Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 6 december 1990. - HELLEENSE REPUBLIEK TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - GOEDKEURING VAN EOGFL-REKENINGEN - BEGROTINGSJAAR 1986. - ZAAK C-32/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01321
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze procedure vraagt Griekenland krachtens artikel 173 EEG-Verdrag de nietigverklaring van beschikking 88/630/EEG van de Commissie ( PB 1988, L 353, blz . 30 ), voor zover deze de goedkeuring betreft van de door Griekenland over het begrotingsjaar 1986 ingediende rekeningen in verband met de door het Europees Oriëntatie-en Garantiefonds voor de landbouw ( hierna : "EOGFL "), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven . Bij beschikking van 26 april 1989 is een verzoek van Griekenland in kort geding tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking afgewezen .
2 . Blijkens artikel 1 en de bijlage bij de bestreden beschikking belopen de door verzoekster over het jaar 1986 gedeclareerde uitgaven een bedrag van 168 406 791 240 DR . De Commissie heeft daarvan slechts 161 532 024 085 DR erkend als komende ten laste van het EOGFL, zodat een bedrag van 6 874 767 155 DR voor rekening van verzoekster blijft .
3 . Verzoekster is tijdens bilateraal overleg voordat de gewraakte beschikking werd vastgesteld, geïnformeerd over de correcties die de Commissie voornemens was op haar rekeningen aan te brengen . De Commissie heeft de redenen van die correcties uiteengezet in het syntheseverslag betreffende de uitkomsten van controles met het oog op de goedkeuring van haar rekeningen over 1986 ( hierna : "syntheseverslag "), waarvan zij uittreksels bij haar verweerschrift heeft gevoegd .
4 . Deze zaak is niet de enige waarin de handelwijze van de Griekse autoriteiten bij het beheer van landbouwprodukten in het geding is . Vier overeenkomstige zaken hebben eerder dit jaar al tot een uitspraak geleid : arresten van 10 juli 1990 ( zaken C-259/87, C-334/87 en C-335/87, Griekenland/Commissie, Jurispr . 1990, blz . I-2849 en I-2875 ) en arrest van 12 juli 1990 ( zaak C-35/88, Commissie/Griekenland, Jurispr . 1990, blz . I-3125 ). Naar aanleiding van die arresten heeft verzoekster in deze procedure afstand gedaan van een aantal vorderingen . Er blijven in wezen nog zes vorderingen over, die ik thans achtereenvolgens zal bespreken .
a ) De beschikkingsbevoegdheid van de Commissie
5 . Verzoekster voert een argument aan, dat, mocht het doel treffen, tot nietigverklaring van de beschikking in haar geheel zou moeten leiden en de Commissie zou noodzaken tot algehele herziening van haar werkwijze bij de goedkeuring van de door de Lid-Staten ingediende rekeningen . Dat argument houdt verband met de weigering van de Commissie om bepaalde uitgaven van verzoekster in de sector granen ten laste van het EOGFL te brengen . Dat onderdeel van de vordering van verzoekster omvatte een aantal andere elementen, die evenwel alle zijn ingetrokken .
6 . Verzoekster betoogt, dat de Commissie bij het goedkeuren van de door de Lid-Staten ingediende rekeningen geen bevoegdheid heeft om beschikkingen vast te stellen in de zin van artikel 189 EEG-Verdrag . Dat zou volgen uit de bewoordingen van artikel 5, lid 2, sub b, van verordening nr . 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( PB 1970, L 94, blz . 13 ), waarin de goedkeuring van de door de Lid-Staten ingediende rekeningen is geregeld . Anders dan in lid 2, sub a, waarin het woord "beslist" wordt gebruikt, staat in lid 2, sub b, enkel "keurt ... de rekeningen ... goed ". Volgens verzoekster wordt hier geen bevoegdheid aan de Commissie toegekend om die goedkeuring bij wege van een beschikking te verlenen .
7 . Dat is mijns inziens een onhoudbare redenering . Zoals de Commissie opmerkt, valt moeilijk in te zien hoe rekeningen kunnen worden goedgekeurd zonder dat ter zake een beschikking wordt vastgesteld . Verzoekster zegt niet, tot welke andere handeling in de zin van artikel 189 de Commissie dan wel bevoegd is . Bovendien spreekt artikel 8 van verordening nr . 1723/72 van de Commissie inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende het Europees Oriëntatie-en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Garantie, uitdrukkelijk van besluiten tot goedkeuring van de rekeningen bedoeld in artikel 5, lid 2, sub b, van verordening nr . 729/70 . Het staat volgens mij daarom buiten twijfel, dat genoemde bepaling zo moet worden gelezen, dat daarin aan de Commissie de bevoegdheid tot het vaststellen van beschikkingen wordt toegekend .
