Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 20 maart 1990. - STRAFZAAK TEGEN GOURMETTERIE VAN DEN BURG BV. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOGE RAAD - NEDERLAND. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - INVOERVERBOD BESCHERMDE VOGELS. - ZAAK C-169/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02143
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De Hoge Raad der Nederlanden heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld :
"Kan het ingevolge van artikel 7 van de Vogelwet 1936 in Nederland geldende verbod om in het Verenigd Koninkrijk zonder schending van aldaar geldend recht geschoten en aldus gedode Schotse sneeuwhoenders ( 1 ) in te voeren en onder zich te hebben worden aangemerkt als een verbod hetwelk in de zin van artikel 36 van het EEG-Verdrag gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren, indien daarbij in aanmerking wordt genomen :
- enerzijds dat voor Schotse sneeuwhoenders, welke in Bijlage III/1 bij de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 zijn vermeld als de vogelsoort "Lagopus lagopus scoticus", de in artikel 6 lid 2 van die Richtlijn bedoelde uitzondering geldt,
- anderzijds dat het in artikel 7 van de Vogelwet omschreven verbod dient tot handhaving van de vogelstand en in het bijzonder tot bescherming van alle in Europa in het wild levende soorten vogels, behoudens uitzonderingen waartoe echter de Schotse sneeuwhoenders niet behoren ."
Feiten en relevante rechtsregels
2 . De Hoge Raad der Nederlanden ( hierna : de verwijzende rechter ) heeft het Hof deze vraag over de interpretatie van artikel 36 van het EEG-Verdrag voorgelegd in het kader van de strafzaak tegen Gourmetterie Van den Burg BV ( hierna : de onderneming ), gevestigd in Den Haag .
De onderneming is een poeliersbedrijf . In december 1984 werd proces-verbaal tegen haar opgemaakt omdat zij dode moerassneeuwhoenders te koop aanbood die afkomstig waren uit het Verenigd Koninkrijk . De onderneming werd strafrechtelijk vervolgd omdat moerassneeuwhoenders volgens de in Nederland geldende "Vogelwet 1936", derhalve een wet van lang voor het in werking treden van het EEG-Verdrag, als beschermde dieren worden beschouwd . In artikel 1, tweede lid, van genoemde Vogelwet 1936 worden als "beschermde vogels" omschreven : "alle vogels, welke behoren tot één der in Europa in het wild levende soorten, met uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet genoemde vogels ". Artikel 5 van de Vogelwet 1936 verbiedt "het doden, pogen te doden, vangen of pogen te vangen van beschermde vogels ". Artikel 7 verbiedt deze vogels "onder zich te hebben, te koop te vragen, te kopen, te koop aan te bieden, te verkopen, af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, in te voeren, door te voeren of uit te voeren ". Artikel 28 maakt overtredingen van deze verboden strafbaar .
Door partijen in het geding ten gronde en door de Commissie, die voor het Hof opmerkingen heeft ingediend, wordt niet betwist dat deze vogelsoort in Nederland niet voorkomt . Zij wordt dan ook niet genoemd in artikel 2 van de Jachtwet zodat de Vogelwet er op toepasselijk is . Deze situatie houdt een anomalie in : alle in Europa in het wild levende soorten ( al dan niet met uitsterven bedreigde vogels; al dan niet trekvogels ) worden door de Vogelwet 1936 beschermd; alleen ten aanzien van in Nederland levende soorten voorziet de Jachtwet onder omstandigheden in een mogelijkheid tot jagen .
3 . Een gemeenschapsrechtelijk relevante regel zou kunnen gevonden worden in de richtlijn 79/409 van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand ( hierna : vogelrichtlijn ) ( 2 ) waar in de derde overweging van de aanhef met betrekking tot de in het wild levende trekvogels wordt gesteld dat zij een gemeenschappelijk erfgoed van de Lid-Staten zijn .
