Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 4 juni 1991. - GEORG VON DEETZEN TEGEN HAUPTZOLLAMT OLDENBURG. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT HAMBURG - DUITSLAND. - EXTRA HEFFING OP MELK - ZAAK C-44/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-05119
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige zaak is een vervolg op zaak 120/86 (Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321) en zaak 170/86 (von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355), waarin het Hof voor recht verklaarde, dat verordening nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 (PB 1984, L 132, blz. 11), ongeldig was, voor zover zij niet voorzag in toekenning van een referentiehoeveelheid (hierna: "quotum") aan melkproducenten die een verbintenis waren aangegaan uit hoofde van verordening nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 (PB 1977, L 131, blz. 1). Naar aanleiding van deze arresten, beide gewezen op 28 april 1988, stelde de Raad verordening nr. 764/89 van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2) vast, waarbij een artikel 3 bis werd ingevoegd in verordening nr. 857/84, en stelde de Commissie verordening nr. 1033/89 van 20 april 1989 (PB 1989, L 110, blz. 27) vast, waarbij een artikel 7 bis werd ingevoegd in verordening nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 (PB 1988, L 139, blz. 12), de codificatieverordening die verordening nr. 1371/84 verving. Ik zal deze beide nieuwe bepalingen aanduiden als "het nieuwe artikel 3 bis" en "het nieuwe artikel 7 bis".
2. De nieuwe wetgeving had tot gevolg dat aan degenen die, zoals von Deetzen, uit hoofde van verordening nr. 1078/77 tegen een premie een verbintenis waren aangegaan om geen melk of zuivelprodukten in de handel te brengen, een quotum kon worden toegekend. Ik zal het ingevolge het nieuwe artikel 3 bis beschikbare quotum "specifiek quotum" noemen. Von Deetzen heeft thans de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en wil de overdracht van het bedrijf aan zijn zonen regelen.
3. Op 19 december 1988 legde het Finanzgericht Hamburg naar aanleiding van het arrest van het Hof in de zaak 170/86 (reeds aangehaald) het Hof aanvankelijk de volgende twee vragen ter prejudiciële beslissing voor:
"1) Moet artikel 177 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat opnieuw een prejudiciële vraag mag worden gesteld, indien de nationale rechter geen beslissing kan nemen omdat de bevoegde instellingen van de Gemeenschap, nadat het Hof van Justitie een bepaalde rechtsnorm ongeldig heeft verklaard en ter opheffing van deze rechtstoestand rechtsregels moeten worden vastgesteld, deze regels niet hebben vastgesteld?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
Welke zijn de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 28 april 1988 (zaak 170/86), nu de Raad van de Europese Gemeenschappen sedertdien heeft nagelaten te handelen?"
Deze vragen verloren kennelijk hun belang toen de Raad en de Commissie in maart en april 1989 uiteindelijk de nieuwe regeling vaststelden. Bij beschikking van 8 augustus 1989, ingeschreven in het register van het Hof op 20 oktober 1989, heeft het Finanzgericht derhalve deze vragen ingetrokken en in de plaats daarvan de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Zijn verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, en de daarop gebaseerde verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 geldig, voor zover de specifieke referentiehoeveelheid volgens artikel 3 bis, lid 2, gelijk is aan slechts 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent, die als grondslag heeft gediend voor de niet-leverings- of omschakelingspremie?
2) Is artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van de hiervoor genoemde verordening geldig, volgens hetwelk de specifieke referentiehoeveelheid naar de communautaire reserve teruggaat, wanneer het bedrijf vóór het einde van de achtste toepassingsperiode van de extra-heffingsregeling wordt verkocht of verpacht?
3) Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord :
a) Moet het begrip verkoop in de zin van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook moet worden verstaan de inbreng van het bedrijf in een vennootschap naar burgerlijk recht, waarin de producent deelneemt, aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt?
Is er sprake van verkoop, indien degene die zijn bedrijf heeft ingebracht, door zijn overlijden of om andere redenen de vennootschap verlaat en zijn aandeel in de vennootschap bij de overige vennoten aanwast?
b) Hoe dient het begrip "een (met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89, te worden uitgelegd? Valt onder dit begrip met name ook de verpachting van het bedrijf aan een persoon die ingeval van wettelijke erfopvolging erfgenaam is van de producent aan wie een specifieke referentiehoeveelheid toekomt?"