8 . Ik concludeer dat de grief van verzoekster, dat de Commissie met de gewraakte beschikking haar bevoegdheid heeft overschreden, moet worden afgewezen .
b ) Programmacontracten
9 . De Commissie stelt, dat het Centraal Bureau voor het beheer van nationale produkten ( KYDEP ), een organisatie van landbouwcooeperaties die voor bepaalde produkten als EEG-interventiebureau fungeert, zich heeft verbonden om namens de staat de bij haar opgeslagen voorraden zachte tarwe van de hand te doen . Deze operatie werd volgens de Commissie uitgevoerd door middel van twee zogenoemde programma-contracten, waarbij de afnemer zich verplichtte de tot meel verwerkte tarwe binnen een bepaalde termijn te exporteren . Het worden "programmacontracten" genoemd, omdat zij een programma behelzen volgens hetwelk KYDEP haar graanvoorraden wilde afbouwen . Deze contracten zijn ook aan de orde in een andere bij het Hof aanhangige zaak ( C-61/90, Commissie/Griekenland ).
10 . Het eerste van die contracten zou zijn gesloten met een aantal meelfabrieken en betrekking hebben op 500 000 ton zachte tarwe, die de nationale opslagplaatsen vermoedelijk tussen januari en mei 1983 hebben verlaten . De afnemers waren verplicht de tarwe binnen acht maanden na uitslag te exporteren . Deze operatie kostte de Griekse staat volgens de Commissie 1,5 miljoen DR . Het tweede contract zou zijn gesloten tussen KYDEP en de Griekse regering en betrekking hebben op 400 000 ton zachte tarwe . Ingevolge dit contract, aldus de Commissie, voerde KYDEP in de loop van 1984 290 000 ton meel uit . Dat zou de Griekse staat 710 miljoen DR hebben gekost . De Commissie is van oordeel, dat met het afsluiten van deze contracten de uitvoer werd gestimuleerd van meel waarvoor vervolgens restitutie bij uitvoer werd gedeclareerd bij het EOGFL, en dat er hier bovendien een element van nationale steun in het spel was, waardoor het meel beneden de normale prijs op de wereldmarkt kon worden afgezet .
11 . De Commissie stelt ook, dat in 1985 twee soortgelijke contracten werden gesloten tussen KYDEP en het Ministerie van Economische zaken voor de uitvoer van 40 000 ton gries van durum tarwe en een hoeveelheid deegwaren overeenkomend met 15 000 ton durum tarwe . De met deze uitvoer gemoeide verliezen werden volgens de Commissie door de staat gedekt .
12 . Verzoekster vecht de correcties van de Commissie in verband met deze contracten op twee punten aan . Het eerste punt betreft het bestaan van deze contracten, het tweede de financiële band tussen KYDEP en de Griekse staat .
13 . Verzoekster ontkent niet, dat er programmacontracten zijn uitgevoerd met betrekking tot meel van zachte tarwe en deegwaren, maar zij ontkent dat er ook voor gries van durum tarwe zulke contracten zijn afgesloten . De Commissie maakt in haar syntheseverslag echter melding van een nota van 6 juni 1985 van de directeur-generaal van KYDEP aan de raad van bestuur . In die nota, door de Commissie overgelegd als produktie VI bij haar verweerschrift, is sprake van ondertekening, namens het Ministerie van Economische zaken, van een programmacontract voor de uitvoer van 40 000 ton gries, wat neerkomt op een hoeveelheid van 78 000 ton durum tarwe . Ook wordt erin gesproken van een programmacontract voor de uitvoer van een hoeveelheid deegwaren die 15 000 ton durum tarwe vertegenwoordigt . De met deze contracten gemoeide verliezen zouden volgens die nota worden gedekt door de staat, waarvoor een globaal krediet van bijna 535,5 miljoen DR was uitgetrokken .
14 . Verzoekster zwijgt over deze nota en betwist zelfs niet de juistheid ervan . Bovendien biedt zij geen bewijs aan, dat de contracten niet zijn uitgevoerd . Ik meen daarom, dat de Commissie op goede gronden mocht aannemen dat de vier in het syntheseverslag genoemde programmacontracten zijn uitgevoerd .
15 . Wat de relatie tussen KYDEP en de Griekse staat betreft, beklemtoont verzoekster, dat KYDEP als cooeperatie optreedt namens haar leden, te weten verenigingen van landbouwcooeperaties waarbij individuele landbouwers zijn aangesloten . Verzoekster verklaart, dat volgens de Griekse wet eventuele tekorten bij KYDEP in gelijke delen door haar leden en uit haar eigen reserves moeten worden aangevuld . Verzoekster ontkent niet, dat KYDEP aanzienlijke bedragen van de staat ontvangt, maar zij stelt dat dat geld niet zozeer is bestemd om tekorten te dekken, als wel om de algemene exploitatiekosten te financieren .
