melk toegekend .
4 Bij verordening nr . 856/84 van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening nr . 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 10 ) stelde de Raad een extra heffing in op de geleverde hoeveelheden melk die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden; de heffing is verschuldigd door de melkproducenten ( formule A ) of door de kopers van melk of andere zuivelprodukten, die ze doorberekenen in de prijs die betaald wordt aan de producenten die hun leveranties hebben verhoogd, in evenredigheid met hun bijdrage tot de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper ( formule B ).
5 De wijze van berekening van de referentiehoeveelheid, anders gezegd de hoeveelheid waarvoor de extra heffing niet geldt, is vastgesteld bij voormelde verordening nr . 857/84 van de Raad . Ingevolge artikel 2, lid 1, daarvan is de referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd of gekocht, verhoogd met 1 %. Ingevolge lid 2 van dit artikel kunnen de Lid-Staten evenwel bepalen, dat op hun grondgebied de referentiehoeveelheid gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent geleverd of gekocht gedurende het kalenderjaar 1982 of 1983, met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld, dat de gegarandeerde hoeveelheid voor de betrokken Lid-Staat niet wordt overschreden .
6 Voor sommige bijzondere situaties zijn in de artikelen 3, 4 en 4 bis van deze verordening in afwijkingen van die regels voorzien . Volgens artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 wordt "voor producenten wier melkproduktie over het overeenkomstig artikel 2 gekozen referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen die zich vóór of tijdens dat jaar hebben voorgedaan, op hun verzoek een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981-1983 in aanmerking genomen ".
7 Bij de uitvoering van de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing op melk heeft de Bondsrepubliek Duitsland gekozen voor het jaar 1983 en voor formule A ( formule producent ). Overeenkomstig de regeling van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 was de referentiehoeveelheid van de in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde producenten in beginsel dus gelijk aan de in 1983 geleverde hoeveelheid melk, verminderd met 4 %.
8 Voor het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg vordert verzoeker, dat zijn referentiehoeveelheid wordt berekend op basis van de in 1980 door hem geleverde hoeveelheid melk . Zijn melkproduktie zou gedurende de gehele periode 1981-1983 aanzienlijk zijn beïnvloed; het gelijkheidsbeginsel zou derhalve verlangen, dat zijn melkleveringen in het aan die periode voorafgaande jaar, dus in 1980, in aanmerking worden genomen . Subsidiair verzoekt hij, dat zijn referentiehoeveelheid overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr . 857/84 wordt berekend op basis van de in 1981 door hem geleverde hoeveelheid melk, verhoogd met 1 %.
9 Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhangt van de uitlegging en de geldigheid van bepalingen van de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing op melk, heeft het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd :
" 1 ) Moet artikel 3, sub 3, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ) aldus worden uitgelegd of - bij gedeeltelijke ongeldigheid - aangevuld, dat een melkproducent, wiens produktie gedurende de gehele periode 1981-1983 aanzienlijk is beïnvloed door een buitengewone gebeurtenis, een ander - bij voorbeeld het daaraan voorafgaande - jaar, waarin de melkproduktie niet aanzienlijk was beïnvloed door een buitengewone gebeurtenis, als referentiekalenderjaar kan kiezen?
2 ) Zo neen, moeten artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3 van verordening nr . 857/84 dan aldus worden uitgelegd, dat een aan een koper leverende producent wiens melkproduktie in het gekozen referentiejaar ( in de Bondsrepubliek Duitsland 1983 ) aanzienlijk was beïnvloed door een buitengewone gebeurtenis, kan verlangen dat zijn referentiehoeveelheid als leverancier wordt berekend volgens de methode van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 uitgaande van een ander referentiekalenderjaar ( 1981 of 1982 ) of volgens de methode van artikel 2, lid 1, van verordening nr . 857/84 uitgaande van de tijdens het kalenderjaar 1981 geleverde hoeveelheid melk, verhoogd met 1 %?"