De eerste vraag
4. De eerste vraag van het Finanzgericht betreft de geldigheid van de in het nieuwe artikel 3 bis, lid 2, vervatte beperking van de omvang van het specifieke quotum. In dat lid wordt het specifieke quotum beperkt tot 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht gedurende het jaar voorafgaande aan de indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling (hierna: "de 60%-regel").
5. Op 12 juli 1980 werd aan von Deetzen een op basis van zijn vroegere melkproduktie van 190 665 kg berekende niet-leveringspremie toegekend, in ruil waarvoor hij tot en met 7 september 1985 geen melk en zuivelprodukten mocht produceren. Met toepassing van de 60%-regel kende de Landwirtschaftskammer Weser-Ems hem op 20 juni 1989 een specifiek quotum toe van ten hoogste 114 399 kg (60% van 190 665 kg).
6. Nadat de onderhavige vragen waren voorgelegd, heeft het Hof evenwel de geldigheid van de 60%-regel onderzocht in de arresten van 11 december 1990 in zaak C-189/89 (Spagl) en zaak C-217/89 (Pastaetter). In die zaken werd de regel ongeldig verklaard en in casu kan ermee worden volstaan deze arresten te volgen.
De tweede vraag
7. De tweede vraag van het Finanzgericht betreft de geldigheid van het bepaalde in het nieuwe artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, volgens hetwelk het specifieke quotum teruggaat naar de communautaire reserve wanneer "het bedrijf vóór het einde van de achtste periode van toepassing van de regeling van de extra heffing (wordt) verkocht of verpacht" - dat wil zeggen vóór 1 april 1992 (hierna: "de vervalregel"). Volgens het Finanzgericht vervalt voor producenten die hun quotum hebben gekregen zonder een beroep te hoeven doen op het nieuwe artikel 3 bis, het quotum niet wanneer het bedrijf wordt verkocht of verpacht. Ten aanzien van deze producenten wordt in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB 1985, L 68, blz. 1), bepaald:
"Ingeval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf wordt de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nader vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen."
Deze bepalingen zijn thans vervat in artikel 7 van verordening nr. 1546/88 van de Commissie, waarin in de eerste alinea wordt bepaald:
"(...)
1. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt;
2. in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van een of meer gedeelten van het bedrijf wordt de betrokken referentiehoeveelheid over de producenten die het bedrijf overnemen, verdeeld op basis van de respectieve, voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten of van andere, door de Lid-Staten vastgestelde objectieve criteria. (...);
3. het bepaalde in de punten 1 en 2 (...) is van overeenkomstige toepassing voor andere gevallen van overgang die, op grond van de nationale regelingen, voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben;
(...)"
8. Nadere voorschriften voor de overdracht van het specifieke quotum zijn vervat in het nieuwe artikel 7 bis, dat, zoals bekend, bij verordening nr. 1033/89 werd ingevoegd in verordening nr. 1546/88. Zoals hierboven is gebleken, bevat artikel 7 voorschriften voor het normale geval van overdracht van een quotum. In artikel 7 bis, lid 1, wordt bepaald dat "ingeval van overgang van een bedrijf door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang" het specifieke quotum overeenkomstig dezelfde regels wordt overgedragen. In dat geval bestaat er derhalve geen verschil tussen de voorschriften die van toepassing zijn op degenen aan wie een specifiek quotum is toegewezen, en die welke van toepassing zijn op producenten die niet hebben deelgenomen aan een niet-leveringsprogramma. Gelet op artikel 7, eerste alinea, punt 3 (hiervoor geciteerd), betekent een "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van het nieuwe artikel 7 bis een overgang die "voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties" heeft.
9. Ingeval van overgang van het bedrijf door verkoop of verhuur gelden evenwel andere voorschriften voor degenen die niet hebben deelgenomen aan een niet-leveringsprogramma, dan voor degenen aan wie een specifiek quotum is toegekend: alleen bij deze laatsten is er sprake van verval van het quotum krachtens het nieuwe artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea. In het nieuwe artikel 7 bis, tweede en derde alinea, zijn nadere voorschriften vastgesteld voor de toepassing van deze bepaling.
