Avis juridique important
BESCHIKKING VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 8 NOVEMBER 1988. - MARCELLINO VALLE FERNANDEZ TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - NIET-ONTVANKELIJKHEID. - ZAKEN 264/88 EN 264/88 R.
Jurisprudentie 1988 bladzijde 06341
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Ambtenaren - Beroep - Besluit van jury van vergelijkend onderzoek - Voorafgaande administratieve klacht - Facultatief - Indiening - Gevolgen - Opschorting van beroepstermijn
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
SamenvattingHet normale rechtsmiddel tegen een besluit van de jury van een vergelijkend onderzoek bestaat in een rechtstreeks beroep op het Hof; indien echter de belanghebbende zich met een
administratieve klacht tot het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gewend, gaat de beroepstermijn pas in op de dag van het uitdrukkelijke of stilzwijgende antwoord op die klacht .
PartijenIn de zaken 264/88 en 264/88 R,
M . Valle Fernandez, te Rocourt ( België ), vertegenwoordigd door D . Ramboer, advocaat te Seraing, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . May, advocaat aldaar, 31, Grand-rue,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Griesmar als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, bâtiment Jean Monnet,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van drie besluiten van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek COM/D/577 van de Commissie, toekenning van schadevergoeding en vaststelling van dringende voorlopige maatregelen,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt : R . Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 september 1988, heeft M . Valle Fernandez beroep ingesteld tot a ) nietigverklaring van drie besluiten, hem ter kennis gebracht op 27 juni 1988, waarbij de jury van algemeen vergelijkend onderzoek COM/D/577 haar eerdere besluiten om verzoeker niet tot de examens voor dat vergelijkend onderzoek toe te laten, heeft gehandhaafd, en b ) veroordeling van de Commissie tot vergoeding van verzoekers schade als gevolg van die besluiten . Bij op dezelfde dag ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker gevraagd om opschorting van de tenuitvoerlegging van de besluiten waarvan hij nietigverklaring vordert .
2 De aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek COM/D/577 bepaalde : "De kandidaten moeten op het sollicitatieformulier dat zich in dit Publikatieblad bevindt, aangeven welk werkgebied zij kiezen ( slechts één werkgebied opgeven )." Ook op het sollicitatieformulier werd erop gewezen, dat de kandidaat zich slechts voor één werkgebied kon opgeven .
3 De aankondiging bevatte voorts een punt IV, "Hernieuwd onderzoek van de sollicitaties", luidende :
" Iedere kandidaat heeft het recht te verlangen dat zijn sollicitatie opnieuw wordt bezien, indien hij gelet op de toelatingsvoorwaarden meent dat er een vergissing is begaan . In dat geval kan hij - binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending van de brief ( het poststempel geldt als bewijs ) waarin hem wordt meegedeeld dat hij niet tot het vergelijkend onderzoek is toegelaten, de voorzitter van de jury hiervan per brief, onder vermelding van het nummer van het vergelijkend onderzoek, in kennis stellen . Deze brief dient te worden gericht aan de Afdeling Aanwerving, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Wetstraat 200, B-1049 Brussel .
De jury zal het dossier, met inachtneming van de opmerkingen van de kandidaat, opnieuw bestuderen binnen de dertig dagen volgend op de datum van verzending van de brief van de kandidaat waarin hij om een heronderzoek vraagt ( het poststempel geldt als bewijs )."
4 Bij drie afzonderlijke sollicitatieformulieren stelde verzoeker zich kandidaat voor dit onderzoek, waarbij hij respectievelijk als werkgebied vermeldde : "bode", "magazijnbediende" en "werkplaatsbediende ".
5 Bij drie op 5 mei 1988 ter kennis gebrachte besluiten weigerde de jury verzoeker tot de examens toe te laten, omdat hij "in strijd met het in punt I van de aankondiging van vergelijkend onderzoek bepaalde, namelijk dat de kandidaten het gekozen werkgebied ( slechts één werkgebied ) moesten aangeven, voor meerdere werkgebieden had gesolliciteerd ".
