Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 28 februari 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK. - NIET-INACHTNEMING VAN RICHTLIJN - GECOMBINEERD RAIL/WEGVERVOER VAN GOEDEREN. - ZAAK C-45/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02053
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In de onderhavige zaak verzoekt de Commissie het Hof, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door voor gecombineerd rail/wegvervoer tussen de Lid-Staten een stelsel van vergunningen en contingentering te handhaven en door te weigeren aan particulieren die dergelijk vervoer wensen te verrichten, een vergunning te verlenen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 75/130/EEG van de Raad van 17 februari 1975 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd rail/wegvervoer van goederen tussen de Lid-Staten. (1)
2. Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt: "Elke Lid-Staat moet het in artikel 1 bedoelde gecombineerde vervoer uiterlijk vóór 1 oktober 1975 vrijstellen van ieder contingenterings- en vergunningenstelsel." Volgens laatstgenoemd artikel, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/5/EEG van de Raad van 19 december 1978 (2), wordt onder gecombineerd rail/wegvervoer verstaan: "het goederenvervoer over de weg tussen Lid-Staten waarbij de vrachtwagen, de aanhangwagen, de oplegger (met of zonder trekker), de afneembare laadbak en de container van twintig voet en meer per spoor worden verzonden vanaf het geschikte station van inlading dat het dichtst bij de laadplaats van de goederen is gelegen tot aan het geschikte station van uitlading dat het dichtst bij de losplaats ervan is gelegen."
3. In haar verzoekschrift wijst de Commissie op het Italiaanse decreet van 4 juli 1985 (3) waarbij het gebruik van een afzonderlijke trekker die uitsluitend bestemd is voor het vervoer van aanhangwagens of opleggers bij internationaal gecombineerd vervoer, aan een contingenterings- en vergunningenstelsel wordt onderworpen. Een later decreet, van 16 september 1986 (4), zou met het oog op richtlijn 75/130 het gecombineerd vervoer tussen de Lid-Staten van dit stelsel hebben vrijgesteld. Dit laatste decreet is evenwel ingetrokken bij een decreet van 24 oktober 1986. (5)
4. Op 25 mei 1987 stuurde de Commissie de Italiaanse regering een brief waarin zij de aandacht vestigde op de verplichtingen die voor laatstgenoemde voortvloeien uit richtlijn 75/130. Vervolgens bracht zij op 4 juli 1988 een met redenen omkleed advies uit, waarbij zij de Italiaanse regering uitnodigde binnen twee maanden de nodige maatregelen te nemen. Dit advies is evenwel niet opgevolgd.
5. Volgens de Italiaanse regering is er geen sprake van niet-nakoming. De liberalisering van het gecombineerd rail/wegvervoer zou zich immers niet uitstrekken tot de rit met de trekker vanaf het bedrijfsterrein tot aan het station van inlading en vanaf het station van uitlading tot aan de plaats waar de goederen worden gelost, wanneer de trekker niet per spoor wordt vervoerd en de betrokken trajecten binnen één enkele Lid-Staat worden afgelegd ("onbegeleid gecombineerd vervoer"). Verweerster baseert zich daartoe voornamelijk op artikel 6 van richtlijn 75/130, volgens hetwelk "de in elke Lid-Staat geldende voorwaarden voor toelating tot het beroep van vervoerondernemer en voor toegang tot de vervoermarkt door deze richtlijn niet worden gewijzigd". In dupliek geeft zij weliswaar toe, dat volgens de gewijzigde tekst van artikel 1 van de richtlijn het over de weg afgelegde gedeelte van "onbegeleid gecombineerd vervoer" wel degelijk onder het begrip gecombineerd internationaal vervoer valt, doch zij voert aan, dat voor onbegeleid gecombineerd vervoer niet dezelfde rechtsregeling kan gelden als voor begeleid gecombineerd vervoer.
6. Er dient onmiddellijk te worden gezegd, dat deze stelling niet houdbaar lijkt. Zij heeft tot gevolg, dat bedrijven verplicht zijn de trekker samen met de lading per spoor te vervoeren om van de liberalisering van het internationaal gecombineerd vervoer te kunnen profiteren. Economisch gezien brengt deze verplichting voor de betrokken ondernemers nutteloze kosten mee. Deze stelling staat dus haaks op de doelstellingen van richtlijn 75/130. In de tweede overweging van de considerans van deze richtlijn wordt immers verklaard, dat "gecombineerd rail/wegvervoer (...) over lange afstanden een economisch voordelige exploitatievorm is".
