Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 2 mei 1990. - BAYWA AG TEGEN HAUPTZOLLAMT WEIDEN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT MUENCHEN - DUITSLAND. - DOUANEWAARDE VAN GOEDEREN - ZAAIZAAD - LICENTIERECHTEN. - ZAAK C-116/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01095
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - De feiten
1 . De zaak waarin ik thans conclusie neem, betreft een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Finanzgericht Muenchen betreffende de vaststelling van de douanewaarde van zaaizaad ingevolge verordening ( EEG ) nr . 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen . ( 1 )
2 . De partijen in het hoofdgeding, BayWa AG ( hierna : verzoekster ) en het Hauptzollamt Weiden ( hierna : verweerder ), zijn het oneens over de vaststelling van de douanewaarde van uit Polen en Tsjechoslowakije ingevoerd zaad . Deze invoer vindt plaats onder de navolgende contractuele voorwaarden .
3 . Verzoekster koopt van in de Bondsrepubliek gevestigde kwekers basiszaad . In het kader van deze contractuele verhouding is overeengekomen, dat verzoekster het aangekochte zaad voor de vermeerdering ervan tot zaaizaad zal doorverkopen aan vermeerderingsbedrijven buiten de Gemeenschap . De rechtsverhouding tussen verzoekster en de vermeerderingsbedrijven is geregeld bij zelfstandige overeenkomsten .
4 . In de overeenkomsten tussen verzoekster en de kwekers is bovendien bepaald, dat verzoekster zaaizaad in Duitsland mag invoeren om het aldaar te verkopen . Verkoop in het land van vermeerdering dan wel vandaaruit naar andere landen is zonder toestemming van de kwekers niet toegestaan . Na invoer en verkoop van het zaaizaad wordt verzoekster aan de kwekers een licentierecht verschuldigd, dat zij uiterlijk op 31 mei van het op de oogst volgende jaar moet voldoen . Indien op dat tijdstip grote hoeveelheden zaaizaad nog niet zijn verkocht, staat de kweker desgevraagd een passende verlenging toe van de termijn voor de betaling van het licentierecht .
5 . In de overeenkomsten tussen verzoekster en de vermeerderingsbedrijven is bepaald, dat verzoekster eerst het basiszaad aan de vermeerderingsbedrijven verkoopt en dat deze vervolgens gecertificeerd zaaizaad produceren en dit uitsluitend aan verzoekster verkopen . Zowel voor het basiszaad als voor het zaaizaad is telkens een prijs overeengekomen, waarbij voor het zaaizaad een prijsmarge is bepaald die het mogelijk maakt om in de prijs rekening te houden met kwaliteitsschommelingen . Met betrekking tot de wijze van betaling van het basiszaad lopen de contractuele bepalingen uiteen .
6 . In een van de standaardovereenkomsten is een keuzemogelijkheid voorzien . De partijen kunnen kiezen uit verschillende betalingswijzen, indien zij zich niet reeds bij het sluiten van de overeenkomst op een van de mogelijkheden hebben vastgelegd . De desbetreffende bepaling luidt :
"Betaling :
I . Netto kassa tegen stukken, te weten :
1 . (...)
(...)
6 . (...)
of
II . Het basiszaad wordt in natura betaald, uitgaande van de verhouding tussen de prijs van het gecertificeerde zaad en de prijs van het basiszaad bij de teruglevering van de eerste oogst . In geval van omploegen van de vermeerderingsgronden of andere eventualiteiten, dan wel overmacht, moet het zaad uiterlijk eind februari 1984 door het vermeerderingsbedrijf worden betaald tegen de factuurprijs ." ( 2 )
7 . In een andere standaardovereenkomst is deze mogelijkheid niet opgenomen . Aldaar heet het :
"Betaling : het basiszaad wordt door het vermeerderingsbedrijf betaald na ontvangst van de stukken (...) door verrekening met leveringen van vermeerderingszaad uit Polen ." ( 3 )
8 . Verweerder is van mening, dat de aan de kwekers verschuldigde licentierechten deel uitmaken van de waarde van het basiszaad, die bij het bepalen van de douanewaarde tot de transactiewaarde van de goederen moet worden gerekend . Verzoekster daarentegen is van mening, dat deze zienswijze rechtens ongegrond is . Zij heeft daarom bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen waarbij de douane-instanties de licentierechten in de douanewaarde van het ingevoerde zaaizaad hadden opgenomen, en vervolgens het beroep ingesteld dat tot de prejudiciële verwijzing heeft geleid .
