Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 15 MEI 1990. - KONGRESS AGENTUR HAGEN GMBH TEGEN ZEEHAGHE BV. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOGE RAAD - NEDERLAND. - EEG-EXECUTIEVERDRAG - ARTIKEL 6, SUB 2 - VORDERING TOT VRIJWARING. - ZAAK 365/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01845
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Bijzonder bevoegdheden - Vordering tot vrijwaring - Bevoegdheid uitsluitend afhankelijk van bestaan van samenhang met hoofdvordering - Vordering ingesteld bij gerecht waarbij oorspronkelijke vordering op basis van artikel 5, sub 1, Executieverdrag aanhangig is gemaakt - Daaronder begrepen - Ontvankelijkheidsvoorwaarden - Toepassing van procesrecht van aangezochte rechter - Grenzen
( Executieverdrag, artikelen 5, sub 1, en 6, sub 2 )
SamenvattingIndien een verweerder die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ingevolge artikel 5, aanhef en sub 1, van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, is opgeroepen voor de rechter van een andere verdragsluitende staat, is deze rechter ingevolge artikel 6, aanhef en sub 2, van het Verdrag ook bevoegd kennis te nemen van een vordering tot vrijwaring tegen iemand die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van de rechter waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is . Om het geding geheel bij een en hetzelfde gerecht te kunnen concentreren, verlangt laatstgenoemde bepaling immers enkel dat de hoofdvordering en de vordering tot vrijwaring verknocht zijn, ongeacht op welke regel de bevoegdheid in het bodemgeschil is gebaseerd .
Artikel 6, aanhef en sub 2, moet aldus worden uitgelegd, dat het de nationale rechter niet verplicht de oproeping in vrijwaring toe te staan, en dat die rechter de ontvankelijkheid van de vordering mag toetsen aan de procesregels van zijn nationale recht, mits hij daarbij geen afbreuk doet aan het nuttig effect van het Executieverdrag en, in het bijzonder, de weigering om de oproeping in vrijwaring toe te staan, niet baseert op de omstandigheid dat de waarborg zijn verblijf - of woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van het gerecht waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is .
PartijenIn zaak C-365/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen
Kongress Agentur Hagen GmbH, te Duesseldorf ( Bondsrepubliek Duitsland ),
en
Zeehaghe BV, te 's-Gravenhage ( Nederland ),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 6, aanhef en sub 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R . Joliet en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Kongress Agentur Hagen GmbH, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door E . C . M . Schippers, advocaat te 's-Gravenhage,
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door Chr . Boehmer als gemachtigde,
- de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door R . de Gouttes als gemachtigde en G . de Bergues als plaatsvervangend gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B . J . Drijber, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door G . Cherubini, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 november 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij arrest van 9 december 1988, ingekomen bij het Hof op 15 december daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( hierna : het Executieverdrag ), drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 6, aanhef en sub 2, van dat verdrag .
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Kongress Agentur Hagen GmbH ( hierna : Hagen ), te Duesseldorf ( Bondsrepubliek Duitsland ), en Zeehaghe BV, te 's-Gravenhage ( Nederland ).
3 Hagen had op verzoek en voor rekening van de cooeperatieve vereniging Garant Schuhgilde eG ( hierna : Schuhgilde ), te Duesseldorf, bij Zeehaghe een groot aantal hotelkamers gereserveerd . Toen die reservering werd geannuleerd, dagvaardde Zeehaghe Hagen voor de rechtbank te 's-Gravenhage en vorderde betaling van een geldbedrag vermeerderd met rente en kosten wegens niet-nakoming van haar contractuele verbintenissen . Hagen concludeerde tot onbevoegdheid van de rechtbank om van de vordering kennis te nemen, en, subsidiair, tot oproeping in vrijwaring van haar opdrachtgeefster Schuhgilde .
4 De rechtbank verwierp de vordering tot vrijwaring, op grond dat toewijzing ervan het geding zou compliceren en vertragen . Hagen ging van deze beslissing in beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, stellende dat artikel 6, sub 2, Executieverdrag de rechter waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is, verplicht de oproeping in vrijwaring toe te staan, "tenzij de vordering slechts is ingesteld om de opgeroepene af te trekken van de rechter die de wet hem toekent", een uitzondering die in genoemde bepaling zelf is genoemd .
5 Het gerechtshof verwierp deze stelling en bevestigde de beslissing van de rechtbank, op grond dat artikel 6 slechts een mogelijkheid schept, doch niet de verplichting om een vordering tot vrijwaring toe te wijzen .