Deze vogelrichtlijn houdt voor de Lid-Staten verschillende verplichtingen in met betrekking tot verschillende vogels . Het moerassneeuwhoen staat vermeld in de bijlagen II/1 en III/1 . Dit betekent dat er een aantal artikelen van de richtlijn op van toepassing zijn . Krachtens artikel 6, tweede lid, "zijn de verkoop, het vervoer voor verkoop en het in bezit hebben voor verkoop alsmede ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels alsmede van gemakkelijk herkenbare delen van deze vogels of op uit deze vogels gekregen produkten" niet verboden indien de vogels genoemd in bijlage III/1 op geoorloofde wijze zijn gedood of gevangen of op andere geoorloofde wijze verkregen . Dit in tegenstelling tot de vogels genoemd in bijlage III/2, waarvoor krachtens artikel 6, eerste lid, een verbod van verkoop geldt .
Om nu te weten of een moerassneeuwhoen op geoorloofde wijze is gedood of gevangen of op andere geoorloofde wijze verkregen werd moet men kijken naar artikel 7, lid 1 en lid 2, die als volgt luiden :
"1 ) Op de in bijlage II vermelde soorten mag, vanwege hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting in de gehele Gemeenschap, in de hele Gemeenschap worden gejaagd volgens de bepalingen van de nationale jachtwetgeving . De Lid-Staten zien erop toe dat de jacht op deze soorten de pogingen tot de instandhouding in hun verspreidingsgebied worden ondernomen, niet in gevaar brengt .
2 . Op de in bijlage II/1 genoemde soorten mag worden gejaagd in de geografische zee - en landzone waar deze richtlijn van toepassing is ."
In overeenstemming met wat in de schriftelijke opmerkingen is naar voren gebracht kan uit de bepalingen van de richtlijn niet worden geconcludeerd dat er een verbod zou bestaan om het moerassneeuwhoen te doden en/of te verhandelen . Wel is er artikel 14 van de richtlijn dat als volgt luidt :
"De Lid-staten kunnen beschermingsmaatregelen treffen die strenger zijn dan in deze richtlijn wordt voorgeschreven ."
In concreto wordt er door de verwijzende rechter van uitgegaan dat in het Verenigd Koninkrijk geen strengere maatregelen van kracht zijn dan degene die door de richtlijn worden voorgeschreven . Wat het Nederlandse verkoop - en invoerverbod betreft, dat wordt door de Commissie als een in artikel 14 bedoelde "strengere beschermingsmaatregel" beschouwd . Deze beoordeling gaat ervan uit dat het stelsel van de vogelrichtlijn beschermingsmaatregelen toelaat die van vóór de uitvaardiging van de richtlijn dateren evenals beschermingsmaatregelen ten aanzien van niet op het eigen grondgebied levende en niet-trekkende vogels . ( 3 ) Ook als dat zo zou zijn ( 4 ), moeten zulke ( niet-geharmoniseerde ) maatregelen voldoen aan de artikelen 30 en 36, zoals de prejudiciële vraag terecht veronderstelt . ( 5 )
4 . In verordening ( EEG ) 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 ( 6 ) werden voorschriften vastgelegd voor de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantsoorten; het betreft de Overeenkomst van Washington van 3 maart 1973, die in bijlage A bij de genoemde verordening afgedrukt staat . ( 7 )
Er bestaat geen twijfel over dat het moerassneeuwhoen niet onder de genoemde verordening en het Verdrag valt, aangezien deze vogel in geen der verschillende bijlagen bij de Overeenkomst is opgenomen; overigens wordt niet betwist dat de betrokken vogel niet "bedreigd" is; er wordt met andere woorden niet getwijfeld aan de volledigheid van de bijlagen, althans wat ( het ontbreken van ) de betrokken vogel betreft .
Niettemin is de vermelde verordening potentieel relevant, omdat het artikel 15, derde lid ervan bepaalt dat :
"ter bescherming van de gezondheid en het leven van dieren of planten de Lid-Staten ten aanzien van niet onder deze verordening vallende soorten soortgelijke maatregelen kunnen nemen als bedoeld in deze verordening ."
