Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 28 MAART 1990. - MALT GMBH TEGEN HAUPTZOLLAMT DUESSELDORF. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: BUNDESFINANZHOF - DUITSLAND. - ECHTHEIDSCERTIFICAAT - DOUANEWAARDE - VERORDENING NR. 1224/80. - ZAAK 219/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01481
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Gemeenschappelijk douanetarief - Douanewaarde - Aan verkoper betaalde bedragen voor echtheidscertificaten die vereist zijn in kader van bij verordening ( EEG ) nr . 217/81 geopend tariefcontingent - Daaronder begrepen - Indeling als bij invoer in Gemeenschap verschuldigde belastingen - Ontoelaatbaarheid
( Verordeningen van de Raad nr . 1224/80, artikel 3, leden 1, 3 en 4, en nr . 217/81 )
SamenvattingVerordening ( EEG ) nr . 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen, in het bijzonder artikel 3, leden 1 en 3, moet aldus worden uitgelegd, dat bij de bepaling van de douanewaarde van rundvlees uit Argentinië, ingevoerd in het kader van verordening ( EEG ) nr . 217/81 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van de posten 02.01 A II a en 02.01 A II b van het gemeenschappelijk douanetarief, de bedragen die naast de prijs van de goederen aan de verkoper zijn betaald voor de echtheidscertificaten die voor de toepassing van de contingenteringsregeling vereist zijn, moeten worden geacht deel uit te maken van de douanewaarde .
Deze bedragen zijn niet te beschouwen als belastingen die bij invoer in de Gemeenschap zijn verschuldigd in de zin van artikel 3, lid 4, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 .
PartijenIn zaak C-219/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in het aldaar aanhangig geding tussen
Malt GmbH
en
Hauptzollamt Duesseldorf
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R . Joliet en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen van :
- Malt GmbH, vertegenwoordigd door D . Ehle, advocaat te Keulen
- Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Sack als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 28 juni 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 oktober 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 26 mei 1988, ingekomen bij het Hof op 3 augustus daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Malt GbmH en het Hauptzollamt Duesseldorf over de beslissing van dit douanekantoor om bij de bepaling van de douanewaarde van een partij rundvlees de kosten die in de Argentijnse Republiek waren gemaakt ter verkrijging van echtheidscertificaten voor dat vlees, in die waarde op te nemen . Die certificaten waren vereist om het rundvlees vrij van heffingen te kunnen invoeren in het kader van het communautaire tariefcontingent dat bij verordening ( EEG ) nr . 217/81 van de Raad van 20 januari 1981 ( PB 1981, L 38, blz . 1 ) was geopend voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit van de posten 02.01 A II a en 02.01 A II b van het gemeenschappelijke douanetarief .
3 Volgens artikel 2, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 263/81 van de Commissie van 21 januari 1981 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de invoerregelingen die in de sector rundvlees zijn ingesteld bij verordening ( EEG ) nr . 218/81 ( PB 1981, L 27, blz . 52 ), wordt voor vlees waarop verordening ( EEG ) nr . 217/81 betrekking heeft, de heffing bij invoer volledig geschorst indien een echtheidscertificaat wordt overgelegd . Dit certificaat wordt afgegeven door het land van uitvoer, volgens het model opgenomen in bijlage I bij verordening ( EEG ) nr . 263/81; er wordt in verklaard, dat het betrokken vlees aan de in artikel 1 van die verordening gestelde criteria voldoet .
4 Overeenkomstig afdeling V, sub ii, van de Regeling tussen de Argentijnse Republiek en de Gemeenschap betreffende rundvlees ( PB 1980, L 71, blz . 168 ) kunnen de Argentijnse autoriteiten de procedure voor de afgifte van echtheidscertificaten naar eigen goeddunken regelen, mits gewaarborgd wordt dat de produkten aan de genoemde criteria voldoen . Volgens de Argentijnse regeling wordt aan elk exportslachthuis een quotum toegewezen, ten belope waarvan het echtheidscertificaten mag afgeven . De slachthuizen mogen de quota en de daarop betrekking hebbende certificaten niet rechtstreeks aan elkaar overdragen . Indirect vindt echter wel overdracht plaats en wel in dier voege, dat slachthuizen die geen quotum meer hebben, de dieren laten slachten in andere bedrijven die nog wel over een quotum beschikken en die dan ook het echtheidscertificaat afgeven .