10. Hoe wordt dit verschil in behandeling van producenten aan wie specifieke quota zijn toegekend, en producenten die niet hebben deelgenomen aan een niet-leveringsprogramma, gerechtvaardigd? In de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 764/89 worden de volgende redenen gegeven:
"Overwegende dat de toegekende hoeveelheden niet bedoeld zijn om een onrechtmatig voordeel te verschaffen maar om effectief te worden geproduceerd door degenen aan wie zij zijn toegewezen; dat zij te dien einde moeten worden onderworpen aan bepaalde beperkende voorwaarden;"
Het nieuwe artikel 3 bis bevat in feite een aantal van die "beperkende voorwaarden". Meer bepaald moeten degenen die een specifiek quotum aanvragen, hun activiteit niet hebben gestaakt of hun melkveebedrijf niet in zijn geheel hebben overgedragen vóór het verstrijken van de periode van hun niet-leveringsverbintenis (artikel 3 bis, lid 1, sub a); zij moeten aantonen dat zij in staat zijn om de aangevraagde hoeveelheid op hun bedrijf te produceren (artikel 3 bis, lid 1, sub b); zij moeten binnen twee jaar te rekenen vanaf 29 maart 1989 kunnen aantonen dat zij de verkoop of leveringen hebben hervat op een niveau van ten minste 80% van de voorlopig toegewezen hoeveelheid (artikel 3 bis, leden 1 en 3; ik vestig er de aandacht op, dat het specifieke quotum op zijn vroegst op 29 maart 1989, de dag van de bekendmaking van de verordening in het Publikatieblad, kan worden aangevraagd en dat aanvragen binnen drie maanden vanaf die datum moeten worden ingediend: zie artikel 3 bis, lid 1). Ongebruikte quota mogen niet tijdelijk worden overgedragen (artikel 3 bis, lid 4, eerste alinea). Ten slotte - en dit is de voorwaarde waar we thans mee te maken hebben - gaat het quotum terug naar de communautaire reserve indien het bedrijf wordt verkocht of verpacht vóór het einde van de "achtste periode", dat wil zeggen vóór 1 april 1992 (artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea).
11. Zoals de Raad uiteenzet in zijn schriftelijke opmerkingen, zijn deze maatregelen duidelijk bedoeld om te voorkomen dat landbouwers enkel en alleen een specifiek quotum aanvragen om de handelswaarde van hun bedrijf op te voeren, en niet om te voorkomen dat zij het quotum gebruiken om hun produktie voort te zetten. Ondanks de twijfels van het Finanzgericht, komt deze redenering mijns inziens in voldoende mate tot uitdrukking in de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 764/89 (hiervoor geciteerd). Derhalve kan het verschil in behandeling tussen degenen die een specifiek quotum hebben aangevraagd enerzijds en de houders van een quotum die niet hebben deelgenomen aan een niet-leveringsprogramma anderzijds, worden verklaard door het feit dat de eerstgenoemde categorie van plan is de melkproduktie te hervatten na aan een dergelijke regeling te hebben deelgenomen. Het vereiste dat het bedrijf niet mag worden verkocht of verpacht vóór 1 april 1992, kan dan worden beschouwd als een integraal onderdeel van een reeks van voorwaarden op grond waarvan degene die een specifiek quotum aanvraagt, daadwerkelijk de melkproduktie dient te hervatten op een niveau dat overeenkomt met het door hem aangevraagde quotum.
12. In zaak 170/86 (zie hierboven onder punt 1) werd uitgemaakt dat von Deetzen mocht verwachten dat hij de produktie kon hervatten zonder na afloop van zijn niet-leveringsverbintenis gesteld te worden voor "beperkingen die hem in het bijzonder treffen juist omdat hij gebruik heeft gemaakt (van een niet-leveringsprogramma)" (r.o. 13). Voorts kan niet worden ontkend dat de beperkende voorwaarden in het nieuwe artikel 3 bis beperkingen omvatten die in het bijzonder degenen treffen die de produktie hervatten nadat zij aan een dergelijke regeling hebben deelgenomen. Enkel voor deze producenten is het behoud van het quotum afhankelijk van het gebruik voor de melkproduktie.