In het eerste lid van artikel 15 staat dan weer dat :
"Ten aanzien van de soorten waarop deze verordening van toepassing is, de Lid-Staten met het oog op één of meer van de onderstaande doelstellingen strengere maatregelen kunnen handhaven of nemen, met inachtneming van het Verdrag, inzonderheid artikel 36 :
a ) het bieden van betere overlevingskansen voor levende specimens in de landen van bestemming;
b ) de instandhouding van inheemse soorten; en
c ) de instandhouding van een soort of een populatie in het land van oorsprong daarvan ."
Men kan dus de stelling verdedigen, en dit gebeurt in de opmerkingen van de Commissie, evenals in de conclusie van de advocaat-generaal van de Hoge Raad bij het verwijzingsarrest, dat voor een niet-bedreigde populatie zoals de populatie moerassneeuwhoenders in het Verenigd Koninkrijk, door Nederland "soortgelijke maatregelen" zouden kunnen genomen worden als degene bedoeld in artikel 15 van verordening nr . 3626/82 . De verenigbaarheid van zulke maatregelen met het Verdrag, inzonderheid artikel 36, waarvan een verordening uiteraard niet mag afwijken en waarnaar artikel 15 trouwens uitdrukkelijk verwijst, vormt dan, zoals hiervoor aangeduid, het voorwerp van de prejudiciële vraag .
Beoordeling onder artikel 36
5 . Het feit dat de in geding staande bepaling van de Nederlandse Vogelwet 1936, houdende een absoluut invoerverbod, een maatregel is van gelijke werking met een kwantitatieve invoerbeperking is voor de verwijzende rechter een uitgangspunt, dat overigens ook niet betwist wordt in opmerkingen die voor het Hof zijn gemaakt . ( 8 ) Aangezien de bepaling specifiek ingevoerde produkten betreft kan zij overigens niet gerechtvaardigd worden onder enige in artikel 30 van het EEG-Verdrag vervatte "rule of reason ". ( 9 )
6 . De beoordeling spitst zich bijgevolg volledig toe op de toepasselijkheid van de uitzonderingsbepaling van artikel 36, onder het oogpunt van "de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten ". Dat de Vogelwet 1936 als doelstelling heeft niet alleen zeldzame of met uitsterving bedreigde vogelsoorten te beschermen, zoals wordt voorgehouden in de opmerkingen van de onderneming, maar de ruimere doelstelling heeft om het vogelbestand te bevorderen, moge blijken uit de aanhef van de wet en uit zijn artikel 2 (" belang van de vogelstand "). Volgens de Commissie kan deze doelstelling geacht worden onder het in artikel 36 genoemde rechtsgoed van de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren te vallen . Dit lijkt mij juist te zijn : artikel 36 maakt geen onderscheid naargelang van de soort van dieren . Het feit dat het moerassneeuwhoen geen met uitsterving bedreigde vogelsoort is, is dus onder dit oogpunt niet relevant te noemen . ( 10 )
7 . Een belangrijke vraag is of artikel 36 ook toepassing kan vinden in een geval als het voorliggende, waar het gaat om een maatregel door een Lid-Staat genomen in verband met de bescherming tegen de jacht van dieren die niet op zijn grondgebied maar wel in een andere Lid-Staat leven . Er wordt in casu immers niet betwist dat het moerassneeuwhoen in Nederland niet levend voorkomt .
De Commissie meent dat reeds uit de tekst van artikel 36 kan afgeleid worden dat de doelstelling van de bescherming van het leven van dieren even goed betrekking kan hebben op dieren die in het beschermende maatregelen nemende land niet leven als op daar wel levende diersoorten . Persoonlijk zie ik niet hoe uit de tekst een argument kan worden gehaald voor deze of gene opvatting . Het is juist dat artikel 36 de daar beschermde belangen niet uitdrukkelijk lokaliseert in de regelende Lid-Staat . Niettemin lijkt het artikel evenmin als een aanmoediging te moeten worden verstaan om regelend op te treden ter bescherming van in andere Lid-Staten gelokaliseerde belangen . Een maatregel die eenzijdig door een Lid-Staat wordt genomen met het oog op de jacht op dieren in een andere Lid-Staat lijkt zich overigens op het eerste gezicht niet goed te verdragen met het beginsel van wederzijds vertrouwen dat de Lid-Staten in elkaar dienen te stellen wanneer zij in hun wetgeving uitvoering geven aan een communautaire richtlijn ( zie hierna, nr . 10 ).
