Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 27 MAART 1990. - CARTOROBICA SPA TEGEN MINISTERO DELLE FINANZE DELLO STATO. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNALE CIVILE E PENALE DI GENOVA - ITALIE. - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - ANTI-DUMPINGRECHTEN. - ZAAK 189/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01269
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Anti-dumpingrecht - Variabel recht gelijk aan verschil tussen vooraf bepaalde bodemprijs en prijs voor eerste koper in Gemeenschap - Berekening - Omrekening van in vreemde valuta bepaalde bodemprijs in valuta van Lid-Staat van invoer - Noodzaak om waarde van beide elementen die recht kunnen bepalen, om te rekenen volgens op zelfde dag geldende wisselkoers - Toepassing, door verwijzing naar douaneregeling, van wisselkoers die geldt op voor vaststelling van douanewaarde van ingevoerde goederen aan te houden datum ter bepaling van prijs voor eerste koper in Gemeenschap
( Verordeningen van de Raad nr . 1224/80, artikelen 1, lid 1, en 9, en nr . 551/83, artikelen 1 en 2 )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Vaststelling van anti-dumpingrechten - Beoordelingsbevoegdheid van gemeenschapsinstellingen - Instelling van variabel recht, dat wordt bepaald door referentie aan bodemprijs die gelijk is aan normale waarde van goederen in staat van uitvoer en afhankelijk is van door importeur betaalde prijs - Wettigheid
( Verordeningen van de Raad nr . 3017/79, artikel 13, en nr . 551/83, artikel 2 )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Anti-dumpingrecht - Variabel recht - Berekening aan hand van bodemprijs - Vaststelling van bodemprijs in vreemde valuta in plaats van in ecu - Wettigheid
( Verordeningen van de Raad nrs . 2779/78, 3017/79, 3308/80 en 551/83, artikel 2 )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Verordening houdende instelling van anti-dumpingrecht - Latere monetaire fluctuaties, waardoor recht niet langer gerechtvaardigd is - Geen aantasting van geldigheid van verordening - Procedures op grond waarvan marktdeelnemers nieuwe economische gegevens in aanmerking kunnen laten nemen
Samenvatting1 . Wanneer een verordening een variabel anti-dumpingrecht instelt, dat gelijk is aan het verschil tussen enerzijds een in de valuta van het land van uitvoer vastgestelde bodemprijs - in casu de normale waarde van het produkt op de binnenlandse markt van het land van uitvoer, gebracht op het niveau cif-grens van de Gemeenschap - en anderzijds de prijs franco grens van de Gemeenschap, vóór betaling van de douanerechten, per ton nettogewicht, voor de eerste koper in het douanegebied van de Gemeenschap, terwijl in deze verordening geen specifieke bepalingen voorkomen over de wisselkoers die moet worden toegepast voor de omrekening van die bodemprijs in de valuta van de Lid-Staat van invoer, maar wel is gepreciseerd dat de bepalingen inzake douanerechten van toepassing zijn, dan moet de bodemprijs worden omgerekend niet volgens de wisselkoers op de dag van inwerkingtreding van de verordening, maar volgens de wisselkoers op de dag welke moet worden aangehouden voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen . Die wisselkoers is namelijk de koers die volgens de douanewaardeverordening moet worden toegepast voor de omrekening van het andere element dat bij de vaststelling van het anti-dumpingrecht een rol speelt; de waarde van de beide elementen, waarvan het verschil bepalend is voor het recht, moet worden berekend aan de hand van een op een zelfde dag geldende wisselkoers .
Deze oplossing beantwoordt aan de noodzaak om bij de heffing van een anti-dumpingrecht bij een bepaalde invoer rekening te houden met de situatie op de dag van die invoer .
2 . De wijze van vaststelling van de anti-dumpingrechten is geregeld in artikel 13 van verordening nr . 3017/79, dat met name bepaalt, dat de anti-dumpingrechten bij verordening worden ingesteld en dat in die verordening in het bijzonder het bedrag en de aard van het ingestelde recht worden vermeld .
Deze bepalingen laten de gemeenschapsinstellingen een ruime beoordelingsmarge bij de keuze van het soort recht dat in elk afzonderlijk geval de meest doeltreffende bescherming tegen invoer met dumping biedt .
