Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 20 februari 1990. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN FRANSE REPUBLIEK. - VISSERIJ - BEHEER VAN QUOTA - VERPLICHTINGEN VAN DE LID-STATEN. - ZAAK C-62/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00925
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze krachtens artikel 169 EEG-Verdrag ingestelde procedure betoogt de Commissie, dat de Franse Republiek in 1985 heeft nagelaten de noodzakelijke maatregelen te nemen ter verzekering van de inachtneming van de quota voor bepaalde vissoorten .
2 . Verordening nr . 170/83 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 1 ) bepaalt, dat er elk jaar maximum toegestane vangsten ( TAC' s ) worden vastgesteld voor bestanden of groepen bestanden waarvoor een vangstbeperking noodzakelijk is, en dat het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte onder de Lid-Staten wordt verdeeld ( artikelen 3 en 4 ). Ingevolge artikel 5, lid 1, mogen de Lid-Staten quota voor een soort of een groep soorten welke hun zijn toegekend, geheel of gedeeltelijk uitwisselen . Artikel 5, lid 2, bepaalt, dat de Lid-Staten, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vaststellen voor het gebruik van de hun toegewezen quota .
3 . Bij verordening nr . 2057/82 stelde de Raad bepaalde maatregelen vast voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten ( PB 1982, L 220, blz . 1 ). Ingevolge artikel 1, leden 1 en 2, moeten de Lid-Staten de vissersvaartuigen inspecteren, ten einde de naleving van de instandhoudings - en controlemaatregelen te verzekeren, en tegen de kapiteins strafrechtelijke of administratieve stappen ondernemen, wanneer bij een inspectie blijkt, dat een vaartuig de geldende regelingen niet heeft nageleefd . De artikelen 6 tot en met 9 leggen de Lid-Staten en de kapiteins van de vissersvaartuigen een aantal verplichtingen op met betrekking tot de controle op de vangsten . Zo bepaalt artikel 6, lid 2, dat de Lid-Staten alle dienstige maatregelen moeten nemen om de juistheid na te gaan van de door de kapiteins voor ieder bestand of iedere groep bestanden waarvoor een TAC geldt afgelegde verklaringen betreffende de aangevoerde hoeveelheden en de vangstplaats . Ingevolge de artikelen 7 en 8 moet de kapitein van een vaartuig, die vangsten van een bestand of groepen bestanden waarvoor een TAC geldt, overlaadt, of dergelijke vangsten buiten de Gemeenschap aan land brengt, aan de Lid-Staat waarvan zijn vaartuig de vlag voert mededeling doen van de betrokken hoeveelheden en van de vangstplaats . Artikel 9 bepaalt, dat de Lid-Staten erop toezien dat elke aanlanding van bestanden of groepen bestanden waarvoor een TAC geldt, wordt geregistreerd ( lid 1 ), en dat zij de Commissie voor de vijftiende van elke maand mededeling doen van de in de voorafgaande maand aangelande hoeveelheden van dergelijke bestanden, met vermelding van de plaats van de vangsten ( lid 2 ).
4 . Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr . 2057/82 worden alle vangsten door vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of die in een Lid-Staat zijn geregistreerd, uit een bestand of groep bestanden waarvoor quota gelden, ongeacht de plaats van aanlanding, in mindering gebracht op het betrokken quotum . Artikel 10, lid 2, bepaalt :
"Iedere Lid-Staat stelt de datum vast waarop, ten gevolge van de vangsten uit een aan quota onderworpen bestand of groep bestanden, verricht door vissersvaartuigen die de vlag van die Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd, het voor deze Lid-Staat met betrekking tot dat bestand of die groep bestanden geldende quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt . Hij vaardigt met ingang van die datum een voorlopig verbod uit op het vangen van vis uit dat bestand of die groep bestanden ..."
De Lid-Staat moet het voorlopig verbod aan de Commissie meedelen, en overeenkomstig artikel 10, lid 3, stelt deze, na ontvangst van een mededeling of op eigen initiatief, op basis van de beschikbare gegevens de datum vast waarop het quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt . Op die datum moeten de vissersvaartuigen van de betrokken Lid-Staat het vissen op het betrokken bestand of de betrokken groep bestanden stopzetten .