6 Tegen dit arrest heeft Hagen beroep tot cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden, die het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft voorgelegd :
"A - Indien een verweerder, die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ingevolge artikel 5, aanhef en sub 1, ( Executieverdrag ) is opgeroepen voor de rechter van een andere verdragsluitende staat, kan deze rechter dan aan artikel 6, aanhef en sub 2, ( Executieverdrag ) de bevoegdheid ontlenen om kennis te nemen van een eis tot vrijwaring van de verweerder tegen iemand die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van de rechter?
B - Moet artikel 6, aanhef en sub 2, ( Executieverdrag ) aldus worden verstaan dat de rechter gehouden is de gevraagde oproeping in vrijwaring toe te staan tenzij zich de in die bepaling bedoelde uitzondering voordoet?
C - Indien het antwoord op vraag B ontkennend luidt : mag de rechter dan de procesregels van zijn nationale wet toepassen bij de beoordeling van de vraag of het verzoek om verlof tot oproeping in vrijwaring behoort te worden toegewezen, of brengt het bepaalde in het ( Executieverdrag ) dan mee dat de rechter het verzoek moet toetsen aan andere maatstaven dan die van zijn nationale procesrecht en, zo ja, welke zijn die maatstaven?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
8 De eerste vraag betreft het geval dat de rechter die bevoegd is op grond van artikel 5, aanhef en sub 1, Executieverdrag, heeft te beslissen over een vordering tot vrijwaring, door de verweerder ingesteld tegen iemand die woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van de rechter .
9 Hagen en de partijen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, leiden uit het algemene karakter van artikel 6, sub 2, af, dat de toepasselijkheid van de regel dat iemand bij een vordering tot vrijwaring kan worden opgeroepen voor "het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is", niet afhangt van de bevoegdheidsregel die aan de oorspronkelijke bevoegdheid ten grondslag ligt .
10 Vooraf zij eraan herinnerd, dat het tot afdeling 2 (" Bijzondere bevoegdheid ") van het verdrag behorende artikel 6, aanhef en sub 2, evenals artikel 5, aanhef en sub 1, een afwijking bevat van de regel van artikel 2, inhoudende dat bevoegd zijn de gerechten van de staat waar de verweerder woonplaats heeft .
11 Artikel 6, aanhef en sub 2, voorziet in een bijzondere bevoegdheid ter keuze van de verzoeker, welke keuzemogelijkheid is gegeven wegens het bestaan, in welbepaalde gevallen, van een bijzonder nauwe aanknoping tussen een vordering en de rechter die om wille van een rationele procesgang geroepen kan zijn van die vordering kennis te nemen ( arrest van 28 november 1978, zaak 33/78, Somafer, Jurispr . 1978, blz . 2183 ). Het Executieverdrag maakt het aldus mogelijk, het geding volledig bij een en hetzelfde gerecht te concentreren . Het feit dat de vordering ten gronde en de vordering tot vrijwaring verknocht zijn, vormt derhalve een voldoende grondslag voor de bevoegdheid van de rechter waarbij de vordering tot vrijwaring is ingesteld, ongeacht op welke regel de bevoegdheid in het bodemgeschil is gebaseerd; in zoverre zijn de bevoegdheid bedoeld in artikel 2 en die bedoeld in artikel 5 gelijkwaardig .
12 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat indien een verweerder die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ingevolge artikel 5, aanhef en sub 1, Executieverdrag is opgeroepen voor de rechter van een andere verdragsluitende staat, deze rechter ingevolge artikel 6, aanhef en sub 2, van het verdrag ook bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot vrijwaring tegen iemand die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van de rechter waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is .
De tweede en de derde vraag
13 Deze twee vragen strekken ertoe, vast te stellen of artikel 6, aanhef en sub 2, Executieverdrag de rechter verplicht een oproeping in vrijwaring toe te staan wanneer daarom niet is gevraagd met het oogmerk, de opgeroepene van zijn wettelijke rechter af te trekken, dan wel of de rechter de ontvankelijkheid van de vordering mag toetsen aan de regels van zijn nationale procesrecht .
14 Hagen, de Franse en de Duitse regering vatten artikel 6, aanhef en sub 2, als een autonome bepaling op . Dit zou voortvloeien uit het vereiste van een goede rechtsbedeling : de volledige rechtsbescherming die de verdragsluitende staten de partijen behoren te bieden, zou niet beperkt mogen worden door regels van nationaal procesrecht .
