Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 26 OKTOBER 1989. - STRAAFZAAK TEGEN FELIX LEVY EN ANDEREN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL DE PARIS - FRANKRIJK. - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - VRIJWARINGSMAATREGELEN. - ZAAK 212/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03511
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Produkten in vrij verkeer - Vereiste van invoervergunning - Verbod - Uitzondering - Machtiging van Commissie krachtens artikel 115 - Vereisten inzake verklaring van oorsprong en strafbedreiging - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
( EEG-Verdrag, artikelen 30 en 115 )
SamenvattingEen nationale regeling die de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij in het vrije verkeer zijn en van oorsprong uit een derde land, afhankelijk stelt van de afgifte van een invoervergunning, vormt een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking, behalve wanneer de Lid-Staat krachtens artikel 115 EEG-Verdrag door de Commissie is gemachtigd de betrokken produkten van de communautaire behandeling uit te sluiten . Bij ontbreken van een dergelijke machtiging kunnen de Lid-Staten niet verlangen, dat de importeur met betrekking tot de oorsprong van de produkten iets anders vermeldt dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn; zij kunnen op het ontbreken of de onjuistheid van een dergelijke verklaring straffen stellen, maar niet die welke zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen, zelfs indien de onjuiste aangifte met bedrieglijk oogmerk is gedaan . Wanneer een dergelijke machtiging is verleend en binnen de grenzen ervan, kunnen de Lid-Staten op de invoer zonder voorafgaande vergunning de straffen stellen die zijn voorzien voor het niet aangeven van de invoer van verboden goederen; zij kunnen de importeur verplichten de oorsprong van de ingevoerde produkten aan te geven, en op de niet-nakoming van deze verplichting de straffen stellen die zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen .
PartijenIn zaak 212/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de cour d' appel te Parijs, in de aldaar dienende strafzaak tegen
F . Levy, te Brussel, en anderen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag in verband met een nationale wettelijke regeling die, onder strafbedreiging, de invoer van textielprodukten van oorsprong uit derde landen die in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht, onderwerpt aan een stelsel van voorafgaande vergunningen, en van de importeurs verlangt, dat zij de eerste oorsprong van de aldus ingevoerde produkten aangeven,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door E . Belliard en G . de Bergues, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M . J . Jonczy en door C . Berardis-Kayser, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 23 mei 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij arrest van 6 juli 1988, ingekomen ten Hove op 1 augustus daaraanvolgend, heeft de cour d' appel te Parijs krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag .
2 Die vraag is gerezen in een strafzaak waarin Levy en Bazini, verdachten in het hoofdgeding, door het tribunal de grande instance te Parijs waren veroordeeld wegens de invoer zonder aangifte van verboden goederen, zoals strafbaar gesteld in de artikelen 426, leden 2 en 3, en 414 van de Franse Code des douanes . Deze veroordeling volgde op een reeks van 22 invoeraangiften voor textielprodukten, ingeschreven bij het Franse douanekantoor Le Bourget tussen 8 maart 1976 en 31 mei 1977 . De goederen hadden een douanewaarde van FF 3 998 357 en waren in Frankrijk ingevoerd in "hergebruikte" dozen of dozen met de vermelding "Belgium ". Op de desbetreffende facturen stond evenwel niet vermeld, dat de goederen waren vervaardigd in Zuid-Korea, Taiwan of Pakistan .
3 De cour d' appel te Parijs, die in hoger beroep kennis diende te nemen van deze zaak, heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vraag te stellen :
"Vormen de Franse wettelijke en administratiefrechtelijke bepalingen betreffende de invoer in Frankrijk van textielprodukten uit derde landen die in een der Lid-Staten van de EEG in het vrije verkeer zijn gebracht, op grond waarvan degenen die dergelijke goederen in Frankrijk invoeren, vooraf een invoervergunning moeten aanvragen, en waarin de gegevens zijn omschreven die in de aangiften ten invoer in Frankrijk moeten worden vermeld, een en ander onder bedreiging van de in artikel 414 van de Franse Code des douanes vermelde straffen, bij de huidige uitlegging van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking?"
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de relevante communautaire bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
5 De vraag van de verwijzende rechter strekt er in wezen toe te vernemen, of artikel 30 EEG-Verdrag in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die, onder strafbedreiging, de invoer van textielprodukten van oorsprong uit derde landen die in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht, onderwerpt aan een stelsel van voorafgaande vergunningen, en van de importeurs verlangt, dat zij de eerste oorsprong van de aldus ingevoerde produkten aangeven .