16 . De Commissie wil de formele status van KYDEP volgens het Griekse recht niet betwisten, maar toont met overtuigend bewijsmateriaal aan, dat zij in de graansector intervenieert namens de Griekse staat, die haar verliezen uit de nationale begroting compenseert, en daarbij doelen van binnenlands beleid nastreeft . Zo bevatten de notulen van een bespreking van een interdepartementaal comité van de Ministeries van Landbouw en van Handel op 14 februari 1984 bijzonderheden over het voor rekening van de staat komende bedrag in verband met het door KYDEP gevoerde beheer van verschillende granen, waaronder durum tarwe . Daarnaast bevat het jaarverslag van de Bank van Griekenland over 1986 bijzonderheden omtrent de wijze waarop de transacties van KYDEP aan het Griekse begrotingstekort hebben bijgedragen . In het jaarverslag over 1985 wordt KYDEP door de bank als overheidsorgaan gekwalificeerd .
17 . Verzoekster wijst erop, dat de Bank van Griekenland in het jaarverslag over 1987 KYDEP tot de particuliere sector rekent, maar beaamt wel, dat KYDEP geld van de staat ontvangt om haar "financiële behoeften" te dekken . Verzoekster zegt onder dit laatste iets anders te verstaan dan de door KYDEP geleden verliezen bij het uitvoeren van de programmacontracten .
18 . Op de financiële banden tussen KYDEP en de Griekse staat is het Hof in zaak C-35/88 reeds tamelijk diep ingegaan . Het Hof kwam toen tot de bevinding, dat Griekenland de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen door te interveniëren in de aankoop en verkoop van voedergranen door KYDEP, door het deficit van KYDEP ten gevolge van haar interventie op de markt van voedergranen te compenseren en door KYDEP met behulp van een staatsgarantie in staat te stellen leningen bij de Bank van Griekenland te verkrijgen . De Griekse regering had in die zaak bovendien erkend, dat de verlening van subsidies aan KYDEP ter dekking van de tekorten door verkoop met verlies van voedergraan een steunmaatregel vormde in de zin van artikel 92 EEG-Verdrag .
19 . De uitspraak van het Hof in die zaak had uitsluitend betrekking op de periode van 1 januari 1981 tot 26 maart 1984 . Die periode valt niet geheel samen met de periode waarin de hier aan de orde zijnde programmacontracten zouden zijn uitgevoerd . In zaak C-35/88 ging het bovendien om een ander, zij het verwant produkt, te weten voedergranen . Verzoekster stelt echter niet, dat de rol van KYDEP na 26 maart 1984 in enig opzicht anders was of dat de band tussen KYDEP en de staat losser was waar het om durum tarwe en gries ging dan bij voedergranen het geval was . De uitspraak van het Hof in zaak C-35/88, te zamen met het door de Commissie in deze zaak geproduceerde bewijsmateriaal, vormt een sterke aanwijzing, dat de door KYDEP geleden verliezen bij de uitvoering van de programmacontracten door de staat werden vergoed .
20 . Verzoekster heeft in de loop van deze procedure of van de eerdere onderzoeken geen overtuigend bewijs aangedragen om de conclusies die de Commissie het Hof aanreikt, te weerleggen . Het syntheseverslag bevat immers een hele lijst van belemmeringen die de Commissie op haar weg vond toen zij trachtte vast te stellen, in hoeverre er financiële middelen van de Griekse staat aan KYDEP toevloeiden . De Commissie schijnt met name geen toegang tot het kantoor van KYDEP te hebben kunnen krijgen, en KYDEP heeft de vragen van de Commissie over eventuele transfers van openbare middelen niet willen beantwoorden . De onwil van de Griekse autoriteiten om met de Commissie samen te werken bij het aan het licht brengen van de relatie tussen KYDEP en de staat, is in zaak C-35/88 al gekritiseerd door het Hof, waar dit verklaarde dat Griekenland de krachtens artikel 5 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen door de Commissie geen inzage te geven van bepaalde documenten met betrekking tot de werkzaamheden van KYDEP . In de aangelegenheid die in deze procedure aan de orde is, schijnen de Griekse autoriteiten niet veel meer bereidheid tot samenwerking aan de dag te hebben gelegd .
21 . Concluderend geef ik in overweging, de grief tegen de beschikking van de Commissie met betrekking tot de programmacontracten af te wijzen .
c ) De diervoedermarkt
22 . Naar zeggen van de Commissie handelt KYDEP in diervoeders als vertegenwoordiger van de Griekse staat en worden eventuele verliezen die zij daarbij maakt, ten laste van de nationale begroting vergoed . Tot staving hiervan verwijst de Commissie onder meer wederom naar het verslag van de vergadering van het interdepartementale comité van de Ministeries van Handel en van Landbouw in Athene op 14 februari 1984 . Dit document bevat bijzonderheden omtrent de kosten ten laste van de staat over het jaar 1982 in verband met het door KYDEP gevoerde beheer van de diervoedermarkt, welke kosten in totaal meer dan 7 900 miljoen DR beliepen .