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de relevante communautaire en nationale bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
11 De eerste vraag bestaat uit twee onderdelen .
12 Het eerste onderdeel strekt ertoe te vernemen, of een melkproducent wiens produktie gedurende de gehele periode 1981-1983 door een buitengewone gebeurtenis aanmerkelijk is beïnvloed, op grond van artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 kan verlangen, dat wordt uitgegaan van de gedurende een jaar vóór 1981 door hem geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent .
13 Gelijk het Hof in zijn arrest van 17 mei 1988 ( zaak 84/87, Erpelding, Jurispr . 1988, blz . 2647 ) vaststelde, geeft de in geding zijnde regeling blijkens haar opzet en doel een limitatieve opsomming van de situaties waarin referentiehoeveelheden of individuele hoeveelheden kunnen worden toegekend, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die hoeveelheden . Waar geen van die bepalingen voorziet in de mogelijkheid om melkleveringen buiten de periode 1981-1983 in aanmerking te nemen, moet ervan worden uitgegaan, dat dat ook is uitgesloten wanneer de betrokken producenten gedurende die gehele periode geen representatieve produktie hadden .
14 Deze uitlegging dringt zich te meer op, waar artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 - de enige bepaling die de producenten toestaat binnen de periode 1981-1983 een ander referentiejaar te kiezen dan dat waarvoor de betrokken Lid-Staat heeft geopteerd -, de keuze uitdrukkelijk beperkt tot een van de twee andere jaren binnen die zelfde periode .
15 Mitsdien moet op het eerste onderdeel van de eerste vraag worden geantwoord, dat een producent wiens melkproduktie gedurende de gehele periode 1981-1983 door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is beïnvloed, niet kan verlangen dat wordt uitgegaan van de gedurende een jaar vóór 1981 door hem geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent .
16 Het tweede onderdeel van de eerste vraag betreft de geldigheid van de in geding zijnde bepaling in het licht van de hierboven gegeven uitlegging .
17 Volgens verzoeker is de omstandigheid dat zijn keuzemogelijkheid is beperkt tot een referentiejaar binnen de periode 1981-1983, terwijl zijn melkproduktie gedurende die gehele periode aanmerkelijk is beïnvloed, in strijd met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, het algemene gelijkheidsbeginsel, het eigendomsrecht en de vrijheid van professionele werkzaamheden alsmede met de algemene beginselen van rechtszekerheid en bescherming van rechtmatig vertrouwen .
18 Dat betoog treft geen doel .
19 Er is geen sprake van discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap . Gelijk het Hof in zijn arrest van 17 mei 1988 ( Erpelding, reeds aangehaald ) vaststelde, is het verschil in behandeling waarover verzoeker in het hoofdgeding zich beklaagt, een gevolg van het feit dat de betrokken regeling niet in de mogelijkheid voorziet om aan producenten wier melkproduktie tijdens de gehele periode 1981-1983 sterk is gedaald, een op een representatieve produktie gebaseerde individuele hoeveelheid toe te kennen, en deze categorie producenten dus veel zwaarder treft dan degenen die binnen deze periode een representatieve produktie hadden . Dit gevolg vindt evenwel zijn rechtvaardiging in de noodzaak om in het belang van de rechtszekerheid en omwille van de goede werking van het stelsel van de extra heffing, het aantal jaren dat als referentiejaar kan worden genomen, te beperken . Het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit, is dus objectief gerechtvaardigd en kan niet worden aangemerkt als discriminerend in de zin van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, zoals uitgelegd door het Hof .
20 Ook het eigendomsrecht, de vrijheid van professionele werkzaamheden alsmede het rechtszekerheids - en het vertrouwensbeginsel zijn niet geschonden . Het is vaste rechtspraak dat, waar het om de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie gaat, zoals het geval is bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de gemeenschapswetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de aard en de draagwijdte van de te nemen maatregelen . Aangezien niets in het dossier erop wijst, dat de grenzen van die bevoegdheid in casu zijn overschreden, moeten die grieven eveneens van de hand worden gewezen .