13. De draagwijdte van het hier aan de orde zijnde gerechtvaardigd vertrouwen moet echter nauwkeuriger worden gedefinieerd. In het arrest in zaak 170/86 stelde het Hof het als volgt:
"(...) een (...) volledige en duurzame uitsluiting voor de gehele geldingsduur van de extra-heffingsregeling, waardoor het de betrokken producenten werd belet het in de handel brengen van melk na de periode van vijf jaar te hervatten, (was) voor deze producenten niet voorzienbaar op het moment waarop zij zich ertoe verbonden tijdelijk geen melk meer te leveren. Noch uit de bepalingen noch uit de considerans van verordening nr. 1078/77 blijkt immers, dat de overeenkomstig deze verordening aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen, ertoe kon leiden dat deze activiteit na afloop van de verbintenis niet zou kunnen worden hervat. Een dergelijk gevolg maakt dan ook inbreuk op het gewettigd vertrouwen van die producenten in de tijdelijkheid van de gevolgen van de regeling waaraan zij zich onderwierpen." (r.o. 15) (cursivering van mij)
Evenzo verklaarde het Hof in de hierboven onder punt 6 aangehaalde zaken C-189/89 (Spagl) en C-217/89 (Pastaetter) de 60%-regel ongeldig. Het Hof overwoog dat de beperking van het specifieke quotum tot 60% van de vroegere produktie voor de landbouwers die hun produktie hervatten, een produktiebeperking betekent die meer dan twee maal zo hoog is als de hoogste korting voor degenen die niet hebben deelgenomen aan een niet-leveringsprogramma (arrest Spagl, r.o. 24, en arrest Pastaetter, r.o. 15). Anders gezegd, de landbouwer die erin heeft toegestemd de produktie voor een beperkte tijd op te schorten, zou worden gesteld voor een verdere produktiebeperking die hem in het bijzonder treft wanneer hij zijn produktie hervat. Ofschoon de zaken Spagl en Pastaetter verder gingen dan zaak 170/86, in die zin dat zij handelen over een beperking die niet gelijkstaat met een totaal verbod van de melkproduktie, betroffen zij derhalve niettemin ook het gerechtvaardigd vertrouwen in de mogelijkheid de produktie te hervatten na afloop van de periode van niet-levering.
14. Dit gerechtvaardigd vertrouwen moet aldus worden opgevat, dat het niet alleen betrekking heeft op de situatie waarin de landbouwer zelf de produktie hervat, maar ook op die waarin een erfgenaam of een daarmee gelijkgestelde rechtsopvolger de produktie hervat (zie het arrest van 21 maart 1991 in zaak C-314/89, Rauh). In die zaak had de vermoedelijke erfgenaam van landbouwers die hadden deelgenomen aan een niet-leveringsprogramma, het bedrijf van zijn ouders overgenomen nadat hun niet-leveringsverbintenis was afgelopen, maar voordat een specifiek quotum kon worden aangevraagd. Het Hof overwoog dat niet alleen de landbouwers die de verbintenis hadden aangegaan, maar ook degenen die het bedrijf door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang hadden overgenomen, gerechtigd waren een quotum aan te vragen (zie r.o. 23). Mijns inziens is de grondgedachte van deze beslissing, dat in een dergelijk geval de activiteiten van de producent kunnen worden geacht te zijn voortgezet door zijn of haar rechtsopvolger en dat de producent mitsdien gerechtigd is te verwachten dat de activiteiten daardoor kunnen worden voortgezet. Volgens mij strekt dit vertrouwen zich niet uit tot de overdracht van het quotum door middel van een commerciële verkoop- of pachttransactie aan een persoon die in geen enkele relatie staat tot de producent.
15. Derhalve heeft de Commissie terecht gesteld dat degenen die hebben deelgenomen aan een niet-leveringsprogramma, gerechtigd waren te verwachten dat zij de produktie na afloop van de niet-leveringsperiode konden hervatten en niet dat zij de marktwaarde van het quotum te gelde konden maken. Toen von Deetzen de niet-leveringsverbintenis aanging, mocht hij derhalve niet verwachten, dat hij de bijkomende financiële vruchten kon plukken van een quotastelsel dat op het tijdstip waarop hij de verbintenis aanging, nog niet bestond.