23 . De Commissie komt tot de volgende conclusies . In de eerste plaats treedt KYDEP op als een staatsmonopolie voor het beheer van de graanmarkt in het algemeen en de diervoedermarkt in het bijzonder . In de tweede plaats blijkt uit het feit dat de staat de kosten overneemt die KYDEP bij het uitvoeren van haar taak op dit gebied moet maken, dat de produkten beneden de kostprijs van de hand zijn gedaan . Dat komt neer op het verlenen van staatssteun . De Commissie tekent aan, dat Griekenland een belangrijk exporteur van mengvoeders is, en stelt dat de betrokken exporten zonder de subsidie van de Griekse staat niet zouden hebben plaatsgevonden, omdat de prijs dan veel hoger zou zijn geweest . Daarom heeft zij geweigerd de restituties bij uitvoer die in de periode 1982-1986 voor diervoerders waren betaald, ten laste van het fonds te brengen .
24 . Verzoekster erkent in haar verzoekschrift, dat praktisch alle voedergranen die in Griekenland worden geproduceerd, door de handen van KYDEP gaan . Ook geeft zij toe, dat de prijs waartegen KYDEP graan inkoopt, wel eens hoger is dan de interventieprijs, wanneer de marktomstandigheden dat vergen . Verzoekster ontkent echter dat KYDEP een staatsmonopolie is, waarbij zij herhaalt dat 50 % van eventuele tekorten door de leden worden aangezuiverd en de rest uit de eigen reserves .
25 . Verzoekster betoogt voorts, dat de prijs van diervoeders weinig invloed heeft op de vraag, omdat alleen voeders met nauwkeurig omschreven eigenschappen aan de vereisten van de afnemers voldoen . Zij gaat echter niet zover te beweren, dat alleen Griekenland diervoeders van goede kwaliteit levert of dat de prijs voor de afnemers ook geen rol speelt wanneer er van verschillende zijden vergelijkbare kwaliteit wordt geboden . Verzoekster legt statistisch materiaal over, waaruit zou moeten blijken dat Griekse diervoeders op de wereldmarkt vaak niet kunnen concurreren . Griekenland exporteert zulke voeders vooral naar landen waarvoor de andere Lid-Staten weinig belangstelling hebben, zoals Bulgarije en Malta . Volgens verzoekster laat het cijfermateriaal zien, dat de activiteiten van KYDEP geen invloed hebben op de mededinging op de gemeenschappelijke markt . Voorts zou Griekenland hoe dan ook slechts een klein gedeelte van het verschil tussen de totale produktie van diervoeders en het binnenlandse verbruik daarvan uitvoeren .
26 . De bewering van verzoekster, dat de activiteiten van KYDEP op de diervoedermarkt de mededinging tussen de Lid-Staten niet beïnvloeden, is naar mijn mening niet ter zake . Waar het de Commissie in wezen om gaat, is dat de activiteiten van KYDEP en van de Griekse staat uitvoertransacties van diervoeders hebben vergemakkelijkt die anders niet hadden plaatsgevonden . Dat leidde volgens de Commissie tot een hoger bedrag aan restituties bij uitvoer, die verzoekster ten laste van het fonds wil brengen . De bewering van verzoekster, dat andere Lid-Staten weinig interesse lieten blijken voor veel markten waarnaar Griekenland zijn diervoeders uitvoerde, laat de bewering van de Commissie onverlet, dat die uitvoertransacties alleen plaatsvonden omdat zij werden gesubsidieerd .
27 . Wat de financiële banden tussen KYDEP en de Griekse staat betreft, legt de Commissie de jaarrekeningen van KYDEP over 1983, 1984 en 1985 over . Hierin ziet men, dat de totale reserves van KYDEP in die jaren respectievelijk 1 200 miljoen DR, 1 400 miljoen DR en 1 440 miljoen DR bedroegen . Zoals de Commissie opmerkt, bedroegen de verliezen van KYDEP in verband met graanvoeders alleen al in 1982 meer dan 7 900 miljoen DR . Uit dergelijke cijfers blijkt, dat de reserves van KYDEP volslagen ontoereikend zouden zijn geweest om zelfs maar 50 % van de tekorten te dekken . Bovendien staat in het verslag van 14 februari 1984, waarin de verliezen van KYDEP over 1982 worden toegelicht, onomwonden dat die verliezen door de staat werden gedragen .
28 . Het door de Commissie in deze procedure aangedragen bewijs wordt gesteund door de bevindingen van het Hof in de reeds genoemde zaak C-35/88 . Het Hof baseerde zijn oordeel, dat Griekenland over de periode 1 januari 1981 tot 26 maart 1984 de krachtens de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, op de volgende feiten .
29 . In de eerste plaats bepaalden de Griekse autoriteiten, tegen welke prijs en in welke hoeveelheden voedergranen door KYDEP werden verkocht aan landbouwers en aan mengvoederfabrikanten . In de tweede plaats dekte de Griekse staat het tekort dat bij KYDEP ontstond door de van regeringswege voorgeschreven verkoop met verlies . In de derde plaats stelde de Griekse staat zich garant voor KYDEP en stelde haar aldus in staat geld te lenen van de Bank van Griekenland ter financiering van haar transacties op de markt voor voedergranen . In de vierde plaats was door de Griekse autoriteiten ook de prijs bepaald waartegen KYDEP de voedergranen inkocht . Het Hof concludeerde daaruit, dat de Griekse autoriteiten de wijze controleerden waarop KYDEP op de voedergraanmarkt opereerde .