6 In de door haar bij het Hof ingediende opmerkingen betoogt de Franse regering, dat een Lid-Staat ten tijde van de feiten die aan het onderhavige geschil ten grondslag liggen, gerechtigd was de invoer in Frankrijk van textielprodukten van oorsprong uit derde landen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer waren gebracht, afhankelijk te stellen van de afgifte van een invoervergunning, zulks overeenkomstig beschikking 71/202/EEG van de Commissie van 12 mei 1971 waarbij de Lid-Staten worden gemachtigd beschermende maatregelen te treffen ten aanzien van de invoer van bepaalde produkten van oorsprong uit derde landen die in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer worden gebracht ( PB 1971, L 121, blz . 26 ). Op het doen van valse invoeraangiften stonden straffen als bedoeld in artikel 414 van de Franse Code des douanes, wanneer de onjuiste of onvolledige aangiften met bedrieglijk oogmerk waren gedaan .
7 De Commissie merkt op, dat de op grond van beschikking 71/202/EEG getroffen maatregelen beperkt dienden te blijven tot louter toezicht en de invoer van een in het vrije verkeer gebracht produkt niet mochten verbieden . Wanneer de Lid-Staat evenwel vaststelde, dat de invoer van een bepaald produkt tot verkeersverleggingen leidde die de uitvoering van een overeenkomstig het Verdrag genomen handelspolitieke maatregel konden verhinderen, kon hij de Commissie verzoeken om toepassing van artikel 115, eerste alinea, EEG-Verdrag . De Commissie is tot slot van mening, dat een Lid-Staat evenwel niet gerechtigd is om in het kader van de maatregelen van toezicht straffen toe te passen zonder daarbij te onderscheiden tussen gevallen waarin de importeur een valse aangifte heeft gedaan ten einde een verboden invoer te verrichten, en gevallen waarin het louter gaat om een onjuistheid in de aangifte ter zake van een invoer die op zichzelf niet kan worden verboden en waarbij de overlegging van documenten enkel dient om de goederenbewegingen te kunnen registreren .
8 De bepalingen van artikel 30 EEG-Verdrag inzake de afschaffing van kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking gelden zonder onderscheid voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en voor produkten welke, ongeacht hun eerste oorsprong, in één der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht . Bovendien verbiedt artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag iedere administratieve handelwijze, die leidt tot toepassing van verschillende regelingen voor het goederenverkeer naargelang de produkten van oorsprong zijn uit de Gemeenschap, dan wel uit derde landen en in één der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht, daar de regeling betreffende het vrije verkeer zonder onderscheid voor beide groepen van produkten geldt .
9 Uit het stelsel van het Verdrag blijkt evenwel, dat de toepassing van bovengenoemde beginselen afhankelijk is van de invoering van een gemeenschappelijke handelspolitiek . De omstandigheid dat de gemeenschappelijke handelspolitiek nog niet voltooid is, kan evenwel tot gevolg hebben dat tussen de Lid-Staten dispariteiten op handelspolitiek gebied blijven bestaan, die de oorzaak kunnen zijn van verkeersverleggingen of economische moeilijkheden in sommige Lid-Staten . Dergelijke moeilijkheden kunnen evenwel overwonnen worden door toepassing van artikel 115 EEG-Verdrag .
10 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie de arresten van 15 december 1976, zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr . 1976, blz . 1921; 30 november 1977, zaak 52/77, Cayrol, Jurispr . 1977, blz . 2261, en 28 maart 1979, zaak 179/78, Rivoira, Jurispr . 1979, blz . 1147 ) geeft slechts artikel 115 EEG-Verdrag de Commissie de bevoegdheid de Lid-Staten te machtigen tot het nemen van beschermende maatregelen, met name in de vorm van afwijkingen van het beginsel van het vrije verkeer van goederen, voor produkten van oorsprong uit derde landen die in een der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht . Is niet voldaan aan de in artikel 115 EEG-Verdrag voorziene materiële en formele voorwaarden, dan kan een Lid-Staat niet worden gemachtigd tot het nemen van dergelijke beschermende maatregelen, en beschikking 71/202/EEG kan niet tot gevolg hebben gehad, dat de Lid-Staten daartoe een algemene machtiging werd verleend .
11 Voor de beantwoording van de prejudiciële vraag moet er dus een onderscheid worden gemaakt tussen het geval waarin een krachtens artikel 115 EEG-Verdrag verleende specifieke machtiging voor bepaalde produkten ontbreekt, en het geval waarin een dergelijke machtiging is verleend .
12 Opgemerkt zij, dat volgens genoemde rechtspraak van het Hof een Lid-Staat in het eerste geval de invoer op zijn grondgebied van in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer gebrachte goederen niet aan het vereiste van een invoervergunning mag onderwerpen .
