Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 29 maart 1990. - ALFONS BERKENHEIDE TEGEN HAUPTZOLLAMT MUENSTER. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT DUESSELDORF - DUITSLAND. - LANDBOUW - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-67/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02615
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Deze prejudiciële vraag gaat opnieuw over de uitlegging van de gemeenschapsregels betreffende de toewijzing van melkquota aan landbouwers wier melkproduktie is getroffen door bijzondere gebeurtenissen .
2 . Het Hof zal zich herinneren, dat de Raad in een poging de melkproduktie te beteugelen, bij verordening ( EEG ) nr . 856/84 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, bovenop de medeverantwoordelijkheidsheffing een extra heffing heeft ingevoerd op hoeveelheden melk of melkequivalent die boven een vast te stellen referentiehoeveelheid werden geleverd ( PB 1984, L 90, blz . 10 ). Voor de uitvoering van die regeling konden de Lid-Staten kiezen tussen twee formules . Volgens formule A is de heffing verschuldigd door de individuele melkproducent over de hoeveelheden melk die hij aan een koper levert en die, in het betrokken tijdvak van twaalf maanden, de hem toegekende referentiehoeveelheid overschrijden . Volgens formule B betaalt de koper de heffing over de hoeveelheden die hem door de producenten zijn geleverd en die, in het betrokken tijdvak van twaalf maanden, een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden . De som van de in een Lid-Staat toegekende individuele referentiehoeveelheden mag niet meer bedragen dan de voor die Lid-Staat op basis van de melkleveranties in het kalenderjaar 1981 vastgestelde gegarandeerde totale hoeveelheid, verhoogd met 1 %.
3 . De algemene regels voor de toepassing van het heffingstelsel en met name voor de bepaling van de referentiehoeveelheden zijn vastgesteld in verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad ( PB 1984, L 90, blz . 13 ). Wanneer formule A wordt toegepast, is de aan een producent toegewezen hoeveelheid ( d.w.z . de van de extra heffing vrijgestelde hoeveelheid ) in beginsel gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die door de producent tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd ( artikel 2, lid 1 ). De Lid-Staten kunnen evenwel in plaats hiervan bepalen, dat de referentiehoeveelheid gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die is geleverd gedurende de kalenderjaren 1982 of 1983, met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld dat de voor die Lid-Staat gegarandeerde totale hoeveelheid niet wordt overschreden ( artikel 2, lid 2, eerste zin ). Volgens de door de Commissie overeenkomstig de beheerscomitéprocedure te bepalen voorwaarden kan dit percentage variëren aan de hand van het niveau van de leveranties van bepaalde categorieën heffingplichtigen, de ontwikkeling van de leveranties in bepaalde gebieden tussen 1981 en 1983 of de ontwikkeling van de leveranties van bepaalde categorieën heffingplichtigen gedurende dezelfde periode ( artikel 2, lid 2, tweede zin ). De Lid-Staten kunnen bovendien de in artikel 2, leden 1 en 2, bedoelde percentages aanpassen met het oog op de toepassing van de artikelen 3 en 4 van de verordening ( artikel 2, lid 3 ).
4 . Artikel 3 betreft de toekenning van extra referentiehoeveelheden aan producenten in bijzondere situaties . Artikel 3, punt 3, geeft een voorziening voor onbillijke gevallen en bepaalt, dat "voor producenten wier melkproduktie over het overeenkomstig artikel 2 gekozen referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen die zich vóór of tijdens dat jaar hebben voorgedaan, ... op hun verzoek een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981 tot en met 1983 in aanmerking ( wordt ) genomen ". Tot de situaties die de keuze van een ander referentiejaar kunnen rechtvaardigen, wordt in artikel 3, punt 3, ook een epizooetie bij de gehele melkveestapel of een deel ervan gerekend .
