Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 18 april 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN HELLEENSE REPUBLIEK. - GRAANMARKT - ARTIKEL 34 VAN HET EEG-VERDRAG - VERORDENING (EEG) NR. 2727/75. - ZAAK C-110/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02659
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Feiten
1. In het onderhavig beroep wegens niet-nakoming stelt de Commissie, dat de Helleense Republiek in de laatste vier maanden (september tot en met december) van 1985 de maïsuitvoer door particuliere marktdeelnemers naar andere Lid-Staten van de Gemeenschap heeft belemmerd en hierdoor inbreuk heeft gemaakt op (1) artikel 34 EEG-Verdrag en de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen. (2)
2. Partijen zijn het met name niet eens over de vraag of verweerster een nationale, op uitvoer toepasselijke, administratieve regeling heeft gebruikt op een wijze als in de grief van de Commissie wordt gesteld. Uit de besluiten nrs. E4/10110 en B3.1871 van de Griekse minister van Handel van 4 respectievelijk 12 december 1980 blijkt dat iedere exporteur ten behoeve van de deviezencontrole een "aangifte-factuur ten uitvoer" moet invullen en door een handelsbank laten viseren waardoor de regelmatigheid van de vermelde prijs wordt bevestigd. Voor enkele afzonderlijk genoemde goederen is in plaats daarvan een visum van de Bank van Griekenland vereist, maar niet bij uitvoer van maïs. Op grond van een telexbericht van de Bank van Griekenland van 2 september 1985 aan de handelsbanken was daarvoor evenwel "een voorafgaand visum van de dienst voor de uitvoercontrole" van de Bank van Griekenland vereist. Vaststaat dat de Griekse douane-autoriteiten in de betrokken periode de uitvoer van maïs alleen toestonden, wanneer de procedure volgens voornoemd telexbericht werd gevolgd.
3. Volgens de Commissie is de uitvoer in het kader van de op grond daarvan door de Bank van Griekenland toe te passen procedure belemmerd, daar deze Bank in het geval van particuliere marktdeelnemers de afgifte van het visum heeft geweigerd of daarmee overdreven heeft getalmd, terwijl dat niet het geval was bij aanvragen van het Kydep (Centraal beheersbureau voor nationale produkten); daarbij had het Kydep, wiens functie uit andere zaken voor het Hof bekend is (3), een speciaal belang bij dit verschil in behandeling.
4. De Commissie concludeert dat het den Hove behage:
- vast te stellen dat de Helleense Republiek, door in het najaar van 1985 (september tot en met december 1985) de maïsuitvoer door particuliere marktdeelnemers te beperken en te verbieden, terwijl in dezelfde periode de maïsuitvoer door het Kydep (Centraal beheersbureau voor nationale produkten) was toegestaan, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het gemeenschapsrecht en in het bijzonder krachtens verordening (EEG) nr. 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen - waarvan artikel 34 EEG-Verdrag materieel deel uitmaakt -, en de daarop betrekking hebbende uitvoeringsverordeningen;
- de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten van de procedure.
5. Ter terechtzitting heeft de Commissie nog naar haar betoog in het verzoekschrift verwezen, waarin zij bezwaar had gemaakt tegen het feit dat Griekenland tijdens de precontentieuze procedure niet voldoende had meegewerkt om de feiten op te helderen. Wegens deze houding, die verweerster evenmin tijdens de procedure voor het Hof heeft laten varen, verzoekt de Commissie het Hof thans aanvullend vast te stellen dat inbreuk op artikel 5 EEG-Verdrag is gemaakt.
6. De Helleense Republiek, volgens welke het verzoek van de Commissie op laatstgenoemd punt te laat is gedaan, concludeert: het beroep te verwerpen en de Commissie in de kosten te verwijzen.
7. Bij de navolgende juridische beoordeling zal ik, voor zover nodig, terugkomen op verdere bijzonderheden van het juridisch kader, de argumenten en bewijsmiddelen alsmede het procesverloop. Voor de rest verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
B - Juridische beoordeling
8. I. Alvorens mijn mening te geven over de gegrondheid van het beroep van de Commissie, hetgeen het punt is waar het geschil eigenlijk om draait, wilde ik twee inleidende opmerkingen maken.