De Raad overschrijdt die beoordelingsbevoegdheid niet door een anti-dumpingrecht in te stellen dat wordt bepaald door referentie aan een bodemprijs die gelijk is aan de normale waarde van de goederen op de binnenlandse markt van de Staat van uitvoer, gebracht op het niveau cif-grens van de Gemeenschap, en die afhankelijk is van de prijs die bij de invoer van de goederen in de Gemeenschap wordt betaald . Een dergelijk recht leent zich immers het best om de dumpingmarge te compenseren en een billijke behandeling van importen tegen uiteenlopende prijzen te verzekeren .
3 . Geen enkele bepaling van het gemeenschapsrecht, en met name niet verordening nr . 2779/78 houdende toepassing van de Europese rekeneenheid op de op douanegebied genomen besluiten, noch verordening nr . 3308/80 betreffende de vervanging van de Europese rekeneenheid door de ecu in de communautaire besluiten, schrijft voor dat de bodemprijs, aan de hand waarvan het variabel anti-dumpingrecht wordt berekend, in ecu moet worden uitgedrukt .
Het feit dat het door de importeurs te betalen recht afhankelijk is van een parameter die is uitgedrukt in een munteenheid die onderhevig is aan koersschommelingen die de gemeenschapsinstellingen niet in de hand hebben, volstaat op zich niet om de verordening waarbij het is ingesteld, ongeldig te verklaren .
Ieder anti-dumpingrecht, van welke soort ook en ongeacht de munteenheid waarin het is uitgedrukt of waarnaar het verwijst, kan immers door wisselkoersschommelingen worden beïnvloed . Bovendien hebben de gemeenschapsinstellingen bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de koersschommelingen van de ecu niet méér in de hand dan die van gelijk welke andere munteenheid .
4 . Aan de geldigheid van een verordening waarbij een anti-dumpingrecht wordt ingesteld, kan niet worden afgedaan door de omstandigheid, dat sedert haar inwerkingtreding de waarde van een in de valuta van een derde staat uitgedrukte en in de nationale valuta van de Lid-Staten van invoer omgerekende parameter voor de berekening van het anti-dumpingrecht, als gevolg van wisselkoersschommelingen dusdanig zou zijn gewijzigd, dat op een gegeven moment het bestaan zelf of de hoogte van het anti-dumpingrecht niet meer gerechtvaardigd is . De basisregeling inzake het anti-dumpingrecht biedt de marktdeelnemers immers de mogelijkheid om rechten die geheel dan wel gedeeltelijk niet langer gerechtvaardigd zijn, opnieuw ter discussie te stellen .
PartijenIn zaak C-189/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunale di Genova ( eerste civiele kamer ) in het aldaar aanhangig geding tussen
Cartorobica SpA
en
Ministero delle Finanze dello Stato,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid en de uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit de Verenigde Staten en aanvaarding van verbintenissen in verband met de herziening van de anti-dumpingprocedure voor kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit Canada, Finland, Oostenrijk, Portugal, de Sovjet-Unie en Zweden ( PB 1983, L 64, blz . 25 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : J.-G . Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- Cartorobica, vertegenwoordigd door F . Capelli, advocaat te Milaan,
- de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door E . F . Jacobs, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur E . Stein, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E . de March, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door R . Wagner, nationaal ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen ter terechtzitting van 12 december 1989 van Cartorobica; van de Raad, vertegenwoordigd door E . Stein, bijgestaan door T . Gallas, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde; en van de Commissie, vertegenwoordigd door E . de March, bijgestaan door R . Wagner en A . Civiletti, deskundige,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 februari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 23 juni 1988, ingekomen ten Hove op 11 juli daaraanvolgend, heeft het Tribunale di Genova ( eerste civiele kamer ) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid en de uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit de Verenigde Staten en aanvaarding van verbintenissen in verband met de herziening van de anti-dumpingprocedure voor kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit Canada, Finland, Oostenrijk, Portugal, de Sovjet-Unie en Zweden ( PB 1983, L 64, blz . 25 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Cartorobica SpA ( hierna : Cartorobica ), verzoekster in het hoofdgeding, en het Italiaanse Ministerie van Financiën .