5 Wanneer het geleverde vlees vergezeld gaat van een echtheidscertificaat en het dus vrij van heffing in de Gemeenschap kan worden ingevoerd, moet de koper naast de voor het vlees overeengekomen prijs een extra bedrag betalen aan het slachthuis dat het certificaat heeft afgegeven .
6 Verzoekster meldde in oktober 1981 uit Argentinië afkomstig rundvlees ten invoer aan . In haar aangifte vermeldde zij als douanewaarde de factuurprijs van de goederen, verminderd met het extra bedrag dat zij voor de echtheidscertificaten had betaald . Bij de berekening van het invoerrecht ging het Hauptzollamt Duesseldorf echter uit van de koopprijs van het vlees inclusief de extra bedragen voor de echtheidscertificaten .
7 Toen haar bezwaarschrift en het bij het Finanzgericht ingestelde beroep tegen deze beschikking zonder resultaat bleven, stelde verzoekster beroep tot "Revision" in bij het Bundesfinanzhof . Dit heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd :
"1 ) Moet verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1 ), inzonderheid artikel 3, leden 1 en 3, sub a, aldus worden uitgelegd, dat bij de bepaling van de waarde van Argentijns rundvlees dat in 1981 in het kader van een communautair tariefcontingent vrij van heffingen in het vrije verkeer is gebracht, de bedragen die naast de prijs van de goederen aan de verkoper zijn betaald voor de echtheidscertificaten die voor de toepassing van de contingenteringsregeling vereist zijn, tot de werkelijk betaalde of te betalen prijs ( transactiewaarde ) moeten worden gerekend?
2 ) Zo ja, moet genoemde verordening, inzonderheid artikel 3, lid 4, sub b, aldus worden uitgelegd, dat voor de bepaling van de douanewaarde de voor de certificaten betaalde bedragen moeten worden beschouwd als belastingen die bij invoer in de Gemeenschap zijn verschuldigd?
3 ) Zo vraag 2 bevestigend wordt beantwoord : moet genoemde verordening, inzonderheid artikel 3, lid 4, dan aldus worden uitgelegd, dat voldaan is aan het vereiste dat de kosten onderscheiden zijn van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, wanneer de factuur een totaalbedrag voor de goederen en de kosten van de certificaten vermeldt, maar daarnaast die kosten specificeert?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
9 Artikel 3, lid 1, aanhef, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 luidt als volgt :
"De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8 ..."
10 Verder bepaalt artikel 3, lid 3, sub a, eerste zin, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 3193/80 van de Raad van 8 december 1980 ( PB 1980, L 333, blz . 1 ):
"De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper ...."
11 Ten slotte geeft artikel 8 van verordening ( EEG ) nr . 1224/80, waarnaar artikel 3, lid 1, verwijst, een limitatieve opsomming van de bijkomende kosten waarmee de werkelijk betaalde of te betalen prijs bij de vaststelling van de douanewaarde moet worden verhoogd . Daar de kosten voor het verkrijgen van echtheidscertificaten daar niet zijn genoemd, kunnen zij bij de bepaling van de douanewaarde slechts in aanmerking worden genomen indien zij als een bestanddeel van de prijs van de goederen zijn aan te merken .
12 Verzoekster beroept zich in het bijzonder op het arrest van het Hof van 9 februari 1984 ( zaak 7/83, Ospig, Jurispr . 1984, blz . 609 ) ten betoge, dat het extra bedrag voor het echtheidscertificaat geen deel uitmaakt van de "voor de ingevoerde goederen" werkelijk betaalde of te betalen prijs . In dat arrest verklaarde het Hof voor recht, dat de in een derde land in rekening gebrachte quotakosten voor het verkrijgen van exportcontingenten voor textielgoederen geen deel uitmaakten van de douanewaarde .
13 Er bestaat echter een aanmerkelijk verschil tussen de echtheidscertificaten die voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit zijn vereist, en de uitvoervergunningen voor textielgoederen . Deze laatste hebben geen betrekking op een welbepaalde koopovereenkomst, maar op een bepaalde categorie goederen en kunnen los van deze goederen worden verkocht, waarbij de te betalen prijs een - van de koopprijs van de goederen te onderscheiden - afzonderlijke tegenprestatie voor het recht op uitvoer is .