5 . Verordening nr . 2241/87 van de Raad ( PB 1987, L 207, blz . 1 ), waarbij verordening nr . 2057/82 met ingang van 30 juli 1987 is ingetrokken en vervangen, bevat soortgelijke bepalingen als die welke ik hierboven heb vermeld .
6 . Verordening nr . 6/85 ( PB 1985, L 1, blz . 62 ) verdeelde voor 1985 de vangstquota onder de Lid-Staten voor vaartuigen die vissen in de wateren van de Faeroeer, dat wil zeggen de wateren die op visserijgebied onder de jurisdictie van de Faeroeer vallen, een autonoom grondgebied dat deel uitmaakt van het Koninkrijk Denemarken en waarop het EEG-Verdrag ingevolge artikel 227, lid 5, sub a, niet van toepassing is . Verordening nr . 6/85 werd vastgesteld overeenkomstig de tussen de Gemeenschap en de Faeroeer gesloten regelingen in het kader van de Overeenkomst betreffende de visserij tussen de Gemeenschap, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de plaatselijke Regering van de Faëroer, anderzijds, die als bijlage is gehecht aan verordening nr . 2211/80 van de Raad ( PB 1980, L 226, blz . 11 ).
7 . Artikel 1 van verordening nr . 6/85 bepaalde, dat de vangsten beperkt moesten blijven tot de in de bijlage vermelde quota, en ingevolge artikel 2 dienden de Lid-Staten en de kapiteins van vissersvaartuigen, voor zover het de visserij in de wateren van de Faeroeer betrof, zich te houden aan de artikelen 3 tot en met 9 van verordening nr . 2057/82 . In de bijlage bij verordening nr . 6/85 kreeg Frankrijk een quotum van 450 ton toegewezen voor roodbaars en een quotum van 160 ton voor platvis . De geldigheidsduur van de verordening, die aanvankelijk slechts van toepassing was tot en met 20 januari 1985, werd bij verordening nr . 97/85 van de Raad ( PB 1985, L 13, blz . 5 ) tot en met 31 december 1985 verlengd .
8 . Het Franse quotum voor roodbaars werd middels een in november 1985 afgeronde quotaruil opgetrokken tot 970 ton, maar in 1985 werd in de wateren van de Faeroeer door Franse vaartuigen een hoeveelheid van in totaal 984,7 ton gevangen . Zij vingen in totaal 708,4 ton platvis .
9 . Blijkens een door het Franse staatssecretariaat van het Zeewezen bij schrijven van 6 februari 1986 aan de Commissie gezonden tabel van aanlandingen, die als bijlage is gehecht aan het verzoekschrift, was het oorspronkelijke quotum voor roodbaars op 7 juli 1985 volledig gebruikt, terwijl het verhoogde quotum begin oktober van dat jaar reeds was uitgeput . Uit dezelfde tabel valt op te maken, dat het quotum voor platvis op 21 juni 1985 volledig was gebruikt .
10 . Op 8 november gaven de Franse autoriteiten hun vissers het advies, het vissen op roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer stop te zetten . Bij verordening nr . 3220/85, in werking getreden op 16 november 1985, stelde de Commissie, handelend op eigen initiatief overeenkomstig artikel 10, lid 3, van verordening nr . 2057/82, een verbod op het vangen van roodbaars door Franse vaartuigen ( PB 1985, L 303, blz . 43 ). Bij verordening nr . 3448/85, in werking getreden op 7 december 1985, gelastte zij, wederom op eigen initiatief, het vissen op platvis te staken ( PB 1985, L 328, blz . 20 ).
11 . In de onderhavige procedure verzoekt de Commissie om vaststelling dat de Franse Republiek, door de inachtneming van de haar voor 1985 toegekende quota voor roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer niet te verzekeren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 en de artikelen 1, leden 1 en 2, 6 tot en met 9 en 10, leden 1 en 2, van verordening nr . 2057/82, in samenhang met artikel 1 van verordening nr . 6/85 .
12 . De Commissie verwijt de Franse Republiek met name, dat zij heeft nagelaten voor de betrokken visvoorraden een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen zodra uitputting van de quota dreigde, zoals voorgeschreven in artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 .
13 . De Commissie voert hiertoe aan, dat artikel 10, lid 2, de Lid-Staten ertoe verplicht, op basis van de beschikbare vangstgegevens de datum vast te stellen waarop het quotum naar verwachting zal zijn uitgeput, en onverwijld passende maatregelen te nemen om het vissen met ingang van die datum te verbieden . Volgens de Commissie schoot het op 8 november 1985 gegeven advies wat dit betreft zonder meer tekort, aangezien het bijna vier maanden na uitputting van de quota werd gegeven en hoe dan ook niet bindend was .