9. 1. Wat om te beginnen de inhoud en de omvang van de conclusie betreft, waarover hier moet worden beslist, sluit ik mij aan bij het standpunt van Griekenland, dat de ter terechtzitting ingediende conclusie, die op artikel 5 EEG-Verdrag betrekking heeft, niet meer in aanmerking kan worden genomen, aangezien deze in strijd is met artikel 38 van het Reglement voor de procesvoering. Volgens dit artikel moet het verzoekschrift zowel het onderwerp van het geschil als de conclusies van de verzoeker bevatten. In casu heeft de Commissie in haar verzoekschrift weliswaar de precontentieuze houding van verweerster vanuit het oogpunt van artikel 5 gelaakt, maar zij heeft nergens te verstaan gegeven, dat zij wenst dat zulks ook door het Hof wordt vastgesteld. Het beroep moet derhalve alleen worden onderzocht aan de hand van de in het inleidend verzoekschrift vervatte conclusies, die dienaangaande het onderwerp van het geschil vastleggen (4).
10. 2. Wat de ontvankelijkheid van het beroep met de aldus omschreven inhoud betreft, kan alleen twijfel rijzen als gevolg van het feit dat de vermeende inbreuk ten tijde van de schriftelijke ingebrekestelling (11 november 1986) alleen al volgens de inhoud van de conclusies van het verzoekschrift reeds was beëindigd en dat men zich derhalve op het standpunt kan stellen dat niet aan de voorwaarden van artikel 169, tweede alinea, EEG-Verdrag is voldaan. Dienaangaande behoeft er alleen op te worden gewezen dat verweerster de haar verweten inbreuk (vanaf de aanvang van de precontentieuze procedure en ook voor het Hof tot de afsluiting van de mondelinge behandeling) ten stelligste heeft ontkend. Volgens het arrest in zaak 199/85 (5) moet het door artikel 169 EEG-Verdrag ingevoerde systeem onder meer voorkomen, dat ter zake van de handelwijze van een Lid-Staat beroep bij het Hof wordt ingesteld wanneer die staat, nadat de Commissie een inbreukprocedure tegen hem heeft ingeleid, de hem verweten inbreuk erkent en deze binnen de door de Commissie gestelde termijn beëindigt. In casu wordt in ieder geval, zoals ik reeds heb betoogd, niet voldaan aan de eerste van die beide voorwaarden. In het licht van deze interpretatie van artikel 169 EEG-Verdrag is het beroep derhalve ontvankelijk. (6)
11. II. Wat de gegrondheid van het beroep betreft, behoeft slechts kort op het juridisch kader te worden ingegaan - waarover geen geschil bestaat - en vervolgens op de vraag, of de Commissie heeft bewezen dat haar grief gerechtvaardigd was.
12. 1. Met betrekking tot het juridisch kader, waarbinnen de grieven van de Commissie zich bewegen, moet allereerst worden vastgesteld dat de belemmering van de uitvoer van goederen, als hier aan de orde is, een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 34 is, aangezien deze de intracommunautaire handel rechtstreeks en daadwerkelijk kan belemmeren (7) en zij daarnaast een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer ten gunste van de nationale markt tot gevolg hebben. (8)
13. De Griekse regering heeft zich noch uit hoofde van artikel 36, noch uit hoofde van andere in het gemeenschapsrecht erkende dwingende redenen beroepen op uitzonderingen op dit systeem van vrije uitvoer, dat volgens artikel 21 van verordening nr. 2727/75 ook geldt voor goederen die vallen onder de gemeenschappelijke marktordening in de sector granen; zij heeft enkel de door de Commissie gestelde feiten betwist.
14. Aangenomen dat het betoog van de Commissie juist is, dan is er evenwel niet alleen inbreuk gemaakt op artikel 34, maar ook op verordening nr. 2727/75. Het Hof heeft intussen namelijk meermaals beslist dat, zodra de Gemeenschap krachtens artikel 40 EEG-Verdrag een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken. (9) Volgens deze rechtspraak moet ervan worden uitgegeaan, dat de gemeenschappelijke marktordeningen gebaseerd zijn op het beginsel van een open markt waartoe elke producent vrije toegang heeft en waarvan de werking uitsluitend door de in deze ordening voorziene instrumenten mag worden geregeld. (10) Aangezien met de hier bestreden uitvoerbeperking de werking van de markt eenzijdig en op een andere wijze wordt beïnvloed dan geregeld is in verordening nr. 2727/75, ziet de Commissie in de aan verweerster ten laste gelegde handelwijze terecht niet alleen een inbreuk op artikel 34 EEG-Verdrag, maar ook op die verordening. (11)
15. Voor zover de Commissie van mening is, en dit ook in de conclusie in haar verzoekschrift kenbaar maakt, dat de bestreden belemmeringen niet voor het Kydep golden, bestaat er geen bezwaar tegen deze beperking van het voorwerp van het beroep. Anderzijds acht ik het niet nodig de juistheid van deze verklaringen te onderzoeken, omdat een dergelijke behandeling van het Kydep toch strookt met de verdragsbepalingen en de gemeenschappelijke marktordening, zonder dat dit iets wijzigt aan de inbreuk die met betrekking tot de uitvoer van particuliere marktdeelnemers wordt gesteld. (12)
16. 2. Ik kom nu tot de vraag of de Commissie, op wie dienaangaande de bewijslast rust (13), de gestelde en door Griekenland betwiste niet-nakoming heeft bewezen.