14 Bij de invoerregeling voor rundvlees van hoge kwaliteit bestaat echter een onlosmakelijk verband tussen het echtheidscertificaat en de goederen zelf . Het certificaat dient als bewijs, dat de goederen overeenstemmen met de in artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 263/81 genoemde kenmerken . Daar het hierbij om kwaliteitskenmerken van slachtrunderen gaat, kan het certificaat niet worden afgegeven zonder dat het betrokken slachthuis het rund heeft onderzocht . Anders dan bij de quotaregeling voor textielgoederen het geval is, kunnen echtheidscertificaten niet regelmatig worden verhandeld zonder de goederen waarop zij betrekking hebben . Ook bij indirecte overdracht van quota door het ene slachthuis aan het andere hebben het echtheidscertificaat en de daarin opgenomen verklaring betrekking op een welbepaalde partij vlees .
15 Hieruit volgt, dat de verkrijgingskosten van echtheidscertificaten zijn te beschouwen als bestanddeel van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs en derhalve als deel van de douanewaarde .
16 Het krachtens artikel 17 van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 ingestelde Comité douanewaarde, waaraan de Commissie het onderhavige geval heeft voorgelegd, is overigens in zijn conclusie nr . 15 tot dezelfde slotsom gekomen . Volgens deze conclusie dient "het voor het certificaat in rekening gebrachte bedrag ... in de douanewaarde ... te worden begrepen ."
17 Op de eerste vraag van het Bundesfinanzhof moet mitsdien worden geantwoord, dat verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, in het bijzonder artikel 3, leden 1 en 3, aldus moet worden uitgelegd, dat bij de bepaling van de douanewaarde van rundvlees uit Argentinië, ingevoerd in het kader van verordening ( EEG ) nr . 217/81 van de Raad van 20 januari 1981 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van de posten 02.01 A II a en 02.01 A II b van het gemeenschappelijk douanetarief, de bedragen die naast de prijs van de goederen aan de verkoper zijn betaald voor de echtheidscertificaten die voor de toepassing van de contingenteringsregeling vereist zijn, moeten worden geacht deel uit te maken van de douanewaarde .
De tweede vraag
18 Artikel 3, lid 4, sub b, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 bepaalt, dat invoerrechten en andere belastingen die in de Gemeenschap zijn verschuldigd bij de invoer of de verkoop van de goederen, niet tot de douanewaarde behoren, voor zover zij onderscheiden zijn van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs .
19 Verzoekster betoogt, dat de voor de echtheidscertificaten betaalde extra bedragen materieel het equivalent zijn van de heffingen, van welker inning de Gemeenschap in het kader van het tariefcontingent heeft afgezien . Ook al moeten zij in een ander land worden betaald, zouden het derhalve belastingen zijn in de zin van artikel 3, lid 4, sub b, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 .
20 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat artikel 3, lid 4, slechts spreekt van "belastingen die in de Gemeenschap zijn verschuldigd ". De kosten van de echtheidscertificaten worden als bestanddeel van de voor de goederen te betalen prijs betaald aan het Argentijnse slachthuis dat het certificaat afgeeft . Zij kunnen dus niet worden aangemerkt als "belastingen die in de Gemeenschap zijn verschuldigd", daar deze laatste naar hun aard door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten worden geheven .
21 Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 3, lid 4, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 aldus moet worden uitgelegd, dat de voor de echtheidscertificaten betaalde bedragen niet zijn te beschouwen als belastingen die bij invoer in de Gemeenschap zijn verschuldigd .
De derde vraag
22 Gezien het antwoord op de tweede vraag behoeft over de derde vraag niet te worden beslist .
Beslissing inzake de kostenKosten
23 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, in het bijzonder artikel 3, leden 1 en 3, moet aldus worden uitgelegd, dat bij de bepaling van de douanewaarde van rundvlees uit Argentinië, ingevoerd in het kader van verordening ( EEG ) nr . 217/81 van de Raad van 20 januari 1981 betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van de posten 02.01 A II a en 02.01 A II b van het gemeenschappelijk douanetarief, de bedragen die naast de prijs van de goederen aan de verkoper zijn betaald voor de echtheidscertificaten die voor de toepassing van de contingenteringsregeling vereist zijn, moeten worden geacht deel uit te maken van de douanewaarde .
2 ) Artikel 3, lid 4, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 moet aldus worden uitgelegd, dat de voor de echtheidscertificaten betaalde bedragen niet zijn te beschouwen als belastingen die bij invoer in de Gemeenschap zijn verschuldigd .
Top