30 . Ook hier valt de periode waar het Hof zich in zaak C-35/88 mee bezighield, niet precies samen met die waar het thans om gaat . Maar zij overlappen elkaar wel, en verzoekster heeft niets gedaan om aan te tonen dat de rol van KYDEP na maart 1984 in enig relevant opzicht is gewijzigd . Verzoekster zegt nu wel in haar repliek, dat eventuele tekorten bij KYDEP bij het beheer van de voedergraansector konden worden aangevuld door te lenen bij de Bank van Griekenland, maar zij blijft het bewijs schuldig, dat een dergelijke mogelijkheid inderdaad is benut, noch noemt zij de voorwaarden waaronder de Bank van Griekenland bereid zou zijn geweest geld aan KYDEP te verstrekken . Uit het arrest van het Hof in zaak C-35/88 blijkt, dat de verhouding tussen KYDEP en de bank in de periode 1981 - 1984 met recht hartelijk mocht heten, en het valt niet aan te nemen dat daarin tussen 1984 en 1986 fundamenteel verandering is gekomen .
31 . Eventuele nog resterende twijfel ( niet dat ik die nog koester ) moet volgens mij in het voordeel van de Commissie werken . Zoals ik hiervóór zei, en zoals ook het Hof oordeelde in zaak C-35/88, heeft verzoekster tegenover de Commissie niet bepaald open kaart gespeeld omtrent de relatie tussen KYDEP en de Griekse staat . De Commissie mocht op grond van de haar ter beschikking staande gegevens concluderen, dat de in geding zijnde restituties voor diervoeders niet bij het EOGFL konden worden gedeclareerd .
d ) Durum tarwe
32 . Volgens het verslag van de 36e algemene vergadering van KYDEP werden in 1985 65 000 ton durum tarwe door KYDEP voor communautaire interventie overgenomen . De tarwe werd niet bij de producenten aangekocht, maar eenvoudig overgenomen uit nationale voorraden die KYDEP reeds onder zich had . Volgens de Commissie betaalde de staat aan KYDEP het verschil terug tussen hetgeen de tarwe KYDEP oorspronkelijk had gekost, en de interventieprijs . Dit blijkt uit de nota van 6 juni 1985 van de directeur-generaal van KYDEP aan de raad van bestuur .
33 . In het verslag van de 36e algemene vergadering van KYDEP wordt erkend, dat de durum tarwe die Griekenland produceert, dikwijls beneden de kwaliteitscriteria blijft die de communautaire wetgeving voor interventiegraan hanteert . De hoeveelheid die in 1985 voor interventie werd overgenomen, zo schijnt in dat verslag te worden toegegeven, vertoonde "minimale afwijkingen" van de door de Gemeenschap geformuleerde criteria . De Commissie noemt in het syntheseverslag de mogelijkheid, dat de durum tarwe in 1985 in interventie werd genomen, niet met het oog op de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar in het kader van een nationaal marktondersteuningsbeleid, en dat de Griekse autoriteiten nu zouden proberen de kosten daarvan op het fonds af te wentelen . De Commissie kon de interventie-uitgaven voor de 65 000 ton durum tarwe die in 1986 was aangekocht, daarom niet goedkeuren .
34 . Over durum tarwe uit Griekenland is al meer het een en ander te doen geweest . In zaak C-214/86 ( Griekenland/Commissie, arrest van 21 februari 1989 ), waarin Griekenland de goedkeuring van de jaarrekeningen over 1982 aanvocht, stelde het Hof vast, dat in Griekenland durum tarwe voor interventie was overgenomen zonder dat de communautaire kwaliteitsnormen in acht waren genomen . In zaak C-281/87 ( Commissie/Griekenland, arrest van 29 november 1989 ), een procedure op grond van artikel 169 EEG-Verdrag, stelde het Hof vast, dat Griekenland niet had voldaan aan de verplichtingen die krachtens de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen op hem rustten, door KYDEP opdracht te geven minderwaardige durum tarwe van de oogst 1982 aan te kopen .
35 . Niettemin bestrijdt verzoekster, dat de thans in geding zijnde tarwe niet aan de kwaliteitsnormen voldeed . Ondanks de opmerkingen in het verslag van de 36e algemene vergadering van KYDEP beweert zij, dat alle tarwe was geïnspecteerd toen zij aan KYDEP werd aangeboden, en in overeenstemming was bevonden met de kwaliteitsnormen van verordening nr . 1569/77 van de Commissie houdende vaststelling van de procedures en voorwaarden voor de overneming van granen door de interventiebureaus ( PB 1977, L 174, blz . 15 ). Hiertoe legt verzoekster een aantal bij de inspecties opgestelde beoordelingsrapporten over . Zij beweert dat de inspecteurs van de Commissie meermaals op het bestaan van die beoordelingsrapporten waren geattendeerd, maar dat de Commissie ze niet heeft willen lezen .