14 . Alvorens in te gaan op het hiertegen door Frankrijk gevoerde verweer, wil ik erop wijzen dat artikel 10 niet wordt genoemd in artikel 2 van verordening nr . 6/85, terwijl in laatstgenoemde bepaling wél uitdrukkelijk wordt verwezen naar de artikelen 3 tot en met 9 van verordening nr . 2057/82 . In deze procedure is mijns inziens echter terecht aangenomen, dat artikel 10 van toepassing was ten aanzien van de krachtens verordening nr . 6/85 toegewezen quota . Wanneer de Commissie met derde landen overeenkomsten sluit betreffende de toegang tot en de instandhouding van visbestanden, waarin vissers van de Gemeenschap in wateren van derde landen vangstbeperkingen worden opgelegd, als gevolg waarvan er voor de Lid-Staten quota worden vastgesteld, moeten ook de relevante bepalingen ter verzekering van de inachtneming van die quota van toepassing worden geacht, al wordt er in de verordening tot verdeling van de quota niet met zoveel woorden naar verwezen . Bovendien heeft het Hof in zijn arrest van 14 november 1989 ( zaken 6/88, Spanje/Commissie, en 7/88, Frankrijk/Commissie ), waar het ging om wateren van derde landen, aanvaard, dat sommige overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen inzake de wederzijdse visserijrechten en het beheer van de gemeenschappelijke biologische rijkdommen, worden uitgevoerd volgens verordening nr . 170/83 en dus volgens verordening nr . 2241/87, de opvolger van verordening nr . 2057/82 ( zie r.o . 20 van het arrest ).
15 . Laat ik nu dan ingaan op het door Frankrijk gevoerde verweer tegen de beweerde schending van artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 . De Franse regering voert vier argumenten aan .
16 . Om te beginnen stelt zij, dat zij tijdig passende maatregelen heeft genomen om uitputting van de quota te voorkomen, met name door via een quotaruil een aanzienlijke verhoging van het quotum voor roodbaars te bewerkstelligen . Bovendien zou het door haar aan de vissers gegeven advies wel degelijk effect hebben gehad, aangezien er na 30 oktober - dus ruim vóór de vaststelling van de twee verordeningen van de Commissie - geen vangsten uit de betrokken bestanden meer aan land werden gebracht .
17 . In de tweede plaats stelt de Franse regering, dat de Commissie een te strikte uitlegging heeft gegeven aan de krachtens artikel 10, lid 2, op de Lid-Staten rustende verplichting om de dreigende uitputting van quota te voorzien, aangezien zij geen rekening heeft gehouden met de aanzienlijke praktische problemen die hierbij in casu kwamen kijken, met name doordat er in de in geding zijnde periode geen betrouwbare vangstgegevens beschikbaar waren . In 1985 was de communautaire regeling inzake de instandhouding van de visbestanden nog nieuw en onbeproefd; bovendien is verordening nr . 2807/83 van de Commissie ( PB 1983, L 276, blz . 1 ), die voorziet in gestandaardiseerde logboeken waarin de kapiteins van vaartuigen hun vangsten moeten registreren, pas op 1 april 1985 in werking getreden . Ook de schommelingen in de vangsten veroorzaakten problemen, met name wanneer het een klein quotum betrof, zoals dat van platvis . Zo zou het feit dat er in juni en juli 1985 plotseling grote hoeveelheden platvis aan land werden gebracht, terwijl de vangsten voor die tijd zeer onbeduidend waren geweest, het in de praktijk onmogelijk hebben gemaakt om de uitputting van het quotum te voorzien .