16. Hieruit volgt dat op het gerechtvaardigd vertrouwen van een producent die zijn produktie hervat, geen inbreuk wordt gemaakt door voorwaarden die bedoeld zijn om te verzekeren dat de produktie niet slechts kortstondig of gedeeltelijk wordt hervat. Meer bepaald kan de voorwaarde dat een bedrijf niet mag worden overgedragen (anders dan door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang) vóór 1 april 1992, dat wil zeggen binnen drie jaar na toewijzing van het specifieke quotum, niet worden geacht inbreuk te maken op het gerechtvaardigd vertrouwen van de producent.
17. Overigens is een dergelijke voorwaarde mijns inziens ook niet in strijd met enig ander algemeen beginsel van gemeenschapsrecht. Weliswaar worden degenen aan wie een specifiek quotum is toegewezen, door deze beperking verschillend behandeld, in die zin dat zij worden gesteld voor een beperking die niet geldt voor andere houders van quota, maar dit verschil in behandeling vormt mijns inziens geen discriminatie, omdat het kan worden gerechtvaardigd door de verschillende situatie waarin beide categorieën van landbouwers zich bevinden. Diegenen die de produktie hervatten na afloop van een niet-leveringsverbintenis, deden dit op een moment waarop het quotastelsel reeds een aantal jaren bestond, gedurende welke quota waardevolle activa waren geworden. Derhalve werden dergelijke landbouwers terecht onderworpen aan voorwaarden waarmee wordt voorkomen dat zij louter financieel voordeel behalen uit de toewijzing van quota. Dergelijke voorwaarden waren overbodig toen de quota net waren ingevoerd en zij nog geen marktwaarde vertegenwoordigden.
18. Verder kan de vervalregel mijns inziens niet worden beschouwd als een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op eigendom. Deze regel heeft weliswaar tot gevolg dat een bedrijf tijdelijk niet met winst kan worden vervreemd, maar deze beperking kan mijns inziens worden gerechtvaardigd door de noodzaak een hervatting van de produktie te ontmoedigen waarmee enkel wordt beoogd de waarde van een bedrijf op te voeren (door de toewijzing van een quotum), en niet het quotum te gebruiken voor de produktie. Zou in dergelijke omstandigheden een quotum mogen worden overgedragen, dan zou het totale volume van de quota toenemen, waardoor de doelstelling van de Gemeenschap om de melkproduktie te beheersen, in gevaar zou worden gebracht. Anderzijds zou hiermee enkel het belang van de individuele landbouwer worden gediend, die hoopt een speculatieve winst te maken. Zoals het Hof in zaak 265/87 (Schraeder, Jurispr. 1989, blz. 2237, r.o. 15) verklaarde, heeft het recht op eigendom, ook al behoort het tot de algemene rechtsbeginselen, geen absolute gelding, en mag de uitoefening van het recht worden onderworpen aan beperkingen van algemeen belang, waardoor het recht niet in zijn kern wordt aangetast.
19. Ten slotte kan mijns inziens de vervalregel, nu deze geldt voor een periode van maximaal drie jaar vanaf de toewijzing van het quotum, niet worden geacht in strijd te zijn met het evenredigheidsbeginsel.
20. Bijgevolg kan niet worden vastgesteld dat de door het Finanzgericht in zijn tweede vraag genoemde bepaling ongeldig is. Derhalve dienen de resterende vragen te worden beantwoord.
De derde vraag
21. De derde vraag, die bestaat uit twee delen, betreft het verschil tussen verkoop of verpachting enerzijds en overdracht door vererving anderzijds. Zoals bekend, leidt enkel in het eerstgenoemde geval een overdracht van het bedrijf tot verval van het specifieke quotum. Het doel van de vraag is, vast te stellen hoe die regel in verschillende hypothetische situaties van toepassing is.