9 . De verwijzende rechter is van oordeel, dat het meerekenen van de licentierechten in strijd is met het beginsel dat in de Gemeenschap verrichte prestaties vrij zijn van douanerechten . Hij stelt het Hof de navolgende prejudiciële vraag :
"Moet bij een koop van zaaizaad dat verkregen is met gebruikmaking van door de koper geleverd basiszaad, ter bepaling van de douanewaarde de betaalde of te betalen prijs ook dan worden verhoogd met de licentierechten die de koper voor het zaaizaad aan de kweker van het basiszaad verschuldigd is, wanneer de kwekersprestatie in de Gemeenschap is verricht?"
10 . Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de argumenten van partijen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting . De feiten worden in deze conclusie slechts weergegeven voor zover dat voor de redenering noodzakelijk is .
B - Discussie
11 . De douanewaarde wordt vastgesteld volgens de bepalingen van verordening nr . 1224/80, met name artikel 3, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 3193/80 ( 4 ), eventueel na verhogingen ingevolge artikel 8 . Verder moet rekening worden gehouden met het bepaalde in verordening ( EEG ) nr . 3158/83 ( 5 ) betreffende de invloed van royalty' s en licentierechten op de douanewaarde van de goederen .
12 . Uiteindelijk wordt tussen partijen niet betwist, dat ingeval de koopprijs van het basiszaad wordt verrekend met de vordering bestaande in de koopprijs van het zaaizaad, de waarde van het basiszaad in de douanewaarde moet worden begrepen . De opvattingen over de toepasselijke rechtsgrondslag evenwel lopen uiteen . Zowel artikel 3, lid 3, van verordening nr . 1224/80 als een van de bepalingen betreffende de verhoging van de douanewaarde van artikel 8 komt in aanmerking .
13 . Om redenen van systematiek, die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de vraag of de licentierechten in de douanewaarde moeten worden begrepen, moet eerst worden vastgesteld volgens welke bepaling de waarde van het basiszaad in aanmerking moet worden genomen .
14 . Om te beginnen moet ervan worden uitgegaan, dat de douanewaarde van een goed volgens de systematiek van verordening nr . 1224/80 overeenkomt met de transactiewaarde ervan . Artikel 3, lid 1, luidt :
"De douanewaarde van ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van dit artikel, is de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8, (...)."
15 . Deze bepaling wordt gepreciseerd in artikel 3, lid 3, sub a, dat luidt als volgt :
"De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper . De betaling behoeft niet noodzakelijkerwijs te bestaan uit de overdracht van geld . Betaling kan eveneens geschieden door middel van kredietbrieven of verhandelbare stukken en kan rechtstreeks of niet rechtstreeks geschieden ."
16 . Voor de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, zijn enkel de contractuele verhoudingen tussen de partijen van belang . De vaststelling van de douanewaarde van het zaaizaad op basis van het basiszaad levert geen problemen op wanneer de partijen het eerste betalingsalternatief, "netto kassa tegen stukken", zijn overeengekomen . Aangezien de transactie betreffende het basiszaad in dat geval geheel is afgerond, is er bij de facturering van het zaaizaad geen aanleiding om op enigerlei wijze rekening te houden met het basiszaad, zodat de prijs van het zaaizaad zoals reeds in de contracten overeengekomen, beslissend is .
17 . De berekening wordt eerst een probleem in de gevallen waarin verrekening plaatsvindt, en dan eigenlijk alleen bij betaling "in natura uitgaande van de verhouding tussen de prijs van het gecertificeerde zaad en de prijs van het basiszaad ". Enkel in dergelijke gevallen komt toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, in aanmerking . Het gaat daarbij immers slechts om een vereffening van de wederzijdse geldvordering, waarbij uit de overeenkomsten blijkt welke prijs voor het basiszaad in rekening moet worden gebracht . De verrekening is dan slechts een vorm van betaling van de "werkelijk betaalde prijs ". Zou men daarentegen menen, dat bij verrekening niet aan het element "werkelijk betaalde prijs" in de zin van artikel 3 van de douanewaardeverordening is voldaan, dan moet zij toch als deel van de "te betalen prijs" worden gezien . Deze opvatting vindt steun in de bewoordingen van artikel 3, lid 3, sub a, luidende :
"De betaling behoeft niet noodzakelijkerwijs te bestaan uit de overdracht van geld . Betaling kan (...) rechtstreeks of niet rechtstreeks geschieden ."