18 . De Franse regering betoogt in de derde plaats, dat het onduidelijk is, in welke mate de twee quota werden overschreden . Het zou zelfs nog niet eens zeker zijn, dat er ueberhaupt enige overschrijding heeft plaatsgevonden . Zij wijst in dit verband op het feit, dat de omrekeningscoëfficiënt die door de Lid-Staten wordt toegepast op de hoeveelheden aan land gebrachte schoongemaakte vis, ter berekening van de vangsthoeveelheden in levend gewicht van die vis, op gemeenschapsniveau niet is geharmoniseerd . De onzekerheidsmarge was dan misschien niet erg groot, volgens Frankrijk was zij toch ruim genoeg om de geringe overschrijding van het verhoogde quotum voor roodbaars te kunnen verklaren . Bovendien zou een aanzienlijk deel van de roodbaars en het merendeel van de platvis zijn opgevist in tussen het Verenigd Koninkrijk en de Faeroeer betwiste wateren; het zou dus nog maar de vraag zijn, of de betrokken vangsten ueberhaupt wel in de wateren van de Faeroeer werden verricht .
19 . Tot slot merkt de Franse regering op, dat het totale quotum waarover de Gemeenschap voor de betrokken bestanden in de wateren van de Faeroeer beschikte, in 1985 in elk geval niet volledig werd gebruikt .
20 . Die argumenten kunnen mijns inziens niet worden aanvaard . De bewoordingen van artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 en opzet en doel van de communautaire regeling laten er geen twijfel over bestaan, dat de Lid-Staten uitputting van het quotum moeten zien te voorkomen en dat zij een voorlopig vangstverbod moeten uitvaardigen vóór die uitputting een feit is . Dat uitputting van het quotum moet worden voorkomen, blijkt uit het in artikel 10, lid 2, neergelegde vereiste, dat iedere Lid-Staat de datum vaststelt waarop, ten gevolge van de door zijn vissersvaartuigen verrichte vangsten, "het quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt ..." ( eigen cursivering ). Het gebruik van het woord "verbod" in artikel 10, lid 2, en de dwingende bewoordingen van artikel 10, lid 3, tweede alinea (" vissersvaartuigen ... zetten het vissen ... stop ...), geven aan, dat de maatregelen die worden genomen om het vissen voorlopig stop te zetten, een bindend karakter moeten hebben . Uit de opzet van de regeling blijkt bovendien, dat de krachtens artikel 10, lid 2, op de Lid-Staten rustende verplichting van cruciaal belang is ter verzekering van de inachtneming van de quota : zij moet dan ook strikt worden uitgelegd . Een uitlegging van artikel 10, lid 2, op grond waarvan het de Lid-Staten zou zijn toegestaan, pas maatregelen te nemen nadat het quotum is uitgeput, of maatregelen te nemen die niet verbindend zijn, zou op gespannen voet staan met het bindende karakter van de quota . Bovendien zou daardoor het aan de quoteringsregeling ten grondslag liggende doel worden ondermijnd, te weten de instandhouding van schaarse visvoorraden .
21 . Het op 8 november 1985 aan de Franse vissersvloot gegeven advies kwam duidelijk te laat om overschrijding van de quota te voorkomen en het had hoe dan ook geen bindend karakter . Gelijk de Commissie stelt, kunnen de Lid-Staten niet-nakoming van de krachtens artikel 10, lid 2, op hen rustende verplichting bovendien niet rechtvaardigen met een beroep op het feit, dat er wellicht in de toekomst een uitwisseling van quota zal plaatsvinden . Het is immers mogelijk, dat er uiteindelijk van die quotaruil niets komt . Een Lid-Staat die, in afwachting van de uitkomst van onderhandelingen over een quotaruil, het uitvaardigen van een voorlopig vangstverbod uitstelt, loopt dan het gevaar, het betrokken quotum definitief te overschrijden, hetgeen weer onverenigbaar is met het bindende karakter van quota en de doelstellingen van het quotastelsel . Een en ander betekent, dat met het oog op de verhoging van een quotum met andere Lid-Staten gesloten overeenkomsten tot stand moeten worden gebracht vóór de uitputting van het oorspronkelijke quotum of ná uitvaardiging van het voorlopig vangstverbod .