17. a) Ter zake wilde ik beginnen bij de brieven van 12 december 1985 en 14 januari 1986 van Cargill aan de Bank van Griekenland, die de Commissie na een interlocutoire beschikking van het Hof alsnog mocht overleggen. Uit die brieven blijkt, dat die onderneming op 22 november 1985 een "uitvoervergunning" (14) heeft aangevraagd die tot op de dag van laatstgenoemde brief (14 januari 1986) nog niet was afgegeven. Volgens het onbetwiste betoog van de Commissie betekent zo een lange termijn, gelet op de gebruiken in de graanhandel, niet alleen een vertraging, maar staat zij gelijk aan een absolute belemmering van de uitvoer.
18. De Griekse regering heeft de inhoud van die brieven noch in haar opmerkingen ter zake, noch op een desbetreffende vraag van het Hof bestreden. Zij heeft enkel opgemerkt, dat dit een eenzijdige voorstelling van zaken van de betrokken onderneming is. Ter terechtzitting heeft zij er nog aan toegevoegd, dat het opvallend was dat Cargill zich niet tot de Griekse rechterlijke instanties heeft gewend om haar recht te halen. Dit betoog is mijns inziens niet toereikend om mijn overtuiging te ontkrachten die is gebaseerd op de inhoud van de later overgelegde brieven. Wat dit aangaat, is het van doorslaggevend belang dat het gaat om voorvallen die zich met deelneming van de Griekse autoriteiten hebben voorgedaan, zodat de inhoud van de overgelegde brieven alleen als weerlegd kan worden beschouwd, wanneer verweerster zich gesubstantieerd over de litigieuze bijzonderheden uitspreekt en eventueel met overlegging van de desbetreffende documenten een andere versie van de feiten geeft. (15)
19. Uit een en ander volgt dat de grief van de Commissie gegrond is, voor zover het het geval Cargill betreft, terwijl ook de duur van de vermeende inbreuk in ieder geval daardoor wordt bevestigd.
20. b) Bovendien rechtvaardigt de ons ter beschikking staande informatie mijns inziens ook de conclusie dat het bij het zojuist genoemde voorval niet om een geïsoleerd geval gaat, maar om een voorbeeld dat kenmerkend is voor de heersende praktijk in Griekenland in de betrokken periode.
21. Wat de belangen betreft die volgens de Commissie Griekenland tot de gewraakte handelwijze hebben gebracht, moet naar de notulen van de 36ste algemene vergadering van het Kydep worden verwezen, die reeds uit de zaken C-35/88 (16) en C-32/89 (17) bekend zijn en waarvan de inhoud, zoals uit het door de Commissie overgelegde document blijkt, niet werd betwist. Uit die notulen is op te maken dat het Kydep onafhankelijk van de door hem bijeengebrachte hoeveelheden verplicht was de voor de binnenlandse vraag noodzakelijke hoeveelheden maïs beschikbaar te stellen, maar tevens dat de commerciële graanhandel de producenten in die periode (vanaf september) hogere prijzen dan het Kydep kon aanbieden, aangezien die handel alle opgekochte hoeveelheden tegen nog hogere prijzen uitvoerde. In de zaken C-35/88 en C-32/89 heeft het Hof vastgesteld, dat de Griekse staat de verliezen van het Kydep als gevolg van zijn interventie in de graanmarkt sinds januari 1981 compenseert; de Griekse autoriteiten stelden eveneens de aan- en verkoopprijzen van het Kydep vast. (18) Vooral wanneer men de verkoopprijs met het oog op de Griekse veefokkers niet wilde verhogen, had men er in die situatie belang bij, de met de uitvoertransacties van de particuliere handelsondernemingen samenhangende vraag naar hogere prijzen aan banden te leggen. Anders had óf de aankoopprijs moeten worden verhoogd, zodat bij een ongewijzigde verkoopprijs de behoefte van het Kydep aan compenserende betalingen door de staat zou zijn gestegen, óf - bij een ongewijzigde aankoopprijs - aan de nakoming van de bevoorradingsopdracht van het Kydep moeten worden getwijfeld. Bij een verhoging van aan- en verkoopprijs ten slotte zou het doel van de interventies tegen van overheidswege vastgestelde prijzen, namelijk de Griekse veefokkers te steunen (19), op zijn beurt gevaar hebben gelopen.