36 . In haar verweerschrift betoogt de Commissie, dat bedoelde rapporten haar niet zijn aangeboden, maar dat de erkenning van KYDEP dat de betrokken tarwe niet helemaal aan de geldende kwaliteitsnormen beantwoordde, een sterke, zo al niet beslissende aanwijzing is dat dat inderdaad het geval was . Later in haar verweer legt de Commissie de klemtoon minder op de kwaliteit van de tarwe als wel op de redenen waarom deze tarwe in interventie is genomen . Zij betoogt dan, dat de belangrijkste reden waarom zij de interventie -uitgaven had geweigerd, was dat de tarwe in interventie is genomen niet overeenkomstig de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar om de kosten te verminderen waarvoor KYDEP stond wegens de groeiende voorraad onverkochte granen . In haar dupliek betoogt de Commissie, dat het feit dat de tarwe met het oog op nationale beleidsoverwegingen in interventie is genomen, op zich al voldoende rechtvaardiging vormde voor haar weigering om de kosten van die transactie ten laste van het EOGFL te brengen, onverschillig of die tarwe nu wel of niet aan de geldende kwaliteitsnormen voldeed .
37 . Wat de kwaliteit van de tarwe betreft, staat het aan verzoekster te bewijzen, dat aan de geldende normen is voldaan ( zie b.v . zaak 347/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr . 1988, blz . 1749, r.o . 14 ). Ik meen evenwel, dat verzoekster, door overlegging van de beoordelingsrapporten die zijn opgesteld toen de tarwe aan KYDEP werd aangeboden en waaruit zou blijken dat aan de geldende kwaliteitsnormen was voldaan, genoeg heeft gedaan om de bewijslast op de Commissie te doen overgaan . Ter terechtzitting is duidelijk geworden, dat de Commissie geen direct bewijs kan leveren dat de tarwe niet aan de norm voldeed, omdat zij de kwaliteit van die tarwe eigenlijk niet had onderzocht . In mijn verdere betoog ga ik dan ook uit van de veronderstelling, dat de tarwe aan de te stellen kwaliteitsnormen voldeed .
38 . De grief van verzoekster op dit punt draait dus om de rechtmatigheid van het besluit van KYDEP om de tarwe in interventie te nemen . In haar verzoekschrift en haar repliek gaat verzoekster niet nader in op dit aspect van het geschil, misschien omdat de Commissie aanvankelijk meer de klemtoon had gelegd op haar stelling, dat de tarwe niet aan de normen voldeed . Niettemin heeft de Commissie haar bewering dat de tarwe om oneigenlijke redenen in interventie was genomen, in het syntheseverslag genoemd en in haar verweerschrift nader uitgewerkt . Ik meen daarom niet, dat verzoeksters recht op weerwoord is miskend .
39 . In zaak C-281/87 ( Commissie/Griekenland, arrest van 29 november 1989 ) overwoog het Hof in navolging van zijn eerdere rechtspraak, dat de Lid-Staten op de onder een gemeenschappelijke marktordening vallende gebieden, vooral wanneer die ordening op een gemeenschappelijke prijsregeling berust, niet meer met eenzijdig vastgestelde nationale maatregelen kunnen ingrijpen in het prijsvormingsmechanisme, zoals dit uit de gemeenschappelijke ordening voortvloeit . Het Hof stelde dan ook vast, dat Griekenland, door KYDEP opdracht te geven minderwaardige durum tarwe van de oogst 1982 aan te kopen, de verplichtingen niet was nagekomen die op hem rustten krachtens de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen .
40 . In deze zaak bestrijdt verzoekster niet, dat de betrokken tarwe oorspronkelijk door KYDEP was aangekocht in het kader van een nationaal prijsondersteuningsbeleid en pas naderhand voor communautaire interventie was overgedragen . De uitspraak van het Hof in zaak C-281/87 maakt duidelijk, dat de regeling waaronder de tarwe oorspronkelijk was aangekocht, onwettig was omdat zij het mechanisme van de gemeenschappelijke marktordening voor granen doorkruiste . De latere overdracht van de tarwe voor communautaire interventie was niet meer dan een kunstgreep, omdat deze transactie niet was bedoeld als een opvangnet voor de producenten, wat het doel van werkelijke interventieaankoop is, maar om de kosten van een nationaal prijsondersteuningsbeleid, dat in zichzelf onwettig was, op het EOGFL af te wentelen .
