Avis juridique important
BESCHLUSS DES PRAESIDENTEN VAN DE DERDE KAMER VAN 11 JULI 1988. - JACK HANNING TEGEN EUROPEES PARLEMENT. - AMBTENAAR - VOORLOPIGE MAATREGELN. - ZAAK 176/88 R.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 03915
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Afweging van alle betrokken belangen
( EEG-Verdrag, artikel 185 )
SamenvattingIn het kader van een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging dient de rechter in kort geding voor de beoordeling van de spoedeisendheid te onderzoeken of de onmiddellijke toepassing van de bestreden handeling de verzoekende partij onherstelbare schade kan berokkenen, die ook door nietigverklaring van die handeling niet zou kunnen worden goedgemaakt of die, ofschoon voorlopig, onevenredig zou zijn aan het belang van de betrokken instelling bij de uitvoering van haar besluiten conform artikel 185 EEG-Verdrag ondanks het bij het Hof ingestelde beroep .
PartijenIn zaak 176/88 R,
J . Hanning, vertegenwoordigd door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Schmitt, advocaat aldaar, 13, boulevard Royal,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door F . Pasetti Bombardella, juridisch adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd, bijgestaan door A . Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar te diens kantore, 22, Côte d' Eich,
verweerder,
betreffende een verzoek in kort geding om voorlopige maatregelen met betrekking tot verzoekers deelneming aan vergelijkend onderzoek PE/41/A,
geeft
De president van de Derde kamer
rechtdoende krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de artikelen 83 en volgende van het Reglement voor de procesvoering,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, ingeschreven ter griffie van het Hof op 29 juni 1988, heeft J . Hanning krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut en artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot a ) nietigverklaring van het hem op 6 april 1988 ter kennis gebrachte besluit van de Voorzitter van het Europees Parlement om de procedure tot aanwerving van een afdelingshoofd voor het Voorlichtingsbureau te Londen ( vergelijkend onderzoek PE/41/A ) wegens onregelmatigheden te beëindigen en een nieuwe aanwervingsprocedure in te leiden, b ) vaststelling van verzoekers recht op aanstelling op grond van vergelijkend onderzoek PE/41/A, en subsidiair c ) vergoeding van zijn immateriële schade en terugbetaling van de verplaatsingskosten in verband met zijn deelneming aan dat vergelijkend onderzoek .
2 Bij afzonderlijke akte van dezelfde datum heeft verzoeker het Hof verzocht, krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit op te schorten voor zover het strekt tot inleiding van een nieuwe aanwervingsprocedure voor het betrokken ambt .
3 Het Europees Parlement organiseerde overeenkomstig de aankondiging in het Publikatieblad van 5 december 1986 ( C 311, blz . 7 ) een algemeen vergelijkend onderzoek om te voorzien in het ambt van Engelstalig afdelingshoofd ( loopbaan A3 ) bij het Voorlichtingsbureau te Londen .
4 Verzoeker diende zijn sollicitatie in en werd uitgenodigd voor het examen op 6 oktober 1987 . Bij brief van 29 oktober 1987 deelde het hoofd van de dienst Aanwerving hem mee, dat hij volgens besluit van de jury voor het vergelijkend onderzoek was geslaagd en was ingeschreven op een lijst van vier kandidaten die voor het betrokken ambt geschikt waren bevonden .
5 Op aanwijzing van het hoofd van de dienst Aanwerving van 23 november 1987 begaf verzoeker zich op 30 november 1987 naar Luxemburg voor een medisch onderzoek .
6 Verzoeker stelt zonder door het Europees Parlement te worden weersproken, dat het hoofd van de dienst Aanwerving hem had meegedeeld dat dat onderzoek niets aan het licht had gebracht wat hem ongeschikt zou maken voor het betrokken ambt, en dat zijn aanstellingsbrief hem waarschijnlijk in de eerste helft van januari 1988 ter ondertekening zou worden toegezonden .
7 Bij brief van 6 april 1988 stelde het hoofd van de afdeling Personeel verzoeker in kennis van het besluit van de Voorzitter om aanwervingsprocedure PE/41/A wegens onregelmatigheden te annuleren en een nieuwe procedure in te leiden, waarvan de aankondiging in het Publikatieblad van 30 maart 1988 ( C 82 ) was verschenen .