18 . Ook de factureringspraktijk bevestigt deze rechtsopvatting . Zoals blijkt uit het rapport van de Betriebspruefungsstelle Zoll van het Oberfinanzbezirk Muenchen betreffende een onderzoek in het bedrijf van verzoekster ( 6 ), is in de gevallen waarin verrekening heeft plaatsgevonden, het ongekorte bedrag op de facturen vermeld . Slechts in twee gevallen was de waarde van het basiszaad zichtbaar van het factuurbedrag afgetrokken, zodat zij zonder enig probleem in de waardebepaling kon worden begrepen .
19 . Strikt genomen is ook de betaling in natura van het basiszaad bij de teruglevering van de eerste oogst op basis van de verhouding tussen de prijs van het gecertificeerde zaad en de prijs van het basiszaad, een betaling . De waarde van het basiszaad, voor zover deze van de werkelijk te betalen prijs is afgetrokken, maakt derhalve deel uit van de voor de bepaling van de douanewaarde beslissende transactiewaarde . Voor zover het bij deze vorm van waardeverrekening van de uit de koopovereenkomst betreffende het basiszaad voortvloeiende vordering niet gaat om een eenvoudige vereffening van wederzijdse gelijksoortige ( geld-)vorderingen, maar er slechts een uniform, met de waarde van het basiszaad gekort, bedrag voor het zaaizaad in rekening wordt gebracht, moet de waarde van het basiszaad bij de berekening van de douanewaarde ingevolge artikel 8, lid 1, sub b, worden meegeteld . Enkel in dat geval kan worden gesproken van een "gratis" verrichte prestatie of een "gratis" geleverd goed in de zin van artikel 8, lid 1, sub b . Noch bij vereffening noch bij verrekening van wederzijdse vorderingen kan een van de prestaties worden gezien als "gratis verricht ".
20 . Voor de beantwoording van de prejudiciële vraag is niet van belang, of de toerekening van de waarde van het basiszaad plaatsvindt ingevolge artikel 8, lid 1, sub b-i dan wel b-iii .
21 . Volledigheidshalve wijs ik er nog op, dat ook leveringen van basiszaad tegen gereduceerde prijs ingevolge artikel 8, lid 1, sub b, moeten worden meegerekend . ( 7 )
22 . De vraag rijst, of ook de door verzoekster aan de kwekers te betalen licentierechten in de douanewaarde moeten worden begrepen . Dit zou het geval kunnen zijn, indien hun waarde als bestanddeel van het basiszaad moet worden gezien . In dat geval zouden zij tot de prijs van het basiszaad moeten worden gerekend en zouden zij bij de bepaling van de douanewaarde ingevolge artikel 8, lid 1, sub b, tot een overeenkomstige verhoging van die waarde moeten leiden .
23 . Het meerekenen van de licentierechten in de douanewaarde zou evenwel ook geboden kunnen zijn wanneer de vermeerderingsbedrijven, op welke rechtsgrond dan ook, de licentierechten zouden moeten betalen en verzoekster die rechten uiteindelijk op grond van een verplichting van de verkoper aan de binnenlandse kwekers zou betalen ( artikel 3, lid 3, sub a, van verordening nr . 1224/80 ). Dit laatste standpunt lijkt de Commissie te zijn toegedaan .
24 . Om de vraag te kunnen beantwoorden of de licentierechten tot de waarde van het basiszaad moeten worden gerekend of ten gunste van wie zij worden betaald, moet worden nagegaan op welke gronden de licentierechten zijn ontstaan en moeten worden betaald .
25 . Indien de licentievordering niet van rechtswege ontstaat,
zijn enkel de verhoudingen tussen de partijen bij de overeenkomst van belang . Allereerst moet daarom worden vastgesteld, of er op grond van de wet een aanspraak op de betaling van licentierechten bestaat . Een dergelijke aanspraak zou kunnen voortvloeien uit het Duitse Sortenschutzgesetz, aangezien de voorwaarden voor en de omvang van de bescherming van het zaaizaad daarop berusten . Deze wet regelt evenwel niet de feitelijke voorwaarden voor de uitoefening van het licentierecht, maar laat het aan de rechthebbende over, of en zo ja hoe hij van zijn recht gebruik maakt . De rechthebbende moet derhalve zijn recht uitoefenen en veiligstellen door middel van de contractsvrijheid .