5 . Verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie ( PB 1984, L 132, blz . 11 ) bevat de uitvoeringsvoorschriften voor de toepassing van de extra heffing . Artikel 2, lid 1, geeft aan, met welke factoren de Lid-Staten rekening moeten houden, wanneer zij overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 het percentage voor de vaststelling van de referentiehoeveelheden differentiëren . Artikel 3 bevat enkele aanvullingen op de lijst van bijzondere situaties die overeenkomstig artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 de toepassing van een ander referentiejaar rechtvaardigen .
6 . Bij de uitvoering van de extra-heffingregeling heeft de Bondsrepubliek Duitsland gekozen voor formule A, met 1983 als referentiejaar voor het vaststellen van de individuele referentiehoeveelheden . In de nationale uitvoeringswetgeving, de Milch-Garantiemengen-Verordnung van 25 mei 1984, wordt bepaald, dat de individuele referentiehoeveelheid gelijk moet zijn aan de in 1983 aan een koper geleverde hoeveelheid melk, verminderd met 4% ( artikel 4, lid 2, eerste zin ). Is de in 1983 geleverde hoeveelheid hoger dan in 1981, wordt de individuele referentiehoeveelheid nog eens verminderd met maximaal 5% volgens een formule die is gebaseerd op de produktietoename ( de stijgingsaftrek ) ( artikel 4, lid 2, tweede zin, zoals later gewijzigd bij een nationale verordening van 27 september 1984 ).
7 . Berkenheide, verzoeker in het hoofdgeding, is melkproducent . Volgens de verwijzingsbeschikking leverde hij de zuivelfabriek in 1980, 1981, 1982 en 1983 respectievelijk 114 306 kg, 105 970 kg, 102 472 kg en 121 721 kg melk . De hem toegewezen individuele referentiehoeveelheid was berekend op basis van zijn leveranties in 1983, verminderd met 4%, dus ongeveer 116 900 kg, en aangezien zijn leveranties in 1983 hoger waren dan in 1981, werd deze hoeveelheid met nog eens 4,9% verminderd . Dit resulteerde in een hoeveelheid van 110 900 kg melk .
8 . Berkenheide maakte tegen deze toewijzing bezwaar met het argument, dat de extra korting van 4,9% in zijn geval niet grechtvaardigd was en dat hij recht had op een hoeveelheid van 116 900 kg . Hij wees erop, dat in 1981 en 1982 op zijn bedrijf een besmettelijke uierziekte was uitgebroken en dat in een op 20 mei 1986 door de Landwirtschaftskammer Westfalen-Lippe afgegeven verklaring werd erkend, dat zijn melkproduktie in die jaren was beïnvloed door een buitengewone gebeurtenis in de zin van artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 . Wat betreft de toepassing van de extra korting zoals voorzien in de nationale wetgeving, zou volgens hem op grond van artikel 3, punt 3, niet bij zijn werkelijke produktie in 1981 moeten worden aangeknoopt, maar bij de hoeveelheid die hij zou hebben geproduceerd wanneer er geen besmettelijke uierziekte was uitgebroken . Indien dit theoretische cijfer was genomen, zou zijn produktie tussen 1981 en 1983 geen stijging te zien geven en zou er geen reden zijn om zijn individuele referentiehoeveelheid verder te korten .
9 . Van oordeel dat het geschil een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwierp, besloot het Finanzgericht Duesseldorf om het Hof de volgende vraag voor te leggen :
"Wordt artikel 3, punt 3, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 ( PB 1984, L 90, blz . 13 ) juncto artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 ( PB 1984, L 132, blz . 11 ) geschonden, wanneer artikel 4, lid 2, tweede zin, van de Milch-Garantiemengen-Verordnung van 25 mei 1984 ( BGBl . 1984 I, blz . 720 ) in de versie van de eerste wijzigingsverordening van 27 september 1984 ( BGBl . 1984 I, blz . 1255 ) bij de berekening van de stijgingsaftrek aldus wordt uitgelegd, dat wanneer de melkproduktie in het kalenderjaar 1981 door een buitengewone gebeurtenis ( epizooetie ) in de zin van voornoemde EG-bepalingen werd getroffen, niet wordt uitgegaan van de daadwerkelijk in het jaar 1981 geproduceerde hoeveelheid melk, maar van de te schatten hoeveelheid die de melkproducent zonder die gebeurtenis in het jaar 1981 zou hebben bereikt?"