8 Volgens vaste rechtspraak worden verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van handelingen van de instellingen en om voorlopige maatregelen slechts in overweging genomen indien de omstandigheden, zowel feitelijk als rechtens, waarop het verzoek steunt, de toekenning ervan aanvankelijk gerechtvaardigd doen voorkomen . Daarenboven moeten zij spoedeisend zijn in die zin, dat zij moeten worden getroffen en effect moeten sorteren vóór de in de hoofdzaak te geven beslissing, ten einde te voorkomen dat de partij die erom verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt . Ten slotte moeten de maatregelen voorlopig zijn in die zin, dat zij de beslissing in de hoofdzaak niet prejudiciëren .
9 Gelet op de argumenten van partijen ten aanzien van de wettigheid van het bestreden besluit, dient de rechter in kort geding zijn onderzoek te beperken tot de elementen die van belang zijn voor de vaststelling van de spoedeisendheid van de opschorting van het besluit en voor de beoordeling van de vraag, of de onmiddellijke toepassing ervan, vóór de in de hoofdzaak te geven beslissing, verzoeker onherstelbare schade kan berokkenen, die ook door nietigverklaring van het bestreden besluit niet zou kunnen worden goedgemaakt of die, ofschoon voorlopig, onevenredig zou zijn aan het belang van het Europees Parlement bij de uitvoering van het besluit ondanks het bij het Hof ingestelde beroep, conform artikel 185 EEG-Verdrag .
10 Verzoeker voert enkel aan, dat zo het thans lopende vergelijkend onderzoek niet werd opgeschort, hij ernstige en onherstelbare schade zou lijden wegens het risico dat zijn sollicitatie aan het eind van die procedure wordt afgewezen, terwijl zijn aanstelling na het eerste vergelijkend onderzoek ( PE/41/A ) zo goed als zeker was .
11 Verweerder betoogt, dat verzoeker geen onherstelbare schade zal lijden wanneer de nieuwe aanwervingsprocedure niet wordt opgeschort . Verzoeker zou zijn bewijsstukken en kwalificaties immers opnieuw kunnen doen gelden en de door hem gezochte aanstelling kunnen verkrijgen . Daarentegen zou het Europees Parlement wel onherstelbare schade lijden indien de nieuwe aanwervingsprocedure werd opgeschort, wegens de vertraging die daardoor zou ontstaan bij het vervullen van zo een belangrijke vacature en de daaruit voortvloeiende problemen voor de goede werking van de instelling .
12 Opgemerkt zij, dat verzoeker in zijn beroep het volgende vordert : a ) nietigverklaring van het bestreden besluit tot annulering van het vergelijkend onderzoek PE/41/A en inleiding van een nieuwe aanwervingsprocedure, en b ) vaststelling van zijn recht op aanstelling op grond van genoemd vergelijkend onderzoek .
13 Daaruit volgt, dat zelfs indien alleen verzoekers eerste vordering zou worden toegewezen, een eventuele benoeming van een andere kandidaat aan het einde van de thans lopende procedure nietig zou zijn en de eerste aanwervingsprocedure gewoon verder zou gaan als ware het bestreden besluit nooit genomen . In deze omstandigheden kan er geen sprake zijn van onherstelbare schade als gevolg van het feit dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit niet is opgeschort .
14 Met het Europees Parlement dient derhalve te worden aangenomen, dat het wel degelijk die instelling is die ernstige en onherstelbare schade zou lijden door de vertraging in de aanwervingsprocedure, indien na opschorting van het bestreden besluit het beroep zou worden verworpen .
15 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeker het bewijs van ernstige en onherstelbare schade niet heeft weten te leveren . Mitsdien moet het verzoek in kort geding worden afgewezen, zonder dat de fumus boni juris behoeft te worden onderzocht .
DictumDe president van de Derde kamer,
uitspraak doende bij voorraad,
gehoord de advocaat-generaal,
beschikt :
1 ) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen .
2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 11 juli 1988 .
Top