22 . Frankrijk kan zijn verzuim evenmin rechtvaardigen met een beroep op het feit, dat het quotastelsel nog nieuw is of dat het gebreken vertoont . Verordening nr . 170/83 trad in werking op 27 januari 1983 - dus ruim voordat de in geding zijnde gebeurtenissen zich voordeden - en verordening nr . 2057/82, die in de relevante controlemaatregelen voorziet, op 1 augustus 1982 . Gelijk de Commissie stelt, hadden de in laatstgenoemde verordening - met name in de artikelen 6 tot en met 9 ervan - voorziene controlemaatregelen, zo zij naar behoren waren nageleefd en uitgevoerd, de Franse autoriteiten voldoende informatie moeten verschaffen om uitputting van de quota te voorzien en dienovereenkomstig te handelen . Logboeken spelen ongetwijfeld een belangrijke rol bij de registratie van de vangsten . Verordening nr . 2807/83 heeft echter enkel een standaardmodel voor het door de schippers van vaartuigen bij te houden logboek ingevoerd; de verplichting tot het bijhouden van een logboek, waarin de gevangen hoeveelheden per soort en de datum en de plaats van de vangsten worden vermeld, komt reeds voor in artikel 3 van verordening nr . 2057/82 . Bovendien is het, gelijk de gemachtigde van de Commissie ter terechtzitting heeft beklemtoond, weliswaar zo, dat de periode van negentig dagen die de kapiteins van schepen in verordening nr . 2807/83 werd gegeven om zich met het gestandaardiseerde logboek vertrouwd te maken, pas op 1 april 1985 afliep, maar uit de hierboven in punt 9 genoemde tabel van aanlandingen blijkt duidelijk, dat Franse vaartuigen eerst op 14 mei 1985 roodbaars of platvis aan land brachten .
23 . Wat hiervan ook zij, een Lid-Staat kan zich niet beroepen op praktische moeilijkheden om het niet nemen van passende controlemaatregelen te rechtvaardigen . Het is juist de zaak van de Lid-Staten, die zijn belast met de uitvoering van de gemeenschapsregelingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor visserijprodukten, om door passende maatregelen een oplossing voor die moeilijkheden te vinden ( arrest van 2 februari 1989, zaak 262/87, Nederland/Commissie, Jurispr . 1989, blz . 225, r.o . 15 ).
24 . Wat de opmerking betreft, dat de platvisvangsten van mei tot juli 1985 grote schommelingen zouden hebben vertoond, wil ik erop wijzen, dat uit de hierboven in punt 9 genoemde tabel van aanlandingen blijkt, dat de in juni en juli 1985 totaal aan land gebrachte hoeveelheid ( respectievelijk 280,5 en 264,7 ton ) weliswaar aanzienlijk veel groter was dan de in mei 1985 aangelande hoeveelheid ( 8,2 ton ), maar dat de in juni verrichte lossingen zowel qua frequentie als qua hoeveelheid geenszins uitzonderlijk waren . De Franse autoriteiten hadden de uitputting van het quotum dan ook al op of omstreeks 21 juni 1985 kunnen voorzien .
25 . Al worden de door de gemeenschapsregeling en de aanvullende nationale bepalingen voorgeschreven controle - en registratiemaatregelen volledig en effectief toegepast, dan nog is het niet ondenkbaar, dat een plotselinge opleving in de vangsten van een bepaald bestand het voor een Lid-Staat in de praktijk onmogelijk maakt, uitputting van een quotum te voorkomen . Dit neemt echter niet weg dat de betrokken Lid-Staat in een dergelijke situatie hoe dan ook onverwijld maatregelen moet nemen om, zodra de uitputting van het quotum aan het licht komt, alle verdere visserijactiviteiten te verbieden .
26 . Wat het argument betreft, dat de quota-overschrijdingen niet met zekerheid zijn komen vast te staan, wil ik opmerken, dat niet-nakoming van artikel 10, lid 2, mijns inziens niet kan worden gerechtvaardigd met een beroep op het enkele feit, dat de ongecooerdineerde toepassing van omrekeningscoëfficiënten een stuk onzekerheid meebrengt . In elk geval kan een dergelijke onzekerheidsmarge geen verklaring bieden voor de grootschalige overschrijding van het platvisquotum .