22. Gezien deze situatie is het mijns inziens niet van belang of, zoals de Commissie kennelijk van mening is, het Kydep er belang bij heeft zelf exporttransacties uit te voeren in plaats van het door particuliere marktdeelnemers te laten doen (bij voorbeeld om zelf de voordelen als gevolg van prijsverschillen tussen Griekse en ingevoerde maïs te genieten). Evenmin is het van belang of de zojuist beschreven situatie zich gedurende de betrokken periode ten gevolge van een devaluatie van de drachme op 19 oktober 1985 - uit die datum wil Griekenland kennelijk afleiden dat voordien geen bijzondere belangstelling voor de belemmering van de uitvoer bestond - heeft verergerd.
23. De procedure voor afgifte van het visum door de dienst voor uitvoercontrole van de Bank van Griekenland, die volgens de Commissie werd gebruikt om de uitvoer van maïs in de betrokken periode te belemmeren, kan niet bevredigend worden verklaard vanuit het oogpunt van deviezencontrole noch vanuit andere aspecten die de Griekse regering in het onderhavige geding als rechtvaardiging heeft aangevoerd.
24. Om te beginnen werd de deviezencontrole reeds verzekerd door de procedure waarbij de betrokken handelsbank met een visum bevestigde dat de transactie in overeenstemming met de wettelijke bepalingen op het gebied van deviezen was. Dit strookt met het feit, waarop de Commissie terecht wijst, dat bij de Bank van Griekenland in het kader van deze procedure niet een dienst voor deviezenkwesties maar de dienst uitvoercontrole van die bank bevoegd was.
25. Verweerster heeft als motief voor deze procedure daarom ook geen redenen in verband met de deviezencontrole aangevoerd, maar zij heeft verklaard dat daardoor de doorlopende statistische registratie en de controle van de goederenstromen diende te worden verbeterd. Deze redenen ontkrachten de grief van de Commissie echter niet. Wat de statistische registratie betreft, deze wordt al door een simpele uitvoerverklaring gewaarborgd, zonder dat daarvoor een visum nodig was waarvan de afgifte een voorwaarde voor de uitvoer was. Het op de controle van de goederenstromen gebaseerde argument kan op twee manieren worden uitgelegd. Het gaat óf om statistische vereisten, in dat geval gelden bovenstaande overwegingen ook hiervoor, óf het betekent dat met die regeling de mogelijkheid moet worden geschapen de uitvoer zo nodig te belemmeren, in welk geval het de grief van de Commissie alleen maar zou bevestigen.
26. Voor het feit dat de grief van de Commissie in het algemeen terecht is, pleit voorts dat in de aanvankelijk door haar aangehaalde en naderhand overgelegde artikelen uit de kranten Ta Nea (7 november 1985) en To Kerdos (8 november 1985) wordt gesproken van een in het openbaar afgelegde verklaring van de minister van Handel, dat de exporten met ingang van 2 september 1985 verboden waren. Blijkens het artikel uit de krant Ta Nea zou de Bank van Griekenland met de toepassing van het verbod worden belast. Verweerster heeft weliswaar verklaard, dat de minister van Handel geen uitvoerverbod heeft afgekondigd, maar heeft niet proberen uit te leggen, hoe deze - in wezen gelijkluidende - uitlatingen in de pers konden komen. (20) Verweerster heeft zich integendeel tot twee opmerkingen beperkt. Enerzijds heeft zij de geloofwaardigheid van uitlatingen in de pers in het algemeen in twijfel getrokken; anderzijds wordt - tegen de verklaring van de Commissie dat druk op de minister van Landbouw is uitgeoefend om een dergelijk uitvoerverbod af te kondigen - ingebracht dat de minister van Landbouw niet bevoegd is zo een beslissing te nemen, respectievelijk dat de verklaring van de Commissie niet bewijst dat de minister van Handel de gewraakte maatregel heeft genomen.