10 . Zo geformuleerd, houdt de vraag in, of een bepaalde uitlegging van een nationale rechtsregel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht . In het kader van artikel 177 EEG-Verdrag is het Hof uiteraard niet bevoegd tot een uitspraak over een dergelijke vraag . De vraag van de verwijzende rechter kan echter zonder meer worden opgevat als een verzoek aan het Hof om te beslissen, of ingeval een Lid-Staat voor de vaststelling van de individuele referentiehoeveelheden 1983 als referentiejaar kiest in plaats van 1981 en in zijn nationale uitvoeringswetgeving voorziet in een extra korting van de referentiehoeveelheden van producenten wier melkproduktie in 1983 hoger was dan in 1981, artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 aldus moet worden verstaan, dat een producent van die Lid-Staat kan verlangen om bij de beslissing, of zijn quotum moet worden gekort, rekening te houden met het feit dat zijn melkproduktie in 1981 door een buitengewone gebeurtenis werd beïnvloed . Anders gezegd, kan een producent zich op artikel 3, punt 3, beroepen om aan de extra korting te ontkomen?
11 . Mijns inziens moet deze vraag duidelijk ontkennend worden beantwoord . Artikel 3, punt 3, staat de producent toe om binnen de periode 1981 tot en met 1983 een ander referentiejaar te kiezen, wanneer zijn melkproduktie in de loop van het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed . In deze zaak is het Berkenheide echter niet om een ander referentiejaar te doen en was zijn melkproduktie in elk geval niet in 1983 ( het door de Bondsrepubliek Duitsland gekozen referentiejaar ), maar in 1981 en 1982 beïnvloed door een buitengewone gebeurtenis ( namelijk het uitbreken van besmettelijke uierontsteking ).
12 . Dat artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 strikt moet worden uitgelegd, bevestigt 's Hofs jurisprudentie, met name het arrest in zaak 84/87 ( Erpelding, Jurispr . 1988, blz . 2647 ). In die zaak vorderde een producent wiens melkproduktie gedurende de periode 1981 tot en met 1983 door een buitengewone gebeurtenis ( evenals in deze zaak een besmettelijke uierziekte ) was beïnvloed, dat voor de vaststelling van zijn individuele referentiehoeveelheid rekening werd gehouden met de geleverde hoeveelheid in een jaar vóór 1981 dan wel met een theoretische hoeveelheid, die hij zou hebben geleverd wanneer de buitengewone gebeurtenis zich niet had voorgedaan . Het Hof verklaarde :
"Vastgesteld zij dat de in geding zijnde regeling blijkens haar opzet en doel een limitatieve opsomming geeft van de situaties waarin referentiehoeveelheden of individuele hoeveelheden kunnen worden toegekend, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die hoeveelheden" ( r.o . 18 ).
13 . Het blijkt dus, dat artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 Berkenheide niet kan helpen . Het Hof heeft de Duitse regering en de Commissie echter schriftelijk gevraagd, of de vraag van de verwijzende rechter niet beter kan worden behandeld in het licht van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 dan van artikel 3, punt 3, en beide hebben dit bevestigd . Ik herinner eraan, dat de Lid-Staten op grond van artikel 2, lid 2, kunnen bepalen, dat de referentiehoeveelheid gelijk is aan de gedurende 1982 of 1983 geleverde hoeveelheid melk, met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld, dat de som van de individuele referentiehoeveelheden de totaal gegarandeerde hoeveelheid niet overschrijdt . Zij mogen dit percentage variëren aan de hand van een aantal factoren, waaronder de ontwikkeling van de leveranties van bepaalde categorieën personen tussen 1981 en 1983 . Op grond van artikel 2, lid 2, heeft de Bondsrepubliek Duitsland in haar uitvoeringswetgeving voorzien in een korting van alle referentiehoeveelheden met 4% en in een extra korting tot 5% voor producenten wier melkproduktie tussen 1981 en 1983 was gestegen . Het gaat in deze zaak voornamelijk om deze extra korting .