6 Op 16 mei 1988 verzocht verzoeker de voorzitter van de jury deze besluiten te herzien . Hij voerde aan, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek niet bepaalde, dat indiening van meerdere sollicaties voor verschillende werkgebieden, waarbij telkens voor slechts één gebied werd gesolliciteerd, een reden tot uitsluiting was .
7 Bij drie op 27 juni 1988 ter kennis gebrachte besluiten, waartegen het onderhavige beroep is gericht, besloot de jury haar eerdere besluiten te handhaven .
8 Op 8 juli 1988 zond de advocaat van verzoeker de voorzitter van de jury een brief, waarin hij vroeg zijn cliënt tot de examens toe te laten . Werd hierop niet bevestigend geantwoord, dan zou zijn cliënt beroep instellen bij het Hof . Een gelijkluidende brief werd gezonden aan het hoofd van de afdeling Aanwerving van de Commissie .
9 Op 5 augustus 1988 zond het hoofd van de afdeling Aanwerving van de Commissie verzoekers advocaat een afwijzend antwoord .
10 Volgens artikel 92, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid welke van openbare orde zijn, in behandeling nemen .
11 Volgens vaste rechtspraak van het Hof bestaat het normale rechtsmiddel tegen een besluit van de jury van een vergelijkend onderzoek in een rechtstreeks beroep op het Hof; indien echter de belanghebbende zich met een administratieve klacht tot het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gewend, gaat de beroepstermijn pas in op de dag van het uitdrukkelijke of stilzwijgende antwoord op die klacht ( arresten van 14 juli 1983, zaak 144/82, Detti, Jurispr . 1983, blz . 2421, en 7 mei 1986, zaak 52/85, Rihoux, Jurispr . 1986, blz . 1555 ).
12 Allereerst dient te worden onderzocht, of het beroep is ingesteld binnen de statutaire termijn van drie maanden te rekenen vanaf de besluiten van de jury van het vergelijkend onderzoek . Wanneer het besluit van een jury op een verzoek tot herziening geen nieuwe elementen bevat ten opzichte van het oorspronkelijk besluit, is het laatstbedoeld besluit waartegen binnen de termijn van drie maanden moet worden opgekomen . De in punt IV van de aankondiging van vergelijkend onderzoek voorziene procedure tot herziening van de jurybesluiten is trouwens zo ingericht, dat de betrokkene binnen de statutaire termijn van drie maanden beroep kan instellen tegen het oorspronkelijk besluit van de jury . Daar de door de jury op het verzoek tot herziening genomen besluiten in casu geen nieuwe elementen bevatten, had verzoeker zijn beroep bij het Hof moeten instellen binnen drie maanden te rekenen vanaf de op 5 mei 1988 ter kennis gebrachte oorspronkelijke jurybesluiten . Nu het beroep is ingesteld op 28 september 1988, blijkt die termijn niet te zijn geëerbiedigd .
13 Vervolgens moet worden onderzocht, of verzoeker een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut heeft ingediend, en zo ja, of het beroep is ingesteld binnen de statutaire termijn van drie maanden te rekenen vanaf het uitdrukkelijke of stilzwijgende antwoord op die klacht . Blijkens genoemde bepaling moet de klacht tot het tot aanstelling bevoegd gezag zijn gericht . In casu is dat de Commissie zelf . De verzoeken om hernieuwd onderzoek zijn evenwel niet gericht tot het tot aanstelling bevoegd gezag, maar tot de voorzitter van de jury en tot de ambtenaar bij wie die verzoeken volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek moesten worden ingediend . Zij vormen derhalve geen klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut .
14 Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zaak 264/88 te laat is ingesteld en derhalve niet-ontvankelijk is .
15 Bijgevolg moet ook het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit om verzoeker niet tot de examens toe te laten, niet-ontvankelijk worden verklaard ( beschikking van 31 januari 1985, gevoegde zaken 259/84 en 259/84 R, Jurispr . 1985, blz . 453 ).
Beslissing inzake de kostenKosten
16 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personen bedoeld in het Statuut van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
de advocaat-generaal gehoord,
beschikt :
1 ) Het beroep 264/88 wordt niet-ontvankelijk verklaard .
2 ) Het beroep 264/88 R wordt niet-ontvankelijk verklaard .
3 ) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen .
Luxemburg, 8 november 1988 .
Top