27. De Helleense Republiek heeft tijdens de precontentieuze procedure en voor het Hof een serie gegevens en documenten overgelegd om de bezwaarpunten van de Commissie in hun geheel te ontkrachten, te weten:
- een overzicht van de in 1986 ingediende aanvragen voor afgifte van een visum;
- gegevens inzake het totaalgewicht van de in de betrokken periode door particuliere handelsondernemingen en het Kydep uitgevoerde hoeveelheden maïs (ongeveer 69 000 ton);
- gegevens inzake de in het gehele jaar 1985 door particuliere handelsondernemingen respectievelijk het Kydep uitgevoerde hoeveelheden;
- gegevens inzake de in respectievelijk 1984 en 1985 in Griekenland geproduceerde hoeveelheden;
- documenten betreffende drie partijen die het Kydep in de litigieuze periode op grond van vóór die periode afgegeven visa heeft uitgevoerd;
- (in het kader van de dupliek en in antwoord op een vraag van het Hof) een overzicht (21) inzake de uitvoer in de litigieuze periode door particuliere handelsondernemingen zonder vermelding van de data waarop de visa in die gevallen zijn aangevraagd respectievelijk afgegeven.
28. Ten aanzien van het laatste punt is een aanvullende opmerking op zijn plaats. Het door de Griekse regering ingediende overzicht geeft de uitvoer van drie partijen te zien waarvan twee door Cargill van elk 5 500 ton (14 oktober 1985) en nog een partij door Kadinopoulos van 20 000 ton (27 september 1985). Ten aanzien van Cargill beschik ik over geen enkele aanwijzing, dat beide voornoemde exporten zijn gebaseerd op visa die in de litigieuze periode werden afgegeven. Integendeel, de door de Commissie in antwoord op vragen van het Hof overgelegde documenten - afschriften van een brief van Cargill van 23 april 1990 aan de Commissie en van de betrokken aangifte-facturen ten uitvoer - pleiten eerder ervoor dat de visa elk op 16 augustus 1985 werden afgegeven. Met betrekking tot Kadinopoulos had de Commissie in haar schriftelijke ingebrekestelling en - voor het Hof - door overlegging van kranteknipsels erop gewezen, dat die onderneming op 27 september 1985 "per abuis" door middel van een bijkantoor van de Bank van Griekenland een visum voor een bepaalde maïsuitvoer had gekregen, maar dat die onderneming door de Griekse autoriteiten is aangemaand, hiervan geen gebruik te maken en dit ook niet heeft gedaan. Dit zou hoogstens als een verzachtende omstandigheid voor verweerster kunnen worden beschouwd, als zij had duidelijk gemaakt, dat de door haar vermelde uitvoer van 27 september 1985 op grond van dit - op dezelfde dag afgegeven - visum had plaatsgevonden. Verweerster deelde echter zelf in antwoord op een uitdrukkelijke vraag van het Hof alleen mee, dat zij niet wist of het telkens om hetzelfde geval ging. Ook verder wijst niets in het dossier erop dat het in beide gevallen om een en dezelfde uitvoer gaat, afgezien van een (te late) aanwijzing van de Griekse regering ter terechtzitting, die echter eventueel ervoor pleit, dat voornoemd visum van 27 september 1985 eveneens betrekking had op een hoeveelheid van 20 000 ton en bijgevolg evenmin een duidelijke identificatie mogelijk maakt.
29. Geen der voormelde gegevens en documenten kan bijgevolg de overtuigingskracht van de door de Commissie aangevoerde aanwijzingen afzwakken. Dit weegt des te zwaarder, daar het Hof verweerster na afloop van de schriftelijke procedure uitdrukkelijk heeft verzocht, een overzicht van alle aanvragen voor afgifte van een visum in de betrokken periode, alsmede gegevens over de behandeling van die aanvragen over te leggen en wel uitgesplitst naar economische marktdeelnemers, data van aanvrage en beslissing omtrent die aanvragen, hoeveelheden en plaatsen van bestemming; de Griekse regering heeft daaraan echter geen gevolg gegeven en daardoor niet alleen een gebrek aan samenwerking met de gemeenschapsorganen getoond, maar evenmin gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid zich effectief te verdedigen.