13 Uit die rechtspraak volgt tevens, dat de Lid-Staten ten tijde van de feiten van het hoofdgeding gerechtigd waren, bij de invoer van in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer gebrachte produkten de overlegging van bepaalde documenten te verlangen ten einde de oorsprong van die produkten vast te stellen of op de hoogte te blijven van de goederenbewegingen . Zij kunnen evenwel niet verlangen, dat de importeur met betrekking tot de oorsprong van de produkten iets anders vermeldt dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn .
14 In dit verband heeft het Hof onder meer verklaard, dat niet-nakoming door de importeur van zijn verplichting om de eerste oorsprong van een waar te vermelden, niet mag leiden tot straffen die onevenredig zijn aan de aard van de overtreding . Ofschoon op dergelijke onjuiste aangiften in voorkomend geval straffen kunnen worden gesteld, die zwaarder mogen zijn wanneer de onjuiste aangiften met bedrieglijk oogmerk zijn gedaan, kunnen daarop, zelfs in laatstgenoemd geval, niet de straffen worden gesteld welke zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen .
15 Wanneer daarentegen de Commissie krachtens artikel 115 EEG-Verdrag een Lid-Staat machtigt om bepaalde produkten van de communautaire behandeling uit te sluiten, kan deze Lid-Staat, ten einde de doeltreffende uitvoering van de beschikking te waarborgen, een stelsel van voorafgaande invoervergunningen invoeren waarvan de inachtneming wordt afgedwongen met straffen . Binnen de grenzen van deze machtiging staat het gemeenschapsrecht er ook niet aan in de weg, dat de importeurs worden verplicht de eerste oorsprong van de produkten aan te geven, en dat op de niet-nakoming van deze verplichting de straffen worden gesteld welke zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen .
16 In dit verband heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat Frankrijk ten tijde van de feiten van het hoofdgeding krachtens artikel 115, eerste alinea, was gemachtigd tot het nemen van beschermende maatregelen bij de invoer van bepaalde textielprodukten uit Zuid-Korea, dat wil zeggen die produkten van de communautaire behandeling mocht uitsluiten . Het staat aan de nationale rechter, na te gaan of voor de betrokken goederen een dergelijke machtiging is verleend .
17 Mitsdien moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat een nationale regeling die de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij in het vrije verkeer zijn en van oorsprong uit een derde land, afhankelijk stelt van de afgifte van een invoervergunning, een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking vormt, behalve wanneer de Lid-Staat krachtens artikel 115 EEG-Verdrag door de Commissie is gemachtigd de betrokken produkten van de communautaire behandeling uit te sluiten . Bij ontbreken van een dergelijke machtiging kunnen de Lid-Staten niet verlangen, dat de importeur met betrekking tot de oorsprong van de produkten iets anders vermeldt dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn; zij kunnen op het ontbreken of de onjuistheid van een dergelijke verklaring straffen stellen, maar niet die welke zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen, zelfs indien de onjuiste aangifte met bedrieglijk oogmerk is gedaan . Wanneer een dergelijke machtiging is verleend en binnen de grenzen ervan, kunnen de Lid-Staten op de invoer zonder voorafgaande vergunning de straffen stellen die zijn voorzien voor het niet aangeven van de invoer van verboden goederen; zij kunnen de importeur verplichten de oorsprong van de ingevoerde produkten aan te geven, en op de niet-nakoming van deze verplichting de straffen stellen die zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen .
Beslissing inzake de kostenKosten
18 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
uitspraak doende op de door de cour d' appel te Parijs bij arrest van 6 juli 1988 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Een nationale regeling die de invoer van produkten afkomstig uit een Lid-Staat waar zij in het vrije verkeer zijn en van oorsprong uit een derde land, afhankelijk stelt van de afgifte van een invoervergunning, vormt een door artikel 30 EEG-Verdrag verboden kwantitatieve beperking, behalve wanneer de Lid-Staat krachtens artikel 115 EEG-Verdrag door de Commissie is gemachtigd de betrokken produkten van de communautaire behandeling uit te sluiten . Bij ontbreken van een dergelijke machtiging kunnen de Lid-Staten niet verlangen, dat de importeur met betrekking tot de oorsprong van de produkten iets anders vermeldt dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn; zij kunnen op het ontbreken of de onjuistheid van een dergelijke verklaring straffen stellen, maar niet die welke zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen, zelfs indien de onjuiste aangifte met bedrieglijk oogmerk is gedaan . Wanneer een dergelijke machtiging is verleend en binnen de grenzen ervan, kunnen de Lid-Staten op de invoer zonder voorafgaande vergunning de straffen stellen die zijn voorzien voor het niet aangeven van de invoer van verboden goederen; zij kunnen de importeur verplichten de oorsprong van de ingevoerde produkten aan te geven, en op de niet-nakoming van deze verplichting de straffen stellen die zijn voorzien voor onjuiste aangiften die zijn gedaan om verboden importen te bewerkstelligen .
Top