3 Blijkens het dossier importeerde Cartorobica in september 1985 en april 1986 kraftpapier en kraftkarton uit de Verenigde Staten zonder het bij verordening nr . 551/83 ingestelde anti-dumpingrecht te betalen .
4 Op 19 juni 1987 werd haar ten verzoeke van het Italiaanse Ministerie van Financiën ( administratie van de douane ) een dwangbevel betekend tot betaling van die rechten ten bedrage van 11 276 500 LIT, vermeerderd met rente tot een bedrag van 2 204 560 LIT .
5 Tegen dit dwangbevel heeft Cartorobica verzet gedaan voor het Tribunale di Genova, met name op grond dat verordening nr . 551/83, waarop de vordering van anti-dumpingrechten was gebaseerd, ongeldig was .
6 In die omstandigheden heeft het Tribunale di Genova ( eerste civiele kamer ) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een uitspraak over de volgende prejudiciële vragen :
"1 ) Is verordening nr . 551/83 van de Raad geldig, nu zij de douaneautoriteiten van de Lid-Staten niet toestaat, de anti-dumpingrechten rechtstreeks vast te stellen aan de hand van een automatische berekening die niet afhankelijk is van de monetaire schommelingen, doch verwijst naar een definitieve en uniforme bodemprijs, een wijze van berekening waarin verordening ( EEG ) nr . 3017/79 van de Raad ( PB 1979, L 339, blz . 1, in het bijzonder artikel 2D, sub 9, en 2F, sub 13 ) noch de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel ( PB 1980, L 71, blz . 80, in het bijzonder artikel 2, lid 6 ) voorziet?
2 ) Is verordening nr . 551/83 geldig voor zover zij de bodemprijs, op basis waarvan de anti-dumpingrechten moeten worden vastgesteld, uitdrukt in US-dollars in plaats van in ecu en daardoor als parameter een munteenheid neemt waarvan de gemeenschapsinstellingen de schommelingen niet in de hand hebben?
3 ) Indien de vragen 1 en 2 bevestigend worden beantwoord en derhalve wordt aangenomen dat verordening nr . 551/83 geldig is, moet deze dan aldus worden uitgelegd, dat de in de verschillende nationale munteenheden uitgedrukte bodemprijs van 333 USD, waarvan moet worden uitgegaan bij de vaststelling van de anti-dumpingrechten, niet - op grond van monetaire schommelingen - mag afwijken van de eveneens in de nationale munteenheid uitgedrukte bodemprijs op het ogenblik waarop deze werd vastgesteld?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Het antwoord op de eerste twee prejudiciële vragen, die de geldigheid van de bestreden verordening betreffen, hangt voor een deel af van de uitlegging van die verordening, waarop de derde vraag betrekking heeft . De twijfel van de nationale rechter aan de geldigheid komt immers vooral voort uit een uitlegging van de verordening, volgens welke de hoogte van de bodemprijs, omdat deze in US-dollars is uitgedrukt, beïnvloed wordt door de koersschommelingen tussen de dollar en de valuta' s van de Lid-Staten, terwijl het er bij de derde vraag in wezen om gaat, of de verordening wel in die zin moet worden uitgelegd . Derhalve kunnen de eerste twee vragen eerst worden beantwoord nadat de derde vraag is opgelost .
De derde vraag
9 Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of verordening nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 aldus moet worden uitgelegd, dat, ongeacht de datum waarop de goederen worden ingevoerd, voor de omrekening van de in artikel 2 van de verordening bedoelde bodemprijs in de valuta van de Lid-Staat van invoer steeds de wisselkoers moet worden toegepast die gold op de dag van inwerkingtreding van de verordening .
10 Volgens artikel 2, lid 1, van de verordening komt het bedrag van het anti-dumpingrecht op kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika overeen met het verschil tussen de normale waarde in de Verenigde Staten, gebracht op het niveau cif-grens van de Gemeenschap, en de prijs franco grens van de Gemeenschap, vóór betaling van de douanerechten, per ton nettogewicht, voor de eerste koper in het douanegebied van de Gemeenschap . De in lid 2 van dat artikel bepaalde normale waarde is uitgedrukt in US-dollars . Deze berekening van het anti-dumpingrecht waarborgt, dat de handelaars in de Gemeenschap bij de invoer van kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit de Verenigde Staten een prijs moeten betalen die, rekening houdend met het eventueel verschuldigde anti-dumpingrecht, op zijn minst gelijk is aan een in dollars bepaalde vaste bodemprijs .