26 . Voor zover valt na te gaan, bestaat er in het gemeenschapsrecht evenmin een zelfstandige grondslag voor de aanspraak op licentierechten die voortvloeit uit een nationale regeling inzake het kwekersrecht .
27 . Zoals verzoekster ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld, bestaat er in Polen en Tsjechoslowakije geen beschermd kwekersrecht, hetgeen van belang is voor de vraag, of de vermeerderingsbedrijven eventueel een zelfstandige verplichting tot betaling van licentierechten hebben . Aangezien dit op grond van de in de vermeerderingslanden geldende rechtssituatie niet het geval is, moet de ontstaansgrond voor de in het kader van de transactie verschuldigde licentierechten uitsluitend worden gezocht in de rechtsbetrekkingen die de zakelijke verhouding tussen de partijen regelen .
28 . Deze rechtsbetrekkingen worden bepaald door de los van elkaar staande overeenkomsten die verzoekster met de kwekers en de vermeerderingsbedrijven sluit . Ook met de systematiek van de berekening van de douanewaarde is het in overeenstemming om enkel op het bepaalde in de overeenkomsten af te gaan . De transactiewaarde is immers de bij overeenkomst vastgelegde prijs .
29 . Deze opvatting vindt steun in het commentaar van het Comité voor de douanewaarde op verordening nr . 3158/83 betreffende de invloed van licentierechten op de douanewaarde . ( 8 ) Op verschillende plaatsen ( 9 ) wordt voor de oplossing van eventuele geschilpunten verwezen naar de bewoordingen en de uitlegging van zowel de licentie - als de koopovereenkomsten .
30 . De grond voor het ontstaan en voor de betaling van de licentierechten moet in de onderhavige zaak derhalve worden gezocht in de overeenkomsten .
31 . In de koop - en vermeerderingsovereenkomsten tussen verzoekster en de vermeerderingsbedrijven is geen verplichting tot betaling van licentierechten neergelegd dan wel overgedragen . Integendeel, in de overeenkomst is op het punt van de kwaliteitsbeschrijving van het zaaizaad het volgende bepaald :
"Indien het produkt naar Tsjechoslowaakse analyses niet overeenstemt met de in dit contract overeengekomen kwaliteit, blijft dit zaad gratis in Tsjechoslowakije, zonder dat licentierechten of andere kosten, van welke aard dan ook, aan de opdrachtgever behoeven te worden betaald ." ( 10 )
32 . Omdat de vermeerderingsbedrijven ook bij contractuele teruglevering geen licentierechten verschuldigd zijn, betekent dit dat zij in geen geval tot betaling van de licentierechten verplicht zijn . Het zijn derhalve de overeenkomsten tussen verzoekster en de binnenlandse kwekers die uitsluitsel moeten geven over het ontstaan van de aanspraak op licentierechten en de opeisbaarheid van deze rechten . De clausule betreffende de licentierechten in de standaardcontracten luidt als volgt :
"Het vermeerderingsbedrijf ( in dit geval BayWa ) betaalt voor elke 100 kg van het in het vermeerderingsland gekweekte en voor certificering of erkenning in aanmerking komende zaad een licentierecht . Dit licentierecht bedraagt evenveel als het licentierecht voor in Duitsland gekweekt zaad van dezelfde soort, dat verschuldigd is op het tijdstip waarop het vermeerderingsbedrijf het in Polen gekweekte zaad in het vermeerderingsland, in Duitsland of in een derde land, heeft verkocht . De licentierechten zijn uiterlijk op 31 mei van het op de oogst volgende jaar opeisbaar . Indien op dat tijdstip grote hoeveelheden zaaizaad nog niet zijn verkocht, staat de kweker het vermeerderingsbedrijf desgevraagd een passende verlenging toe van de termijn voor de betaling van de op deze hoeveelheden betrekking hebbende licentierechten ." ( 11 )
33 . Uit deze formulering zijn verschillende conclusies te trekken . In de eerste plaats is de berekeningsgrondslag voor de licentierechten niet het aan het vermeerderingsbedrijf geleverde basiszaad, maar het in het vermeerderingsland geproduceerde zaaizaad .