C - Conclusie
30. Op grond van al deze overwegingen geef ik het Hof in overweging,
1) vast te stellen dat de Helleense Republiek, door in het najaar van 1985 (september tot en met december) de maïsuitvoer door particulieren naar andere Lid-Staten te beperken en te verbieden, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 34 EEG-Verdrag en verordening (EEG) nr. 2727/75;
2) de Helleense Republiek overeenkomstig artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen in de kosten van de procedure.
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) Zie eveneens punt 5 betreffende de ter terechtzitting aangevoerde grief van schending van artikel 5 EEG-Verdrag.
(2) Verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1975, L 281, blz. 1), zoals later gewijzigd.
(3) Arresten van 29 november 1989, zaak 281/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 4015; 12 juli 1990, zaak C-35/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-3125; 19 maart 1991, zaak C-32/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-1321.
(4) Zie ter zake het arrest van 25 september 1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1979, blz. 2729, inzonderheid r.o. 3.
(5) Arrest van 10 maart 1987, zaak 199/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 1039, r.o. 7.
(6) Zie naar aanleiding van bovengenoemde problematiek voorts mijn conclusies van 28 januari 1986 in zaak 103/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 1761; 13 januari 1988 in zaak 240/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 1843; 13 maart 1991 in zaak 247/89, Commissie/Portugal, arrest van 11 juli 1991, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
(7) Zie het arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5.
(8) Zie het arrest van 8 november 1979, zaak 15/79, Groenveld, Jurispr. 1979, blz. 3409. Afgezien van een geval waarin de Commissie vermoedt, dat het Kydep een bepaalde hoeveelheid maïs in plaats van een particuliere marktdeelnemer kon uitvoeren, omdat de desbetreffende "uitvoervergunning" (zie voetnoot 14) van deze marktdeelnemer kort tevoren werd ingetrokken, gaat de Commissie er klaarblijkelijk niet van uit dat de exporten (systematisch) van de particuliere marktdeelnemers naar het Kydep werden geleid. In het algemeen verklaart zij alleen, dat het Kydep geen belemmeringen ondervond.
(9) Zie bij voorbeeld de arresten van 18 mei 1977, zaak 111/76, Beert van den Hazel, Jurispr. 1977, blz. 901; 29 november 1978, zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347; 16 december 1986, zaak 124/85, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1986, blz. 3935; 22 september 1988, zaak 272/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 4875.
(10) Zie bij voorbeeld het reeds aangehaalde arrest in zaak 83/78, r.o. 57, en het reeds aangehaalde arrest in zaak C-35/88, r.o. 29.
(11) Zie in die zin de in voetnoot 9 aangehaalde arresten in de zaken 83/78 en 272/86; het Hof heeft het probleem in een recent arrest van 19 maart 1991 (zaak C-205/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-1361, r.o. 13) opengelaten.
(12) Zie de tweede alinea van voetnoot 8.
(13) Zie de fundamentele arresten van 25 mei 1982, zaken 96/81 en 97/81, Commissie/Nederland, Jurispr. 1982, blz. 1791 en inzonderheid 1819; laatstelijk bevestigd in het arrest van 31 januari 1991, zaak C-244/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1991, blz. I-163, r.o. 35.
(14) Hier wordt waarschijnlijk het omstreden visum bedoeld. Op een dienovereenkomstige vraag van het Hof heeft de Griekse regering onweersproken geantwoord, dat voor uitvoer geen andere administratieve vergunning vereist was dan het visum op de aangifte-factuur ten uitvoer.
(15) Zie voor een soortgelijk geval het arrest van 22 september 1988, zaak 272/86, reeds aangehaald, r.o. 21.
(16) Arrest van 12 juli 1990, reeds aangehaald, r.o. 20.
(17) Arrest van 19 maart 1991, reeds aangehaald in voetnoot 3, r.o. 13 e.v.
(18) Zie de arresten van 12 juli 1990, zaak C-35/88, reeds aangehaald, r.o. 22-25, en 19 maart 1991, zaak C-32/89, reeds aangehaald, r.o. 15 en 16.
(19) Zie het onbetwiste betoog in het verzoekschrift waar wordt verklaard dat het Kydep gesubsidieerde maïs levert.
(20) Zie in dezelfde zin het door de Commissie overgelegde artikel uit de krant I Vradyni van 6 november 1985.
(21) Overigens reeds aangekondigd in het verweerschrift.
Top