41 . Ik concludeer dat, ook wanneer de 65 000 ton durum tarwe die de Griekse autoriteiten in 1985 aankochten, aan de geldende kwaliteitsnormen voldeden, de kosten van deze transactie niet ten laste van het EOGFL kunnen worden gebracht, omdat de transactie niet in overeenstemming was met de doelstellingen van de regeling waarbij de gemeenschappelijke marktordening voor granen tot stand is gebracht . Dit onderdeel van de vordering van verzoekster moet daarom worden verworpen .
e ) Na afloop van de geldende termijn gesloten contracten
42 . Artikel 2, lid 2, sub b, van verordening nr . 1082/85 tot invoering van steun voor de particuliere opslag van kefalotyri - en kasserikaas ( PB 1985, L 114, blz . 29 ) bepaalt, dat de opslagcontracten moeten worden gesloten "uiterlijk 40 dagen na de datum van het begin van de contractuele opslag ". De Commissie nu stelt, dat het contract met betrekking tot een bepaalde hoeveelheid kaas in de zin van die verordening pas 63 dagen na aflevering in de opslagplaats was gesloten . Daarom heeft zij geweigerd de opslagkosten ten laste van het EOGFL te brengen .
43 . Verzoekster betoogt dat de opslaghouder, voordat zulke contracten kunnen worden getekend, moet bewijzen dat de betrokken kaas werkelijk is opgeslagen . In dit speciale geval zou het bewijs in verband met de kerstdrukte te laat door de post zijn bezorgd ( in het verzoekschrift wordt de datum waarop dat bewijs op de post is gedaan, niet genoemd ). Verzoekster noemt deze vertraging in de postbezorging een geval van overmacht en meent dat de overschrijding van de in verordening nr . 1082/85 voorgeschreven termijn daarom door de vingers moet worden gezien .
44 . Ik kan dat betoog niet aanvaarden . Het is vaste rechtspraak dat, ook al onderstelt het begrip overmacht geen volstrekte onmogelijkheid, het niettemin vereist is dat het niet plaatsvinden van het betrokken feit te wijten is aan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden waarop degene die zich op overmacht beroept, geen invloed heeft en waarvan de gevolgen ondanks alle mogelijke voorzorgen niet konden worden vermeden ( zie b.v . zaak C-109/86, Theodorakis, Jurispr . 1987, blz . 4319, en zaken C-334/87 en C-335/87, reeds aangehaald ). De Griekse regering geeft in haar verzoekschrift toe, dat het algemeen bekend is dat de post in de periode vlak voor Kerstmis met vertraging heeft te kampen . Men zou daarom mogen verwachten, dat iemand die een belangrijke termijn niet wil missen, met die omstandigheid rekening houdt en zijn stukken extra vroeg ter post bezorgt of naar een ander middel omziet om ze ter bestemming te brengen, bij voorbeeld per fax of koerier of door ze persoonlijk af te geven .
45 . Ik concludeer dat dit onderdeel van de verzoeksters vordering moet worden verworpen .
f ) Verkoop tegen vaste prijzen van krenten en rozijnen van de oogst 1983
46 . Bij de goedkeuring van de rekeningen over 1985 werd een correctie aangebracht om rekening te houden met het effect van de door de Griekse autoriteiten ingestelde uitvoerbeperkingen van krenten en rozijnen van de oogst 1983 . De Commissie is van mening, dat die uitvoerbeperkingen de goede werking hebben verhinderd van de regeling van verordening nr . 3444/84 betreffende de verkoop tegen vooraf vastgestelde prijs van rozijnen en krenten van de oogst van 1983 die Griekse opslagbureaus onder zich hebben ( PB 1984, L 318, blz . 33 ), welke verordening tussen 10 december 1984 en 31 januari 1985 van kracht was . Dat had tot een scherpe daling van de verkopen en een dienovereenkomstige stijging van de opslagkosten geleid . Bovendien hadden de krenten en rozijnen, nadat de beperkingen waren versoepeld, aan kwaliteit ingeboet, zodat men met lagere prijzen genoegen moest nemen .
47 . Volgens de Commissie is de handelwijze van de Griekse autoriteiten ook van invloed geweest op de over 1986 bij het EOGFL gedeclareerde bedragen . Met betrekking tot dat jaar werden daarom correcties aangebracht op een zelfde basis als voor 1985 .
48 . In zaak C-335/87 is Griekenland tevergeefs opgekomen tegen de correcties die over 1985 ter zake van krenten en rozijnen waren aangebracht . Het Hof stelde vast, dat de Griekse autoriteiten inderdaad restricties toepasten, zoals de Commissie had gesteld, en dat deze laatste dus juist had gehandeld door de rekeningen van Griekenland over 1985 dienovereenkomstig bij te stellen .
49 . In de onderhavige procedure ontkent verzoekster wederom dat zij restricties heeft toegepast op de uitvoer van krenten en rozijnen van de oogst 1983 . Het enige verschil tussen 1986 en 1985 dat verzoekster in dit opzicht kan noemen, is de vaststelling van het presidentiële decreet nr . 215/86 . Volgens verzoekster waren met dat decreet alle eventueel nog bestaande uitvoerbeperkingen voor krenten en rozijnen opgeheven . Dat decreet werd echter pas op 13 juni 1986 uitgevaardigd en ik geloof niet, dat daarmee vaststaat dat de gevolgen van de door het Hof in zaak C-335/87 beoordeelde uitvoerbelemmeringen voor krenten en rozijnen tot 1985 beperkt zijn gebleven . Blijkens het dossier immers zijn de meeste opslagkosten waarop de Commissie over het jaar 1986 correcties heeft aangebracht, gemaakt tussen 1 januari 1986 en 30 juni 1986 .