11 Om het anti-dumpingrecht te bepalen, moeten de twee elementen van die berekening - bodemprijs en "prijs ... voor de eerste koper" - derhalve volgens de op een zelfde dag geldende wisselkoersen in de valuta van de Lid-Staat van invoer worden omgerekend .
12 Verordening nr . 551/83 bevat geen enkele bepaling ter zake van wisselkoersen, waaruit kan worden opgemaakt of het bij die dag gaat om die waarop de verordening in werking is getreden, dan wel om die waarop de invoer plaatsvindt .
13 In artikel 1, tweede alinea, van de verordening wordt echter gepreciseerd, dat de bepalingen die gelden voor de toepassing van de douanerechten, ook op het anti-dumpingrecht van toepassing zijn .
14 Volgens die bepalingen nu, met name de artikelen 1, lid 1, sub g, en 9 van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1 ), moet "de prijs ... voor de eerste koper" in de munteenheid van de Lid-Staat van invoer worden omgerekend volgens de wisselkoers op de dag die moet worden aangehouden voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen .
15 Omdat deze dag moet worden aangehouden voor de bepaling van de bij de omrekening van de "prijs ... voor de eerste koper" te gebruiken wisselkoers, dient hij ook te worden aangehouden voor de bepaling van de wisselkoers die bij de omrekening van de bodemprijs toepasselijk is .
16 Deze conclusie vindt overigens bevestiging in het feit, dat de heffing van een anti-dumpingrecht bij een bepaalde invoer onderstelt dat rekening wordt gehouden met de situatie op de dag van die invoer .
17 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat verordening nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 aldus moet worden uitgelegd, dat de in artikel 2 van deze verordening bepaalde bodemprijs moet worden omgerekend in de valuta van de Lid-Staat van invoer niet volgens de wisselkoers op de dag van inwerkingtreding van de verordening, maar volgens die op de dag welke moet worden aangehouden voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen .
De eerste twee vragen
18 Met deze twee vragen wenst de nationale rechter van het Hof te vernemen, of verordening nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 geldig is .
19 Vooraf zij eraan herinnerd, dat deze verordening is gebaseerd op verordening ( EEG ) nr . 3017/79 van de Raad van 20 december 1979 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1979, L 339, blz . 1 ). Deze laatste verordening is op haar beurt vastgesteld ter uitvoering van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, in het bijzonder die welke voortvloeien uit de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel ( hierna : "anti-dumpingcode "), die namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij het besluit van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt ( PB 1980, L 71, blz . 1 ).
20 Gezien de wijze waarop deze vragen door de nationale rechter zijn geformuleerd, heeft het Hof te onderzoeken of verordening nr . 551/83 geldig is in zoverre daarbij een anti-dumpingrecht is ingesteld dat :
- bepaald wordt door referentie aan een bodemprijs;
- moet worden vastgesteld door de nationale douaneautoriteiten;
- afhangt van een in US-dollars en niet in ecu uitgedrukte bodemprijs;
- wordt beïnvloed door koersschommelingen .
Bepaling van het anti-dumpingrecht door referentie aan een bodemprijs
21 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat waar de nationale rechter verwijst naar artikel 2, leden 9 en 13, van basisverordening nr . 3017/79 en artikel 2, lid 6, van de anti-dumpingcode voor zijn opmerking dat de berekeningsmethode die in de onderhavige zaak is toegepast, in geen van die beide regelingen is voorzien, die verwijzing niet ter zake dienend is .
22 Genoemde bepalingen van verordening nr . 3017/79 betreffen immers de vaststelling van de dumpingmarge en de modaliteiten van de vergelijking die daarvoor moet worden gemaakt tussen de normale waarde en de exportprijs van de produkten . Zij zijn dus van geen belang voor de toetsing van de geldigheid van de methode ter berekening van het anti-dumpingrecht .