22. In het hoofdgeding wenst von Deetzen in feite een advies, hoe hij het zo kan regelen, dat hij met pensioen kan gaan zonder dat zijn quotum vervalt. Mijns inziens achten niet alle gerechten van de Lid-Staten zich in een dergelijk geval verplicht hypothetische vragen te beantwoorden; maar ingevolge artikel 177 EEG-Verdrag moet dit door de nationale rechter zelf worden uitgemaakt. Er kunnen zich natuurlijk omstandigheden voordoen waarin het Hof in het kader van een krachtens artikel 177 gestelde prejudiciële vraag, weigert te antwoorden op volstrekt algemene of hypothetische vragen (zie zaak 244/80, Foglia, Jurispr. 1981, blz. 3045, r.o. 18). Dergelijke omstandigheden zijn evenwel exceptioneel en indien de nationale rechter van mening is dat de bij hem opgeworpen vragen dienen te worden beantwoord, zal het Hof zulks in de regel niet weigeren. Indien de voorgelegde vragen echter, zoals in casu, de gevolgen van transacties betreffen waarvan de exacte details het Hof niet bekend zijn, behoeft het geen betoog dat het Hof slechts algemene aanwijzigingen kan geven voor de door de nationale rechter te volgen handelwijze.
a) Het begrip "verkoop "
23. Met het eerste deel van de vraag wenst het Finanzgericht te vernemen, of onder het begrip "verkoop" in het nieuwe artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, de volgende transacties vallen: i) waarbij het betrokken bedrijf wordt ingebracht in een vennootschap naar burgerlijk recht waarin de houder van het quotum deelneemt, en ii) waarbij hij door zijn overlijden of om andere redenen de vennootschap verlaat en zijn aandeel bij de overige vennoten aanwast.
24. Zoals we reeds zagen, kan de vervalregel aldus worden gerechtvaardigd, dat hij beoogt te voorkomen dat een ongerechtvaardigd voordeel wordt behaald uit de toewijzing van het quotum. Zo een voordeel ontstaat indien het specifieke quotum wordt verkregen om de onmiddellijke marktwaarde van het bedrijf op te voeren en niet om de produktie te hervatten. Daarentegen is er geen enkele reden waarom het quotum zou moeten vervallen ten gevolge van een transactie die uitsluitend dient te waarborgen dat de houder van het quotum of zijn erfgenamen de produktie kunnen voortzetten.
25. Er zij aan herinnerd dat ingevolge artikel 7, eerste alinea, sub 3, van verordening nr. 1546/88 de bepalingen van die alinea inzake de overdracht van quota van toepassing zijn voor "andere gevallen van overgang die (...) voor de producenten vergelijkbare juridische consequenties hebben". Ingeval van overgang van het bedrijf "door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang" past het nieuwe artikel 7 bis, eerste alinea, dezelfde bepalingen toe op de overdracht van het specifieke quotum. In artikel 7 bis, tweede alinea, wordt evenwel slechts gesproken van: "bij toepassing van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea". Derhalve wordt in het nieuwe artikel 7 bis, tweede alinea, de vervalregel niet met zoveel woorden uitgebreid tot wijzen van overgang die "vergelijkbaar" zijn met verkoop of verpachting. Mijn inziens ligt een dergelijke uitbreiding echter impliciet besloten in het stelsel van het nieuwe artikel 7 bis dat, evenals artikel 7 van deze verordening, betrekking heeft op de gevolgen van de betrokken transacties en niet louter op de wijze waarop zij plaatsvinden.
26. Hiertegen zou kunnen worden ingebracht, dat de vervalregel de houder van het quotum beperkt in de uitoefening van zijn eigendomsrecht en dat derhalve een expliciete bepaling vereist is om de regel te kunnen uitbreiden tot wijzen van overgang die "vergelijkbare juridische consequenties" hebben als een verkoop of verpachting. Mijns inziens volstaat het echter dat de betrokken bepalingen, gelet op hun bewoordingen, context en doel, zich voor een dergelijke extensieve uitlegging lenen. Dat zou zelfs het geval zijn indien een sanctie wordt opgelegd (zie arrest van 25 september 1984, zaak 117/83, Koenecke, Jurispr. 1984, blz. 3291, r.o. 11-16); dit geldt daarom a fortiori voor bepalingen krachtens welke enkel de uitoefening van rechten voor een bepaalde periode wordt beperkt. Zoals we hebben gezien, dienen de bepalingen te voorkomen, dat de marktwaarde van een quotum onmiddellijk te gelde wordt gemaakt. Een quotum kan net zo gemakkelijk door wijzen van overgang die juridische consequenties hebben die vergelijkbaar zijn met die van verkoop of verpachting, als door een verkoop of verpachting zelf te gelde worden gemaakt, en elke restrictievere uitlegging van het nieuwe artikel 3 bis, lid 4, juncto het nieuwe artikel 7 bis, tweede alinea, zou mitsdien de duidelijke doelstelling van die bepalingen dwarsbomen.
