Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 13 maart 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN IERLAND. - VISSERIJ - VERGUNNINGEN - RECHT VAN VESTIGING. - ZAAK C-93/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-04569
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De onderhavige conclusie betreft een door de Commissie tegen Ierland ingesteld beroep ter zake van de door die Lid-Staat gestelde voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning om op zee te vissen.
2. Bij Section 2 van de Fisheries (Amendment) Act 1983 is in de Fisheries (Consolidation) Act 1959 een Section 222 B ingevoegd, dat luidt als volgt:
"De minister verleent slechts een vergunning in de zin van onderhavige Section, wanneer het vissersvaartuig waarvoor de vergunning wordt verleend, volledig in eigendom toebehoort aan een Iers onderdaan of aan een overeenkomstig de wetgeving van de staat opgerichte rechtspersoon die aan die wetgeving onderworpen is en die zijn centrum van werkzaamheid (principal place of business) in de staat heeft."
3. Krachtens lid 2 van Section 222 B mag een in Ierland geregistreerd (of aan registratie onderworpen) vissersvaartuig zowel in de exclusieve visserijzone van Ierland als elders slechts voor de visserij op zee worden gebruikt, wanneer een dergelijke vergunning is afgegeven.
4. De Commissie is van mening, dat Ierland, door onderdanen van andere Lid-Staten te verplichten een vennootschap naar Iers recht op te richten om een vergunning te kunnen verkrijgen om vanaf een Iers vaartuig de zeevisserij te beoefenen, terwijl een Iers onderdaan die vergunning kan verkrijgen zonder een vennootschap op te richten, de krachtens artikel 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
5. Aanvankelijk verzette Ierland zich tegen wat het als een poging van de Commissie beschouwde om voor het Hof de strekking van haar grieven uit te breiden tot een kritiek op de Ierse wettelijke regeling inzake de registratie van vissersvaartuigen. In haar verzoekschrift heeft de Commissie ter zake evenwel enkel een standpunt ingenomen in reactie op de argumenten die Ierland in zijn antwoord op het met redenen omkleed advies heeft aangevoerd. In haar repliek heeft zij gepreciseerd, dat haar beroep inderdaad uitsluitend de vergunningsvoorwaarden betreft.
6. Niettemin moet mijns inziens kort worden ingegaan op het probleem van de wisselwerking tussen de registratievoorwaarden en de betrokken vergunningsvoorwaarden. Laatstbedoelde zijn immers identiek aan de voorwaarden voor inschrijving van een vissersvaartuig in het Ierse register. Ofschoon beide partijen het eens zijn over het precieze onderwerp van het geschil, lijkt de Ierse regering haar voordeel te willen doen met het feit dat het in beide gevallen om dezelfde voorwaarden gaat. Zij stelt immers, dat Section 222 B, lid 4, sub a, van de wet enkel dient te garanderen, dat een vaartuig Iers in de zin van de registratiewetgeving moet zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning. Zij concludeert:
"Het kan onmogelijk in strijd met het EEG-Verdrag zijn, indien de Ierse wettelijke regeling inzake de toekenning van vergunningen uitsluitend op Ierse vissersvaartuigen wordt toegepast."
Ook de Britse regering, die heeft geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van Ierland, baseert zich op die identiteit, waar zij betoogt dat de voorwaarden voor de toekenning van de vergunningen in casu geen belemmering van de vrijheid van vestiging opleveren.
7. Deze argumenten mogen mijns inziens het Hof niet ervan weerhouden, de vergunningsvoorwaarden aan artikel 52 EEG-Verdrag te toetsen en in voorkomend geval de onverenigbaarheid met die bepaling vast te stellen. Immers, beide regeringen en de Commissie zijn het erover eens, dat de betrokken voorwaarden alleen van toepassing zijn op in Ierland geregistreerde vaartuigen. Volgens de Ierse regering vloeit zulks voort uit Section 222 B, lid 1. Krachtens deze bepaling is Section 222 B van toepassing op in het Ierse register voor vissersvaartuigen ingeschreven vissersvaartuigen ("a fishing boat (...) which is entered in the fishing boat register"), alsmede op vaartuigen die in dat register moeten worden ingeschreven ("which is required (...) to be so entered"). Gelijk de Ierse regering zelf in haar antwoord op het met redenen omkleed advies heeft gesteld, moet Section 222 B worden gelezen in samenhang met Section 8 van de wet van 1983, die voor elke nieuwe inschrijving in het Ierse register voor vissersvaartuigen het bezit van een door de minister krachtens Section 222 B afgegeven vergunning vereist. Ook al zijn dus de registratievoorwaarden dezelfde als de vergunningsvoorwaarden, dat neemt niet weg, dat het van laatstbedoelde afhangt, of een vissersvaartuig voor de zeevisserij mag worden gebruikt.
8. De Ierse regering betoogt, dat de vergunningsvoorwaarde niet in strijd is met artikel 52 EEG-Verdrag, omdat zij alleen van toepassing is op in Ierland geregistreerde (of aan registratie onderworpen) vaartuigen en voorts omdat niets de eigenaars van in andere Lid-Staten geregistreerde vaartuigen belet, zich in Ierland te vestigen en hun vaartuigen vanuit Ierse havens en in de Ierse wateren te exploiteren.