27 . Wat het beweerde jurisdictieconflict betreft, wil ik erop wijzen, dat in de preambule van de hierboven in punt 6 genoemde Overeenkomst betreffende de visserij tussen de Gemeenschap, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de Landregering van de Faeroeer, anderzijds, wordt gesteld, dat is besloten om met ingang van 1 januari 1977 rond de Faeroeer een visserijzone in te stellen die zich uitstrekt tot 200 zeemijl uit de kust en waarin de Faeroeer soevereine rechten inzake exploratie, exploitatie, instandhouding en beheer van de visvoorraden zullen uitoefenen . Volgens artikel 2, sub b, van de Overeenkomst bepalen de autoriteiten van de Faeroeer jaarlijks de vangstquota voor vissersvaartuigen van de Gemeenschap alsmede de gebieden waarin deze quota mogen worden gevangen . De lijst met vangstquota en visserijzones wordt gezonden naar de Commissie, die op basis van deze gegevens de quota over de Lid-Staten verdeeld . Niets in de Overeenkomst wijst erop, dat het Verenigd Koninkrijk en Denemarken een jurisdictieconflict hebben, en Frankrijk heeft geenszins kunnen aantonen, dat de door de autoriteiten van de Faeroeer meegedeelde visserijzones vóór de onderhavige procedure door enige Lid-Staat zijn betwist of in twijfel getrokken . Het is dan ook duidelijk, dat Frankrijk dit argument niet kan aanvoeren ter rechtvaardiging van de niet-inachtneming van de quota .
28 . Tot slot is de omstandigheid dat de aan de Gemeenschap toegewezen quota voor de betrokken visbestanden in de wateren van de Faeroeer in 1985 niet werden overschreden, volstrekt irrelevant, aangezien de Lid-Staten ingevolge de communautaire regeling eerst en vooral verplicht zijn, zich aan hun nationale quota te houden .
29 . Ik concludeer dan ook, dat de Commissie erin is geslaagd te bewijzen, dat de Franse Republiek de krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
30 . In haar verzoekschrift stelt de Commissie tevens, dat de quota-overschrijdingen ook konden voortvloeien uit een niet-nakoming van de in de artikelen 6 tot en met 9 van verordening nr . 2057/82 neergelegde verplichting tot controle en registratie van de vangsten, de bij artikel 1, leden 1 en 2, van die verordening voorgeschreven verplichting tot inspectie en bestraffing, of de in artikel 10, lid 1, van dezelfde verordening voorziene verplichting, alle door Franse vaartuigen verrichte vangsten op het quotum in mindering te brengen . Verder zouden de overschrijdingen ook nog het gevolg kunnen zijn van het feit, dat de Franse autoriteiten hadden nagelaten de noodzakelijke voorschriften vast te stellen voor het gebruik de quota, zoals voorgeschreven in artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 . Een en ander betekent, dat de Commissie het Hof in haar verzoekschrift tevens verzoekt om vast te stellen, dat Frankrijk deze bijkomende verplichtingen niet is nagekomen .
31 . Aan het slot van haar repliek blijkt de Commissie dit verzoek echter aanzienlijk te hebben ingeperkt . Zij spreekt daar alleen nog maar van schending van artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82, in samenhang met artikel 1 van verordening nr . 6/85 . Hieruit valt op te maken, dat de Commissie heeft besloten om af te zien van haar subsidiaire grieven, zodat het Hof deze niet in aanmerking behoeft te nemen .
32 . Mocht hef Hof niettemin van mening zijn, dat de Commissie de betrokken grieven niet heeft laten varen, dan ben ik van mening dat ze moeten worden afgewezen .
33 . De Commissie weidt in haar memories niet verder uit over de gestelde inbreuken . Evenmin heeft zij getracht aan te geven, welke maatregelen Frankrijk eventueel had kunnen nemen om de doeltreffendheid van de controle van en het toezicht op de vangsten te vergroten . Zij heeft daarentegen uitsluitend vastgesteld, dat de niet-naleving van de betrokken bepalingen valt op te maken uit het enkele feit, dat de quota zijn overschreden . Volgens vaste rechtspraak van het Hof, recentelijk bevestigd in het arrest van 5 oktober 1989 ( zaak 290/87, Commissie/Nederland ), kan de Commissie zich in een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag niet baseren op een of ander vermoeden om aan te tonen, dat een Lid-Staat zijn verplichtingen niet is nagekomen .
34 . Ongeacht het ten aanzien van de subsidiaire grieven ingenomen standpunt ben ik van mening dat de Commissie, aangezien zij op de meeste punten in het gelijk is gesteld, haar kosten vergoed moet krijgen .
35 . Ik geef het Hof dan ook in overweging :
1 ) Te verklaren dat de Franse Republiek, door in 1985 niet tijdig passende maatregelen te nemen om het vissen op roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer door onder de Franse vlag varende of in Frankrijk geregistreerde vaartuigen voorlopig te verbieden, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2057/82 van de Raad, in samenhang met artikel 1 van verordening nr . 6/85 van de Raad .
2 ) De Franse Republiek in de kosten te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Top