27. Bijgevolg dienen de in het nieuwe artikel 3 bis gebezigde begrippen "verkoop" en "verpachting" aldus te worden opgevat, dat zij ook van toepassing zijn op wijzen van overgang die voor producenten "vergelijkbare juridische consequenties" hebben. Hieronder vallen dus niet alleen wijzen van overgang in de vorm van een verkoop of verpachting, maar ook andere transacties waarbij een belang in het bedrijf wordt overgedragen van de houder van het quotum aan een andere partij, wanneer deze transacties zijn bedoeld om de handelswaarde van het quotum te gelde te maken.
28. Of een transactie uitsluitend is bedoeld om de oorspronkelijke houder van het quotum te stimuleren zijn activiteit voort te zetten, dan wel om hem in staat te stellen de marktwaarde van het quotum te gelde te maken, kan enkel worden vastgesteld door de details van de betrokken transactie te bestuderen, en dit is duidelijk een taak voor de nationale rechter. Indien met de transactie een vennootschap wordt opgericht, is het antwoord op de vraag afhankelijk van de details van het vennootschapscontract en de nationaalrechtelijke gevolgen ervan. Het toe te passen criterium is dus of de oprichting van de vennootschap zal leiden tot uitwisseling van een quotum, of van de winst die uit de produktie op basis van het quotum wordt behaald, tegen een aandeel in andere winsten of activa. In dat geval wordt de handelswaarde van het quotum daadwerkelijk geheel of gedeeltelijk gerealiseerd door de houder van het quotum; en dit is ongetwijfeld in het algemeen het geval, indien de vennootschap een commerciële regeling is tussen personen die op voet van gelijkheid met elkaar zaken doen. Daarentegen kan een met toekomstige erfgenamen opgerichte vennootschap buiten de definitie van "verkoop" of "verpachting" vallen, omdat het daarbij gaat om een met vererving vergelijkbare wijze van overgang (zie hieronder punten 32 33).
29. Soortgelijke beginselen moeten door de nationale rechter worden toegepast bij de kwalificatie van transacties waarbij de oorspronkelijke houder van het quotum uit de vennootschap uittreedt. Indien de transactie tot doel of gevolg heeft dat de houder van het quotum in staat wordt gesteld de waarde van zijn belang te gelde te maken, doordat hij bij voorbeeld wordt uitgekocht door de overige vennoten, dan is het duidelijk dat dit strikt genomen kan worden beschouwd als "verkoop" in de zin van de vervalregel; dit neemt evenwel niet weg dat, zoals we hebben gezien, een met "verkoop" of "verpachting" overeenkomende wijze van overgang reeds kan hebben plaatsgevonden op het tijdstip van de oprichting van de vennootschap.
30. Het Finanzgericht noemt ook het geval waarin de houder van het quotum door zijn overlijden geen deel meer uitmaakt van de vennootschap en zijn aandeel in de vennootschap daardoor aanwast bij de overige vennoten. Dit kan, afhankelijk van de omstandigheden, gemakkelijker als "verkoop" of als "vererving" worden beschouwd, maar dit probleem kan volgens mij beter worden besproken in de context van het tweede deel van de vraag van het Finanzgericht (zie hieronder punten 35 en 36).
b) Het begrip "vererving of (...) daarmee vergelijkbare wijze van overgang "
31. Krachtens het nieuwe artikel 7 bis, eerste alinea, wordt in geval van overgang van een bedrijf "door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang" het specifieke quotum overgedragen overeenkomstig de gewone op quota toepasselijke regels. Deze transacties leiden derhalve tot overdracht en niet tot verval van het quotum. Met het tweede deel van zijn vraag wenst het Finanzgericht te vernemen, hoe het begrip "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" moet worden uitgelegd en meer bepaald, of hieronder de verpachting van het bedrijf aan de wettelijke erfgenaam van de houder van het quotum valt.