34 . In de tweede plaats is voor de hoogte van het verschuldigde licentierecht het tijdstip van verkoop bepalend . Vóór dat tijdstip zijn nog niet alle factoren aanwezig voor het bepalen van de hoogte van het licentierecht .
35 . In de derde plaats is de vervaldatum 31 mei van het op de oogst volgende jaar, doch slechts indien het zaad dan daadwerkelijk is verkocht .
36 . Uit een en ander kan worden afgeleid, dat het licentierecht verschuldigd wordt bij de verkoop . De vervaldatum wordt daarmee verschoven naar een later tijdstip . Deze uitlegging stemt overeen met het betoog van verzoekster, dat de licentie een verkooplicentie is . Deze opvatting vindt voorts daarin steun, dat in de overeenkomsten aan verzoekster zelfs het recht is toegekend het zaaizaad vanuit het vermeerderingsland te verkopen - zij het slechts met toestemming van de kwekers . ( 12 )
37 . Aangezien de vermeerderingsbedrijven noch op grond van de wet noch op grond van de overeenkomst verplicht zijn tot het betalen van licentierechten en ook de betalingsverplichting enkel ontstaat in het douanegebied van de Gemeenschap, is het twijfelachtig of de licentierechten niettemin in de douanewaarde kunnen worden begrepen .
38 . Dit zou ingevolge artikel 3, lid 3, sub a, slechts dan het geval zijn, indien het licentierecht een voorwaarde zou zijn van de koopovereenkomst tussen verzoekster en de vermeerderingsbedrijven, en de koper ( verzoekster ) dat recht aan een derde zou betalen om te voldoen aan een verplichting van de verkoper ( de vermeerderingsbedrijven ). Zoals bij onderzoek van de contractuele bepalingen is gebleken, is de betaling van licentierechten geen verplichting van de vermeerderingsbedrijven, maar van verzoekster als licentienemer . Bovendien is het licentierecht niet opgenomen in de koopovereenkomst, zeker niet als verkoopvoorwaarde, zodat het licentierecht niet in de douanewaarde kan worden begrepen .
39 . De uitsluitingsbepaling van artikel 3, lid 4, sub b, is niet van toepassing, aangezien licentierechten geen invoerrechten of andere belastingen zijn .
40 . Nadere beschouwing behoeft artikel 8 van verordening nr . 1224/80, dat de verhogingen regelt . In de eerste plaats moeten de tot verhoging aanleiding gevende elementen van artikel 8, lid 1, sub b-i en iii, worden bezien . Deze zouden enkel een rol kunnen spelen, indien de door het licentierecht vertegenwoordigde waarde in het basiszaad was opgenomen en het basiszaad ingevolge de genoemde bepalingen in de douanewaarde moest worden begrepen . Afgezien van het feit dat dit in verband met de verrekeningsafspraken in elk geval slechts zelden het geval zal zijn, is het licentierecht bovendien verbonden aan het vermeerderde zaad . Immers, alleen de uitoefening van het kwekersrecht, waarvoor het licentierecht - onder de overeengekomen voorwaarden - als vergoeding dient, doet de aanspraak op de betaling van licentierechten ontstaan . Verhogingen ingevolge artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr . 1224/80 zijn derhalve uitgesloten .
41 . Een verhoging krachtens artikel 8, lid 1, sub c, lijkt evenwel mogelijk . Deze bepaling luidt als volgt :
"royalty' s en licentierechten betrekking hebbende op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, die de koper moet betalen, hetzij rechtstreeks of zijdelings, ingevolge de voorwaarden van de verkoop, voor zover deze royalty' s en licentierechten niet zijn begrepen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs ".
42 . Op het eerste gezicht lijkt deze verhogingsbepaling toepasselijk . Bij nadere lezing blijkt evenwel, dat het gaat om licentierechten die de koper moet betalen "ingevolge de voorwaarden van de verkoop", hetgeen hier juist niet het geval is . Bovendien moeten de licentierechten in wezen niet worden betaald over de ingevoerde goederen, maar over de verkoop daarvan, zodat artikel 8, lid 5, sub b, van toepassing is, waarin is bepaald, dat in afwijking van het bepaalde in lid 1, sub c, betalingen die de koper doet voor het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen, niet worden toegevoegd aan de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs, indien dergelijke bepalingen geen voorwaarde uitmaken van de verkoop voor uitvoer naar de Gemeenschap van de ingevoerde goederen . Dat de betaling juist geen voorwaarde van de verkoop tussen verzoekster en de vermeerderingsbedrijven in de zin van de bepaling was, werd reeds in ander verband vastgesteld .