23 Hetzelfde geldt voor de door de nationale rechter genoemde bepalingen van de anti-dumpingcode . Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking, dat die bepalingen betrekking hebben op de wijze van vaststelling van de dumpingmarge en niet van het anti-dumpingrecht, waarbij in het midden kan blijven, of zij door de justitiabelen wel in rechte kunnen worden ingeroepen .
24 In de tweede plaats moet erop worden gewezen, dat de wijze van vaststelling van de anti-dumpingrechten is geregeld in artikel 13 van verordening nr . 3017/79, dat met name bepaalt, dat de anti-dumpingrechten bij verordening worden ingesteld en dat in die verordening in het bijzonder het bedrag en de aard van het ingestelde recht worden vermeld .
25 Deze bepalingen laten de gemeenschapsinstellingen een ruime beoordelingsmarge bij de keuze van het soort recht dat in elk afzonderlijk geval de meest doeltreffende bescherming tegen invoer met dumping biedt .
26 In casu heeft de Raad zijn beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door een anti-dumpingrecht in te stellen dat wordt bepaald door referentie aan een bodemprijs die gelijk is aan de normale waarde van de goederen in de Verenigde Staten van Amerika, gebracht op het niveau cif-grens van de Gemeenschap, en die afhankelijk is van de prijs die bij de invoer van de goederen in de Gemeenschap wordt betaald .
27 Die berekeningsmethode leende zich immers het best om de dumpingmarge te compenseren en ter verzekering van "een billijke behandeling van invoer tegen uiteenlopende prijzen", zoals het is geformuleerd in de laatste overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2133/78 van de Raad van 8 september 1978 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op kraftliner van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika ( PB 1978, L 247, blz . 22 ), waarop verordening nr . 551/83 een vervolg is .
Vaststelling van het anti-dumpingrecht door de douane-autoriteiten van de Lid-Staten
28 In haar opmerkingen voor het Hof betoogt Cartorobica, dat verordening nr . 551/83 de invoerprijs in de Gemeenschap, die naast de bodemprijs een van de twee elementen voor de berekening van het bij die verordening ingestelde anti-dumpingrecht is, niet nauwkeurig heeft gedefinieerd . Hierdoor zouden de douaneautoriteiten een te grote beoordelingsmarge bij de berekening van die invoerprijs en dus ook bij de vaststelling van het anti-dumpingrecht hebben, waardoor dit laatste in voorkomend geval niet in alle Lid-Staten op eenvormige wijze zou worden toegepast .
29 Vastgesteld moet worden dat, anders dan betoogd, de invoerprijs, die in verordening nr . 551/83 is gedefinieerd als de nettoprijs franco grens van de Gemeenschap vóór betaling van de douanerechten, voor de eerste koper in het douanegebied van de Gemeenschap, door de douane-autoriteiten van de Lid-Staten wel degelijk met nauwkeurigheid en zekerheid kan worden vastgesteld .
30 Die prijs is immers gelijk aan de prijs die bij de invoer werkelijk is betaald of moet worden betaald, met inbegrip van de kosten die zijn gemaakt tot de plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen, en zonder de rechten en heffingen die in dat douanegebied verschuldigd zijn .
De vaststelling van de bodemprijs in US-dollars in plaats van in ecu
31 Cartorobica betoogt in haar opmerkingen voor het Hof, dat het anti-dumpingrecht, dat in alle Lid-Staten van de Gemeenschap moet worden toegepast, niet afhankelijk mag zijn van een in de valuta van een derde staat uitgedrukte bodemprijs; deze bodemprijs had daarentegen in ecu moeten luiden .
32 Opgemerkt zij, dat geen enkele bepaling van het gemeenschapsrecht, en met name niet verordening ( EEG ) nr . 2779/78 van de Raad van 23 november 1978 houdende toepassing van de Europese rekeneenheid ( ERE ) op de op douanegebied genomen besluiten ( PB 1978, L 333, blz . 5 ), noch verordening ( EEG ) nr . 3308/80 van de Raad van 16 december 1980 betreffende de vervanging van de Europese rekeneenheid door de ecu in de communautaire besluiten ( PB 1980, L 345, blz . 1 ), voorschrijft dat de bodemprijs, aan de hand waarvan het betrokken anti-dumpingrecht moest worden berekend, in ecu moet worden uitgedrukt .