21 Mitsdien moet op het tweede onderdeel van de eerste vraag worden geantwoord, dat bij onderzoek van artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van die bepaling kunnen aantasten .
De tweede vraag
22 De tweede vraag strekt er in wezen toe te vernemen, of een producent wiens melkproduktie gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is beïnvloed, op grond van artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 kan verlangen dat zijn referentiehoeveelheid naar zijn keuze wordt berekend volgens de methode van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 uitgaande van een ander referentiejaar, dan wel volgens de methode van artikel 2, lid 1, van die verordening uitgaande van de gedurende het jaar 1981 geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent, verhoogd met 1 %.
23 Ingevolge artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 kan onder de in die bepaling gestelde voorwaarden "een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981-1983" in aanmerking worden genomen . Gelijk het Hof in zijn arrest van 28 april 1988 ( zaak 61/87, Thevenot, Jurispr . 1988, blz . 2375 ) overwoog, blijkt uit de opzet van artikel 3, sub 3, en zijn plaats in verordening nr . 857/84, dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat het door de producent binnen de periode 1981-1983 gekozen referentiejaar volledig in de plaats komt van het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar . Deze bepaling laat de toepassing van alle andere voorschriften betreffende de vaststelling van de referentiehoeveelheden, inzonderheid artikel 2 van verordening nr . 857/84, evenwel onverlet .
24 Daaruit volgt dat een Lid-Staat die, zoals in casu, overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 het jaar 1982 of 1983 als referentiejaar heeft gekozen, alle in die bepaling vervatte regels voor de berekening van de referentiehoeveelheden in acht moet nemen, met uitzondering van de in geval van toepassing van artikel 3, sub 3, van de verordening voorziene vervanging van het referentiejaar .
25 Wanneer derhalve op verzoek van een producent die aan de in artikel 3, sub 3, gestelde voorwaarden voldoet, wordt uitgegaan van zijn melkleveringen in een ander dan het door de betrokken Lid-Staat gekozen kalenderjaar, moet op die leveringen het in die Lid-Staat algemeen toepasselijke percentage worden aangewend . Een dergelijke producent heeft dus recht op een referentiehoeveelheid die gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die hij in het door hem overeenkomstig artikel 3, sub 3, gekozen referentiejaar heeft geleverd, doch met aanwending van het in artikel 2, lid 2, bedoelde percentage, eventueel aangepast overeenkomstig de laatste volzin van dat artikel .
26 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat een producent wiens melkproduktie gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is beïnvloed, op grond van artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 niet kan verlangen dat zijn referentiehoeveelheid naar zijn keuze wordt berekend volgens de methode van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 uitgaande van een ander referentiejaar, dan wel volgens de methode van artikel 2, lid 1, van die verordening uitgaande van de gedurende het jaar 1981 geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent, verhoogd met 1 %.
Beslissing inzake de kostenKosten
27 De kosten door de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Baden-Wuerttemberg bij beschikking van 8 april 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Een producent wiens melkproduktie gedurende de gehele periode 1981-1983 door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is beïnvloed, kan op grond van artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 niet verlangen dat wordt uitgegaan van de gedurende een jaar vóór 1981 door hem geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent .
2 ) Bij onderzoek van artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van die bepaling kunnen aantasten .
3 ) Een producent wiens melkproduktie gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis aanzienlijk is beïnvloed, kan op grond van artikel 2, leden 1 en 2, en artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 niet verlangen dat zijn referentiehoeveelheid naar zijn keuze wordt berekend volgens de methode van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 uitgaande van een ander referentiejaar, dan wel volgens de methode van artikel 2, lid 1, van die verordening uitgaande van de in het jaar 1981 geleverde hoeveelheid melk of melkequivalent, verhoogd met 1 %.
Top