7. Juridisch gezien volgt bovengenoemde verplichting uit de bepalingen noch uit de algemene opzet van richtlijn 75/130. In artikel 1, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/5, wordt immers een opsomming gegeven van datgene wat per spoor wordt vervoerd. Hieruit blijkt dat vervoer van de trekker niet verplicht is; er wordt zelfs uitdrukkelijk gezegd dat de oplegger met of zonder trekker per spoor kan worden vervoerd. De bij de vaststelling van richtlijn 75/130 geformuleerde eerste versie van dit artikel was weliswaar minder duidelijk. De trekker was toen wel opgenomen in die opsomming en de vermelding "(met of zonder trekker)" kwam niet in de tekst voor. Sinds de bij richtlijn 79/5 aangebrachte wijzigingen is er echter geen twijfel meer mogelijk. In een arrest van 7 juli 1987 (6) heeft het Hof overigens reeds terloops vastgesteld, dat het voor internationaal gecombineerd vervoer irrelevant is, of de trekker wel of niet samen met de aanhangwagen per spoor wordt vervoerd.(7)
8. De Italiaanse regering betwist dit weliswaar niet, doch haar stelling impliceert, dat in de bepalingen van de richtlijn twee verschillende juridische systemen zijn terug te vinden, namelijk een voor begeleid en een voor onbegeleid gecombineerd vervoer. Een dergelijk onderscheid komt evenwel niet voor in de tekst van de richtlijn. Integendeel, volgens artikel 2 geldt de vrijstelling van ieder contingenterings- en vergunningenstelsel voor alle vormen van gecombineerd vervoer als bedoeld in artikel 1. Indien onbegeleid gecombineerd vervoer onder de richtlijn valt, geldt de in artikel 2 genoemde vrijstelling dus ook daarvoor.
9. Gelijk de Commissie ter terechtzitting heeft verklaard, doelt artikel 6 overigens op de voorwaarden inzake bekwaamheid en technische capaciteit waaraan moet worden voldaan door ondernemingen die wegvervoer willen verrichten, en op de door de bevoegde instanties van de Lid-Staten afgegeven algemene vergunningen voor de daadwerkelijke uitoefening van het beroep van vervoerondernemer. Artikel 6 ziet evenwel niet op het recht van een dergelijke ondernemer om zich bezig te houden met wegvervoer dat deel uitmaakt van internationaal gecombineerd vervoer. Dit recht moet immers, ingevolge artikel 2 van de richtlijn, van iedere vorm van vergunning of contingentering worden vrijgesteld. Artikel 6 van richtlijn 75/130 moet dan ook naar het doel en de algemene opzet van de richtlijn worden uitgelegd, dat wil zeggen met inachtneming van de andere bepalingen en met name van artikel 2. Al laat de richtlijn de in het nationale recht neergelegde voorwaarden voor toegang tot de vervoermarkt onverlet, toch mag artikel 6 niet aldus worden uitgelegd, dat het de liberalisering van het internationaal gecombineerd vervoer in gevaar brengt. Anders dan de Italiaanse regering in dupliek stelt, ontneemt de door mij voorgestane uitlegging artikel 6 niet elk nuttig effect.
10. Ten slotte is de stelling van de Italiaanse regering onverenigbaar met de rechtspraak van het Hof, volgens welke "het vervoer vanaf het punt van vertrek tot de plaats van bestemming (...) als een geheel wordt beschouwd". (8)
11. In dupliek legt de Italiaanse regering een tekst over die een door de Commissie ter voorbereiding van een herziening van richtlijn 75/130 opgesteld werkdocument lijkt te zijn, en waaruit zou blijken, dat haar stelling door de Commissie als de huidige stand van het gemeenschapsrecht wordt beschouwd. Allereerst moet worden gezegd, dat de opvatting van een instelling van de Gemeenschappen over de reikwijdte van een tekst moet wijken voor de expliciete bepalingen van die tekst. Bovendien gaat het hier om een intern document van de Commissie, dat niet het officiële standpunt van deze instelling weergeeft. In het onderhavige geval is het beroep wegens niet-nakoming het enige middel om te vernemen, hoe de Commissie in beginsel over deze punten denkt. Zo dit document al in aanmerking moet worden genomen, is het nog niet zeker dat het ten volle voor de stelling van de Italiaanse regering pleit. De tekst bevat namelijk niet alleen een commentaar op richtlijn 75/130, maar er wordt ook in gezegd, dat niettegenstaande de richtlijn "le misure di attuazione adottate dagli Stati membri non hanno dato luogo alla creazione di un libero mercato", en er wordt ook melding gemaakt van de belemmeringen die nog steeds uit de nationale rechtsstelsels voortvloeien. Met betrekking tot de situatie in Italië verwijst het document overigens naar de onderhavige procedure: "... soltanto l' Italia applica restrizioni quantitative per i trasportatori nazionali (dinanzi alla Corte)". Dit document brengt de vaststelling van de niet-nakoming dus niet opnieuw in geding.
12. Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1) vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door voor gecombineerd rail/wegvervoer tussen Lid-Staten een vergunningen- of contingenteringsstelsel te handhaven en door te weigeren aan particulieren die dergelijk vervoer wensen te verrichten, een vergunning te verlenen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 75/130/EEG van de Raad van 17 februari 1975 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd rail/wegvervoer van goederen tussen de Lid-Staten.
2) verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen die van interveniënt.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) PB 1975, L 48, blz. 31.
(2) Tot wijziging van richtlijn 75/130/EEG (PB 1979, L 5, blz. 33).
(3) GURI nr. 197 van 22.8.1985.
(4) GURI nr. 219 van 20.10.1986, blz. 18.
(5) GURI nr. 263 van 12.11.1986, blz. 8.
(6) Zaak 420/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2983.
(7) R.o. 6 en 7.
(8) Arrest van 28 maart 1985, zaak 2/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1985, blz. 1127, r.o. 16.
Top