33 Voorts heeft de Raad zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake niet overschreden door de bodemprijs in dollars uit te drukken, met name gelet op het feit dat die prijs de normale waarde in de Verenigde Staten van Amerika van de met dumping ingevoerde goederen weergeeft .
De invloed van wisselkoersschommelingen op de hoogte van het anti-dumpingrecht
34 Cartorobica betoogt, dat de in de munteenheden van de Lid-Staten omgerekende bodemprijs - en dus ook de hoogte van het anti-dumpingrecht - varieert met de koersschommelingen van de US-dollar . De zeer sterke koersstijging van de US-dollar ten opzichte van de lire tussen de datum van inwerkingtreding van verordening nr . 551/83 en de datum van de invoerverrichtingen zou voor de Italiaanse importeurs extra lasten hebben meegebracht, waardoor zij werden gediscrimineerd ten opzichte van hun concurrenten in Lid-Staten met een sterke munt, zoals de Bondsrepubliek Duitsland . Deze situatie had zich niet kunnen voordoen indien de bodemprijs in ecu was uitgedrukt .
35 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat het feit dat het door de importeurs te betalen recht onder meer afhankelijk is van een parameter die is uitgedrukt in een munteenheid die onderhevig is aan koersschommelingen die de gemeenschapsinstellingen niet in de hand hebben, op zich niet volstaat om verordening nr . 551/83 ongeldig te verklaren .
36 Ieder anti-dumpingrecht, van welke soort ook en ongeacht de munteenheid waarin het is uitgedrukt of waarnaar het verwijst, kan immers door wisselkoersschommelingen worden beïnvloed .
37 Bovendien hebben de gemeenschapsinstellingen bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de koersschommelingen van de ecu niet méér in de hand dan die van gelijk welke andere munteenheid .
38 Men dient zich echter af te vragen, of aan de geldigheid van de bestreden verordening kan worden afgedaan door de omstandigheid - zo deze al zou zijn bewezen -, dat sedert haar inwerkingtreding de waarde van de erin vastgestelde bodemprijs, omgerekend in de nationale valuta van de Lid-Staten van invoer, als gevolg van wisselkoersschommelingen dusdanig zou zijn gewijzigd, dat op een gegeven moment het bestaan zelf of de hoogte van het anti-dumpingrecht niet meer gerechtvaardigd was .
39 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de basisregeling de marktdeelnemers de mogelijkheid biedt om rechten die geheel dan wel gedeeltelijk niet langer gerechtvaardigd zijn, opnieuw ter discussie te stellen .
40 Zij kunnen de Commissie immers verzoeken, de verordeningen waarbij anti-dumpingrechten zijn ingesteld, aan een nieuw onderzoek te onderwerpen, en aldus in voorkomend geval de wijziging, intrekking of annulering van de erin neergelegde maatregelen verkrijgen .
41 Voor zover zij weten aan te tonen dat het anti-dumpingrecht hoger is dan de werkelijke marge van dumping, kunnen de betaalde rechten hun bovendien geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald .
42 Uit het voorgaande volgt, dat bij onderzoek van de eerste twee vragen van het Tribunale di Genova niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 kunnen aantasten .
Beslissing inzake de kostenKosten
43 De kosten door het Koninkrijk der Nederlanden, de Raad van de Europese Gemeenschappen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Tribunale di Genova ( eerste civiele kamer ) bij beschikking van 23 juni 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Verordening ( EEG ) nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit de Verenigde Staten en aanvaarding van verbintenissen in verband met de herziening van de anti-dumpingprocedure voor kraftpapier en kraftkarton van oorsprong uit Canada, Finland, Oostenrijk, Portugal, de Sovjet-Unie en Zweden, moet aldus worden uitgelegd, dat de in artikel 2 van deze verordening bepaalde bodemprijs moet worden omgerekend in de valuta van de Lid-Staat van invoer niet volgens de wisselkoers op de dag van inwerkingtreding van de verordening, maar volgens die op de dag welke moet worden aangehouden voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen .
2 ) Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening ( EEG ) nr . 551/83 van de Raad van 8 maart 1983 kunnen aantasten .
Top