15 In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie zich aangesloten bij deze opvatting, die het voordeel van de eenvoud zou hebben en een eenvormige toepassing van het verdrag zou verzekeren; de nationale rechter waarbij de vordering is ingesteld, zou verplicht zijn de oproeping in vrijwaring toe te staan .
16 Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd, dat de rechterlijke bevoegdheid slechts één van de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de vordering is; de aangezochte rechter beslist eerst, of hij volgens de bepalingen van het verdrag bevoegd is, en gaat vervolgens na, of de vordering voldoet aan de door de lex fori aan een vordering tot vrijwaring gestelde andere voorwaarden .
17 Er zij op gewezen, dat het Executieverdrag niet tot doel heeft het procesrecht één te maken, maar de rechterlijke bevoegdheid voor de beslechting van civiel - en handelsrechtelijke geschillen binnen de Gemeenschap te verdelen en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken . Men dient dus goed te onderscheiden tussen de bevoegdheid en de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een vordering .
18 Met betrekking tot de vordering tot vrijwaring wijst artikel 6, aanhef en sub 2, dus enkel de bevoegde rechter aan; het zegt niets over de ontvankelijkheidsvoorwaarden in eigenlijke zin .
19 Waar het de procesregels betreft, is het overigens vaste rechtspraak, dat men zich dient te refereren aan de bij het nationale gerecht toepasselijke nationale voorschriften ( zie bij voorbeeld met betrekking tot het begrip aanhangigheid het arrest van 7 juni 1984, zaak 129/83, Zelger, Jurispr . 1984, blz . 2397, en met betrekking tot de voorwaarden voor tenuitvoerlegging van een vreemde beslissing de arresten van 2 juli 1985, zaak 148/84, Deutsche Genossenschaftsbank, Jurispr . 1985, blz . 1981, en 4 februari 1988, zaak 145/86, Hoffmann, Jurispr . 1988, blz . 645 ).
20 Daarbij moet echter worden gepreciseerd, dat de toepassing van nationaal procesrecht geen afbreuk mag doen aan het nuttig effect van het Executieverdrag . Gelijk het Hof immers besliste in zijn arrest van 15 november 1983 ( zaak 288/82, Duijnstee, Jurispr . 1983, blz . 3663 ), mag de rechter geen nationaalrechtelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden toepassen die de werking van de bevoegdheidsregels van het Executieverdrag zouden beperken .
21 De weigering om een oproeping in vrijwaring toe te staan, mag dus uitdrukkelijk noch stilzwijgend gebaseerd zijn op de omstandigheid dat de opgeroepene zijn verblijf - of woonplaats heeft in een andere verdragsluitende staat dan die van het gerecht waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is .
22 Mitsdien moet op de tweede en de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 6, aanhef en sub 2, aldus moet worden uitgelegd, dat het de nationale rechter niet verplicht de oproeping in vrijwaring toe te staan, en dat die rechter de ontvankelijkheid van de vordering mag toetsen aan de procesregels van zijn nationale recht, mits hij daarbij geen afbreuk doet aan het nuttig effect van het Executieverdrag en, in het bijzonder, de weigering om de oproeping in vrijwaring toe te staan, niet baseert op de omstandigheid dat de waarborg zijn verblijf - of woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van het gerecht waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is .
Beslissing inzake de kostenKosten
23 De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van de Franse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende over de door de Hoge Raad der Nederlanden gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Indien een verweerder die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, ingevolge artikel 5, aanhef en sub 1, Executieverdrag is opgeroepen voor de rechter van een andere verdragsluitende staat, is deze rechter ingevolge artikel 6, aanhef en sub 2, van het verdrag ook bevoegd kennis te nemen van een vordering tot vrijwaring tegen iemand die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van de rechter waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is .
2 ) Artikel 6, aanhef en sub 2, moet aldus worden uitgelegd, dat het de nationale rechter niet verplicht de oproeping in vrijwaring toe te staan, en dat die rechter de ontvankelijkheid van de vordering mag toetsen aan de procesregels van zijn nationale recht, mits hij daarbij geen afbreuk doet aan het nuttig effect van het Executieverdrag en, in het bijzonder, de weigering om de oproeping in vrijwaring toe te staan, niet baseert op de omstandigheid dat de waarborg zijn verblijf - of woonplaats heeft op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan die van het gerecht waarbij de oorspronkelijke vordering aanhangig is .
Top