32. Het komt mij voor dat, net zoals bij de uitlegging van de begrippen "verkoop" en "verpachting", het leidende beginsel moet zijn of de transactie is bedoeld om de marktwaarde van het quotum te gelde te maken, dan wel om de oorspronkelijke houder van het quotum te helpen zijn produktie-activiteiten voort te zetten. Het behoeft verder geen betoog dat de gemeenschapswetgever, door de artikelen 7 en 7 bis van verordening nr. 1546/88 vast te stellen, heeft erkend dat de produktie-activiteiten van de houder van het quotum kunnen worden geacht te worden voortgezet door zijn erfgenamen, aan wie het derhalve zou moeten zijn toegestaan het voordeel van het quotum te behouden.
33. Bijgevolg kunnen met vererving "vergelijkbare" wijzen van overgang in beginsel tijdens het leven van de houder van het quotum met een toekomstige erfgenaam gesloten overeenkomsten omvatten (zie zaak C-314/89, Rauh, hierboven aangehaald in punt 14). Er zij echter nogmaals op gewezen dat de vraag of een bepaalde overeenkomst valt binnen de definitie van "vererving of (...) daarmee vergelijkbare wijze van overgang", afhangt van de details van de betrokken overeenkomst. Er zijn bepaalde transacties die buiten deze definitie vallen, ook al worden zij aangegaan met een toekomstige erfgenaam: bij voorbeeld indien het bedrijf wordt verkocht tegen de volledige marktwaarde. Ook hier staat het aan de nationale rechter de details van de transactie te onderzoeken ten einde vast te stellen welke doelstelling de transactie het best bedoelt te dienen.
34. Zo mag in geval van verpachting van het bedrijf aan een toekomstige erfgenaam de transactie niet erop neerkomen, dat indirect de waarde van het quotum te gelde wordt gemaakt. Verder moet de transactie tot doel hebben, de toekomstige erfgenaam in staat te stellen, de produktie over te nemen. De verpachting aan een toekomstige erfgenaam, die niet afloopt tijdens het leven van de houder van het quotum, en krachtens welke het niet is toegestaan het bedrijf gedurende deze periode onder te verpachten of over te dragen, kan dus redelijkerwijze worden geacht te vallen binnen de definitie van "vererving of (...) daarmee vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van het nieuwe artikel 7 bis, eerste alinea.
35. Anderzijds moet niet elke overdracht van een belang na het overlijden van de houder van het quotum worden beschouwd als een met vererving "vergelijkbare" overgang. Om terug te komen op het vraagstuk van de overdracht van een aandeel in een vennootschap naar aanleiding van het overlijden van een vennoot (zie hierboven onder punt 30), er zijn ontegenzeglijk omstandigheden waarin dit een incident zou kunnen zijn in het kader van een zuiver commerciële overeenkomst. In die gevallen moet echter worden nagegaan of een "verkoop" plaatsvond op het tijdstip waarop de vennootschap werd opgericht of op het tijdstip waarop de houder van het quotum overleed. Hoewel op laatstgenoemd tijdstip het belang van de houder van het quotum overgaat op de overige vennoten, zou een onderzoek van de voorwaarden van het op eerstgenoemd tijdstip gesloten contract kunnen uitwijzen, dat op dat moment reeds een met een "verkoop" overeenkomende overgang heeft plaatsgehad.
36. Daar staat tegenover dat, indien de vennootschap is aangegaan met toekomstige erfgenamen, het meer voor de hand zou liggen de overdracht van het belang door overlijden te beschouwen als een met vererving vergelijkbare overgang, ook al wordt de overgang van het aandeel op de overige vennoten uitdrukkelijk geregeld in het vennootschapscontract en niet door de wilsbeschikking van de houder van het quotum. Ook hier moet de ware aard van de transactie worden afgeleid uit de voorwaarden van het ten tijde van de oprichting van de vennootschap gesloten contract en het kan zijn dat reeds op dat tijdstip een relevante overgang heeft plaatsgevonden.
CONCLUSIE
37. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de door het Finanzgericht gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 3 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, is ongeldig, voor zover de daarin voorziene specifieke referentiehoeveelheid wordt beperkt tot 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling.
b) De termen 'overgang van een bedrijf door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang' in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat zij ook transacties tussen de oorspronkelijke houder van de referentiehoeveelheid en zijn toekomstige erfgenamen omvatten die ten doel hebben de voortzetting van de produktie van het bedrijf te bevorderen, doch niet transacties die ten doel hebben de waarde van de referentiehoeveelheid te gelde te maken."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Top