14 . Wordt de vraag geherformuleerd in de bewoordingen van artikel 2, lid 2, kan het verzoek van de nationale rechter aldus worden gelezen, of artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 ( zoals aangevuld bij artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1371/84 van de Commissie ) in die zin moet worden uitgelegd, dat ingeval een Lid-Staat 1983 als referentiejaar kiest en gebruik maakt van de mogelijkheid in de tweede zin van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 om het ter vaststelling van de individuele referentiehoeveelheden aangewende percentage zodanig te variëren dat in zijn nationale uitvoeringswetgeving wordt voorzien in een extra aftrek voor de referentiehoeveelheden van producenten wier produktie in 1983 hoger was dan in 1981, een producent van die Lid-Staat kan verlangen om bij de beslissing, of zijn referentiehoeveelheid moet worden gekort, rekening te houden met het feit dat zijn melkproduktie in 1981 door een buitengewone gebeurtenis werd beïnvloed .
15 . Naar mijn mening moet deze alternatieve vraag eveneens ontkennend worden beantwoord . De tweede zin van artikel 2, lid 2, verschaft de Lid-Staat de mogelijkheid tot differentiatie van het percentage dat hij eerder had vastgesteld om te waarborgen, dat de totale gegarandeerde hoeveelheid niet wordt overschreden . Wanneer een Lid-Staat deze mogelijkheid evenwel benut, dan moet hij dit doen door aan te sluiten bij een of meer van de algemene, objectieve factoren die in artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 en in artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1371/84 zijn genoemd . Niets in de tekst van deze bepalingen wijst erop, dat een Lid-Staat bij de differentiatie van het percentage rekening mag houden met de situatie van individuele producenten .
16 . Een dergelijke uitlegging wordt mijns inziens ook uitgesloten door het systeem van de regeling in haar geheel . Zoals reeds gezegd, besliste het Hof in de eerdergenoemde zaak 84/87 ( Erpelding ), dat verordening nr . 857/84 nauwkeurige regels bevat voor de vaststelling van de referentiehoeveelheden : nu in artikel 2, lid 2, elk bewijs voor het tegendeel ontbreekt, moeten individuele probleemgevallen in de context van die bepaling buiten beschouwing blijven . Bovendien gaat artikel 3, punt 3, reeds over individuele probleemgevallen en nu de gemeenschapswetgever aan producenten wier produktie tijdens het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed, de mogelijkheid geeft om een ander referentiejaar binnen de periode 1981 tot en met 1983 te kiezen, heeft hij voldoende rekening gehouden met de bijzondere situatie van die producenten ( zaak 84/87, Erpelding, r.o . 28 ).
17 . Ten slotte, wanneer het de Lid-Staten zou worden toegestaan om in het kader van artikel 2, lid 2, rekening te houden met de individuele situatie van producenten als Berkenheide, dan zou naar mijn mening daarmee ook de rechtszekerheid en de doeltreffendheid van het heffingstelsel in gevaar kunnen komen . Ik meen daarom dat artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 juncto artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1371/84 Berkenheide niet kunnen dienen om zich te verzetten tegen de toepassing van de in de nationale wetgeving voorziene extra korting .
18 . Bijgevolg geef ik in overweging om de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt :
"Zowel artikel 3, punt 3, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad juncto artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie als artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 van de Raad juncto artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1371/84 van de Commissie moeten aldus worden uitgelegd, dat ingeval een Lid-Staat 1983 en niet 1981 als referentiejaar voor de vaststelling van de individuele referentiehoeveelheden heeft gekozen en in zijn nationale uitvoeringsregeling in een extra korting voorziet van de referentiehoeveelheden van producenten wier melkproduktie in 1983 hoger was dan in 1981, een producent niet van deze Lid-Staat kan verlangen, dat bij de toepassing van deze extra korting in zijn geval rekening wordt gehouden met het feit dat zijn melkproduktie in 1981 door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed ."
(*) Oorspronkelijke taal : Engels .
Top