50 . Ook blijkt uit het dossier, dat verzoekster over 1986 het EOGFL heeft willen aanspreken voor financiële vergoedingen die waren betaald ter zake van krenten en rozijnen van de oogst 1983, die beneden de in verordening nr . 3444/84 vastgestelde prijs waren verkocht . De constatering van de Commissie, dat die lagere prijzen aan de uitvoerbelemmeringen waren toe te schrijven, waarvan het Hof in zaak C-335/87 had vastgesteld dat zij de goede werking van het in die verordening neergelegde stelsel belemmerden, heeft verzoekster onweersproken gelaten .
51 . Ik ben daarom van mening, dat het laatste onderdeel van de vordering van verzoekster moet worden verworpen .
Algemene opmerkingen
52 . Tot slot lijken mij hier enkele algemene opmerkingen op hun plaats over de verplichtingen die de Lid-Staten tegenover het EOGFL hebben . De financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vindt plaats door een op wederzijds vertrouwen gebaseerd stelsel, waarbij het beheer van het EOGFL in beginsel aan de bevoegde nationale autoriteiten wordt overgelaten ( zie zaak 349/85, Denemarken/Commissie, Jurispr . 1988, blz . 129, r.o . 19 ). Zo verlangt artikel 8, lid 1, van verordening nr . 729/70, dat de Lid-Staten :
- zich ervan vergewissen dat de door het EOGFL gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze worden uitgevoerd;
- onregelmatigheden voorkomen en vervolgen;
- de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terugvorderen .
Blijkt het onmogelijk dergelijke bedragen integraal terug te vorderen, dan zijn ingevolge artikel 8, lid 2, de financiële gevolgen alleen voor rekening van de Gemeenschap wanneer de Lid-Staten geen verwijt treft .
53 . Bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheid voor het toezicht op de strikte naleving van de relevante communautaire bepalingen treden de Lid-Staten in wezen op als beheerders van het EOGFL . Verificaties door de Commissie dienen slechts ter aanvulling van het door de Lid-Staten uitgeoefende toezicht, zoals blijkt uit de achtste overweging van verordening nr . 729/70 en zoals het Hof te kennen gaf in het arrest van 9 oktober 1990 ( zaak C-366/88, Frankrijk/Commissie, Jurispr . 1990, blz . I-3571, r.o . 20 ). Niettemin zijn de nationale autoriteiten verplicht, de Commissie volledige medewerking te verlenen bij het door haar uitgeoefende toezicht . Die verplichting is neergelegd in artikel 9, lid 1, van verordening nr . 729/70, dat luidt als volgt :
"De Lid-Staten verstrekken aan de Commissie alle inlichtingen die voor de goede werking van het Fonds nodig zijn . Zij nemen alle maatregelen die kunnen dienen ter vergemakkelijking van de controles - verificaties ter plaatse daaronder begrepen - die de Commissie doelmatig acht in het kader van het beheer van de communautaire financiering ."
De in deze bepaling aan de Lid-Staten opgelegde verplichting wordt nog versterkt door het bepaalde in artikel 5 EEG-Verdrag .
54 . Ik ben van mening, dat de Lid-Staten in hun hoedanigheid van beheerders van het EOGFL ervoor dienen te zorgen, dat de omstandigheden waaronder bij het EOGFL te declareren uitgaven worden gedaan, zo doorzichtig mogelijk zijn . Anders wordt de Commissie onredelijk zwaar belast bij de uitoefening van het toezicht dat haar bij verordening nr . 729/70 is opgedragen . De Commissie is niet slechts gerechtigd, doch verplicht alle uitgaven van de Lid-Staten af te wijzen, wanneer zij er niet van overtuigd is dat die uitgaven strikt in overeenstemming met de communautaire bepalingen zijn gedaan . Wanneer de Commissie weigert bepaalde uitgaven ten laste van het EOGFL te brengen op grond dat de toepasselijke regels zijn overtreden, is het aan de betrokken Lid-Staat om aan te tonen dat wel aan de financieringsvoorwaarden is voldaan ( zie zaak 347/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr . 1988, blz . 1749, r.o . 14, reeds aangehaald onder punt 37 ). Lid-Staten die zich niet houden aan de verplichting te zorgen voor doorzichtigheid, en die tegenover de Commissie geen openheid betrachten, zullen onvermijdelijk ervaren hoe moeilijk het is om in die bewijsopdracht te slagen .
Conclusie
55 . Ik ben dan ook van mening, dat het beroep moet worden verworpen en dat verzoekster in de kosten moet worden verwezen .
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Top