43 . Tot slot moet worden nagegaan, of het bepaalde in de licentieverordening nr . 3158/83 aan het gevonden resultaat iets verandert . Artikel 1, lid 2, van die verordening bepaalt :
"Onverminderd de bepalingen van artikel 8, lid 5, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 wordt, bij de vaststelling van de douanewaarde van het ingevoerde goed met toepassing van de bepalingen van artikel 3 van genoemde verordening, de royalty of het licentierecht slechts aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd, indien de betaling ervan :
- op het goed waarvan de waarde wordt bepaald, betrekking heeft, en
- voor dat goed een verkoopvoorwaarde vormt ."
44 . Wil het licentierecht ingevolge deze bepaling in de douanewaarde worden begrepen, dan moet aan deze voorwaarden cumulatief zijn voldaan . Dit is reeds niet het geval omdat de licentierechten geen verkoopvoorwaarde vormen . Verder moet artikel 1, lid 2, worden gelezen in samenhang met artikel 4 van verordening nr . 3158/83, dat luidt :
"Wanneer de koper een royalty of een licentierecht aan een derde betaalt, worden de in artikel 1, lid 2, bedoelde voorwaarden geacht slechts vervuld te zijn, indien de verkoper of een met deze verbonden persoon die betaling van de koper verlangt ."
45 . Aangezien de vermeerderingsbedrijven geen enkele invloed hebben op de betaling van het licentierecht, staat buiten twijfel, dat de waarde van het licentierecht niet in de douanewaarde moet worden begrepen .
Kosten
46 . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen . De kosten door de Commissie gemaakt komen niet voor vergoeding in aanmerking .
C - Conclusie
47 . Concluderend geef ik het Hof in overweging, de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden als volgt :
"Bij een koop van zaaizaad dat verkregen is met gebruikmaking van door de koper geleverd basiszaad, moet ter bepaling van de douanewaarde de betaalde of te betalen prijs niet worden verhoogd met de licentierechten die de koper voor het zaaizaad aan de kweker van het basiszaad verschuldigd is, wanneer de verplichting van de koper tot betaling van de licentierechten berust op een van bedoelde koopovereenkomst los staande transactie ."
(*) Oorspronkelijke taal : Duits .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 ( PB 1980, L 134, blz . 1 ).
( 2 ) Overeenkomst tussen BayWa AG en Koospol AG .
( 3 ) Overeenkomst tussen BayWa AG en Rolimpex Warschau .
( 4 ) Verordening ( EEG ) nr . 3193/80 van de Raad van 8 december 1980 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 333, blz . 1 ).
( 5 ) Verordening ( EEG ) nr . 3158/83 van de Commissie van 9 november 1983 ( PB 1983, L 309, blz . 19 ).
( 6 ) Het rapport maakt deel uit van het aan het Hof overgelegde procesdossier van het hoofdgeding .
( 7 ) Uit het onderzoeksrapport blijkt, dat dergelijke leveringen hebben plaatsgevonden .
( 8 ) Afgedrukt in Douanewaarde, uitgegeven door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, 1989, blz . 310 .
( 9 ) Punten 7, 10 en 18 van het commentaar .
( 10 ) Vermeerderingsovereenkomst tussen BayWa AG en Koospol AG .
( 11 ) Cursiveringen van mij .
( 12 ) De betrokken clausule in de overeenkomst tussen BayWa en een kweker ( Sueddeutsche Saatzucht - und Saatbaugenossenschaft eG ) luidt als volgt : "Het vermeerderingsbedrijf mag dit zaad in Duitsland invoeren; het zal dit zaad slechts met toestemming van de kweker geheel of gedeeltelijk in ( vermeerderingsland ) laten en aldaar dan wel vandaaruit naar andere landen verkopen . Uitgezonderd van het verkooprecht zijn de volgende landen : (...)."
Top