Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 14 MAART 1989. - CASTO DEL AMO MARTINEZ TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAAR - GEEN OVEREENSTEMMING TUSSEN KLACHT EN BEROEP. - ZAAK 133/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 00689
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Identiteit van voorwerp en grond - Middelen en argumenten niet vermeld in, doch nauw aansluitend bij klacht - Ontvankelijkheid
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
SamenvattingIn het systeem van het Statuut heeft de precontentieuze fase, die door de indiening van een voorafgaande administratieve klacht wordt ingeleid, tot doel een minnelijke schikking van een geschil tussen ambtenaren of andere personeelsleden en de administratie mogelijk te maken . Daartoe is het van belang dat het tot aanstelling bevoegd gezag met voldoende nauwkeurigheid kennis kan nemen van de grieven die de betrokkenen tegen het bestreden besluit formuleren .
Een ambtenaar kan voor het Hof alleen maar conclusies indienen die hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van zijn klacht, en kan alleen maar bezwaren doen gelden die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren . Voor het Hof kunnen ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten . In de precontentieuze fase mag de administratie de klachten overigens niet restrictief uitleggen, doch moet zij ze integendeel met openheid van geest onderzoeken .
PartijenIn zaak 133/88,
C . Del Amo Martinez, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Sandweiler, 22, rue Michel Rodange, vertegenwoordigd door B . Moutrier, advocaat en procureur te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar ten kantore van laatstgenoemde, 16, avenue de la Porte-Neuve,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door M . Peter, afdelingshoofd bij de juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek LA/104 ( Spaanstalige en Portugeestalige hoofdvertalers ) om verzoeker niet te plaatsen op de na afloop van de examens vastgestelde lijst van geschikte kandidaten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt : R . Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : D . Louterman, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 26 januari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 februari 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 mei 1988, heeft C . Del Amo Martinez, ambtenaar van de rang LA 7 bij het Europees Parlement, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek LA/104 om hem niet te plaatsen op de na afloop van de examens vastgestelde lijst van geschikte kandidaten .
2 Het vergelijkend onderzoek LA/104 was een intern vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, georganiseerd met het oog op de aanwerving van Spaanstalige en Portugeestalige hoofdvertalers .
3 De aankondiging van vergelijkend onderzoek voorzag in een aanwervingsprocedure in twee fasen . In de eerste fase diende de jury de schriftelijke bewijsstukken van de kandidaten te beoordelen en er een cijfer aan te geven . Om tot het examen te worden toegelaten, moesten de kandidaten ten minste zes tiende van het maximum aantal punten voor de schriftelijke bewijsstukken behalen . In de tweede fase moesten de kandidaten vier schriftelijke examens afleggen . De cijfers die daarbij werden toegekend, waren op zichzelf niet eliminerend . De aankondiging van vergelijkend onderzoek bepaalde evenwel, dat de kandidaten ten minste zes tiende van het totale aantal punten voor de schriftelijke bewijsstukken en de examens moesten behalen om op de lijst van geschikte kandidaten te worden geplaatst .
4 Verzoeker voldeed aan de vereisten inzake de schriftelijke bewijsstukken en werd derhalve tot het examen toegelaten . Daar hij niet het minimum van zes tiende van het totale aantal punten voor de bewijsstukken en de examens had behaald, plaatste de jury hem niet op de lijst van geschikte kandidaten .
5 In zijn klacht van 27 oktober 1987 formuleerde verzoeker drie bezwaren tegen het besluit van de jury . Allereerst zouden de examens door onvoldoende onderlegde juryleden zijn gecorrigeerd; voorts zou verzoekers examen ten opzichte van die van de andere kandidaten niet het correcte cijfer hebben gekregen; ten slotte zou de jury de regels betreffende de geheimhouding van haar werkzaamheden hebben geschonden . Verzoeker besloot zijn klacht met een in algemene termen geformuleerd verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de werkzaamheden van de jury te annuleren op grond dat de jury de statuutsbepalingen betreffende de organisatie van vergelijkende onderzoeken had geschonden, en om te onderzoeken "of de jury jegens hem correct had gehandeld ". Nadat die klacht op 11 februari 1988 was afgewezen, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld . Tot staving van zijn beroep voert hij als enig middel aan, dat de jury zijn schriftelijke bewijsstukken onjuist heeft beoordeeld .
6 Het Europees Parlement betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het door verzoeker tot staving daarvan aangevoerde middel niet in de loop van de precontentieuze procedure ter sprake is gebracht .
7 Op 15 december 1988 heeft het Hof besloten om partijen alleen te horen over het probleem van de ontvankelijkheid, met uitsluiting van de grond van de zaak .
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 Allereerst zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de precontentieuze procedure tot doel heeft een minnelijke schikking van een geschil tussen ambtenaren of andere personeelsleden en de administratie mogelijk te maken, en dat het daartoe van belang is dat het tot aanstelling bevoegd gezag met voldoende nauwkeurigheid kennis kan nemen van de grieven die de betrokkenen tegen het bestreden besluit formuleren ( arrest van 1 juli 1976, zaak 58/75, Sergy, Jurispr . 1976, blz . 1139 ).
10 Voorts zij opgemerkt, dat een ambtenaar voor het Hof alleen maar conclusies kan indienen die hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van zijn klacht, en alleen maar bezwaren kan doen gelden die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren . Voor het Hof kunnen ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten ( zie laatstelijk het arrest van 26 januari 1989, zaak 224/87, Koutchoumoff, Jurispr . 1989, blz . 99 ).
11 Ten slotte zij erop gewezen dat, aangezien de precontentieuze procedure een informeel karakter heeft en partijen in die fase in de regel niet door een advocaat worden bijgestaan, de administratie de klachten niet restrictief mag uitleggen, doch ze - integendeel - met openheid van geest moet onderzoeken .
12 Tegen de achtergrond van die beginselen moet de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep worden onderzocht .
13 In het onderhavige geval heeft verzoeker in zijn precontentieuze klacht niet alleen niet de minste zinspeling op een onjuiste beoordeling van zijn schriftelijke bewijsstukken gemaakt, maar bovendien heeft hij geen enkel element aangevoerd waaruit de Commissie, zelfs al spande zij zich in om de klacht met openheid van geest te onderzoeken, had kunnen afleiden dat hij voornemens was zich te beroepen op een vergissing ter zake van de beoordeling van zijn schriftelijke bewijsstukken .
14 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard .
Beslissing inzake de kostenKosten
15 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van datzelfde Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Top