9. Dit argument faalt. In casu gaat het immers om een verschil in behandeling van onderdanen van de Lid-Staten, niet van in de verschillende Lid-Staten geregistreerde vaartuigen: niet de vrijheid van vestiging van vaartuigen, maar die van personen is in geding. Zoals de Ierse regering terecht heeft opgemerkt,
"kan de Commissie geen bezwaar hebben, en heeft zij de facto ook geen bezwaar tegen het feit, dat de vergunningregeling alleen op Ierse vaartuigen van toepassing is".
Een aan dit feit ontleend argument is dus irrelevant. Overigens verwijt de Commissie Ierland, dat het inbreuk maakt op het bij artikel 52 EEG-Verdrag uitdrukkelijk aan de onderdanen van andere Lid-Staten toegekende recht van toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan
"overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld".
Anders dan Ierse onderdanen moeten onderdanen van andere Lid-Staten namelijk een vennootschap naar Iers recht oprichten die haar centrum van werkzaamheid (principal place of business) in Ierland heeft, om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning op grond waarvan zij hun vissersvaartuigen onder Ierse vlag kunnen exploiteren. Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de Ierse wetgeving, ofschoon niet van toepassing op in andere Lid-Staten geregistreerde vaartuigen, wel van toepassing is op de onderdanen van die Lid-Staten, daar zij dezen belet in Ierland hun activiteiten onder dezelfde voorwaarden als Ierse onderdanen uit te oefenen. (Het is overigens twijfelachtig, of de visserij op zee door een onderdaan van een andere Lid-Staat dan Ierland, vanuit Ierse havens en in de Ierse wateren, en met een niet in Ierland geregistreerd vaartuig, wel onder de vrijheid van vestiging valt.)
10. Voorts betoogt de Ierse regering, dat de bestreden bepaling gerechtvaardigd is uit hoofde van het communautaire quotastelsel, daar zij ten doel heeft, de Ierse quota te beschermen tegen de tegen de doeleinden van dat stelsel indruisende "quota hopping".
11. Op dit punt kan worden volstaan met de opmerking, dat overwegingen verband houdend met de doeleinden van het quotastelsel niet als rechtvaardiging kunnen dienen voor een algemene maatregel die voor alle visserijactiviteiten op zee geldt, ongeacht of deze betrekking hebben op vissoorten waarvoor quota gelden, of niet.
12. In dupliek verwijst de Ierse regering voorts naar het arrest van 14 december 1989 (zaak C-216/87, Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4509), waarin het Hof aanvaardde, dat het met het stelsel van nationale quota nagestreefde doel inderdaad kan rechtvaardigen, dat aan de vergunningen voorwaarden worden verbonden die een daadwerkelijke economische band tussen het vaartuig en de vlaggestaat beogen te verzekeren. Het Hof preciseerde evenwel, dat die voorwaarden bedoeld moeten zijn om de quota aan de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën ten goede te laten komen, en dat vorenbedoelde band slechts de relatie tussen de visserijactiviteiten van het vaartuig en die bevolkingsgroepen en industrieën mag betreffen (zie r.o. 25 tot en met 27 van het arrest Jaderow). Door de voorwaarde dat onderdanen van andere Lid-Staten een vennootschap naar Iers recht moeten oprichten om in aanmerking te kunnen komen voor een visvergunning, wordt echter niet gegarandeerd dat de Ierse quota ten goede komen aan de plaatselijke, van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en aanverwante industrieën; deze voorwaarde betreft evenmin de relatie tussen de visserijactiviteiten van de vaartuigen en vorenbedoelde bevolkingsgroepen en industrieën.
13. Met betrekking tot het argument van de Ierse regering, dat de betrokken voorwaarde gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 56, lid 1, EEG-Verdrag, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof
"(dit artikel) als uitzondering op een fundamenteel beginsel van het Verdrag (...) aldus (moet) worden uitgelegd, dat de werking ervan beperkt is tot hetgeen noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen die het beoogt te waarborgen". (1)
14. Zo de correcte toepassing van het communautaire quotastelsel, die Ierland zegt te willen waarborgen, al onder het begrip openbare orde in de zin van deze verdragsbepaling kan vallen, moet toch worden vastgesteld dat uit het voorgaande voortvloeit, dat de betrokken voorwaarde niet evenredig is aan die doelstelling.
15. Ten slotte betoogt de Ierse regering, dat het structuurbeleid van de Gemeenschap in de visserijsector zou worden ondermijnd, indien de vissersvaartuigen van een Lid-Staat vrijelijk zouden kunnen overgaan naar de vissersvloot van een andere Lid-Staat. Op dit punt ben ik het eens met de Commissie, die stelt, dat de Lid-Staten weliswaar de vangstcapaciteit van hun vissersvloot mogen verminderen, doch dat zij zulks behoren te doen volgens criteria die geen discriminatie op grond van de nationaliteit van de eigenaars van de betrokken vissersvaartuigen inhouden.
16. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, het beroep van de Commissie toe te wijzen en vast te stellen dat Ierland, door te verlangen dat onderdanen van andere Lid-Staten een vennootschap naar Iers recht oprichten om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning om vanaf een Iers vaartuig de zeevisserij te beoefenen, de krachtens artikel 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Bijgevolg dient Ierland te worden verwezen in de kosten, met uitzondering van de kosten van het Verenigd Koninkrijk, dat aan de zijde van Ierland heeft geïntervenieerd en zijn eigen kosten dient te dragen.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) Zie het arrest van 26 april 1988 (zaak 352/85, Bond van Adverteerders, Jurispr. 1988, blz. 2085, r.o. 36).
Top