Evenmin begrijp ik de verwijzing door de Commissie naar r.o . 45 in het arrest van 25 januari 1977 in zaak 46/76, Bauhuis/Nederland ( Jurispr . 1977, blz . 5 ) waarin zou gesteld zijn dat de in artikel 36 genoemde belangen ook kunnen gelegen zijn in andere Lid-Staten dan de Lid-Staat die de maatregel neemt . Volgens mij bevat het geciteerde arrest Bauhuis geen aanduiding in die richting . Integendeel zelfs : er wordt uitdrukkelijk in verschillende rechtsoverwegingen ( met name r.o . 27 tot en met 30 ) uiteengezet dat een veterinaire keuring die door een richtlijn dwingend is opgedragen aan de Lid-Staat van verzending ( r.o . 27 ) een niet door elke Lid-Staat eenzijdig voorgeschreven maatregel is doch een maatregel die voor alle betrokken produkten in dezelfde vorm verplicht is gesteld en uniform is ongeacht de Lid-Staat van verzending of van bestemming ( r.o . 28 ); daarom kan men niet spreken van een regel die door elke Lid-Staat afzonderlijk is vastgesteld in zijn nationaal belang, maar door de Raad in het algemeen belang van de Gemeenschap ( r.o . 29 ), waardoor die keuringen veeleer verrichtingen zijn ter bevordering van het vrij goederenverkeer dan wel heffingen van gelijke werking ( r.o . 30 en 31 ). Uit de grote aandacht die het Hof besteedt aan het communautair karakter, zowel wat rechtsbron ( richtlijn ) als wat uitwerking ( uniformiteit ) en doelstelling ( vrij goederenverkeer bevorderen ) betreft, leid ik veeleer de tegengestelde conclusie af van wat de Commissie in haar opmerkingen naar voren brengt .
Het laatste argument van de Commissie ten voordele van de toepasselijkheid van artikel 36 bij de bescherming van belangen die zich volledig in een andere Lid-Staat situeren wordt geput uit het "grensoverschrijdende karakter van de bescherming van de vogelstand", dat uitdrukkelijk zowel door de vogelrichtlijn 79/409 als door het in verordening nr . 3626/82 ingevoegde Verdrag van Washington wordt erkend . Ofschoon dit argument strikt genomen voor de beoordeling van deze zaak niet kan steunen op de twee genoemde rechtsnormen - aangezien ze beide niet onmiddellijk toepasselijk zijn maar slechts op grond van een door een Lid-Staat gegeven uitbreiding van hun toepassingsgebied - vind ik het niettemin voldoende om aan te nemen dat een Lid-Staat zich op een bekommernis voor het leven van dieren in een andere Lid-Staat kan beroepen om een beperking op het vrij verkeer van goederen te verantwoorden . Het lijkt mij echter zonder meer duidelijk dat de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid, die ik hierna zal behandelen, in zulk geval even streng moeten beoordeeld worden als gewoonlijk . De omstandigheid dat het in casu gaat over een vogel die geen trekvogel is, zal in die beoordeling een rol spelen .
8 . Er moet nu dus nagegaan worden of de in de Vogelwet 1936 voorziene maatregel gerechtvaardigd is in de zin van artikel 36 van het EEG-Verdrag, dat wil zeggen of hij in hoofde van Nederland een maatregel is die proportioneel is aan het doel van de bescherming van het leven van het in het Verenigd Koninkrijk levende ( en slechts in dode toestand naar Nederland verplaatste ) moerassneeuwhoen . ( 11 )
Gezien het hiervoor ( nr . 3 ) geciteerde artikel 14 van de vogelrichtlijn waarbij aan de Lid-Staten de mogelijkheid wordt gelaten strengere beschermingsmaatregelen voor te schrijven, is op de eerste plaats de rechtspraak relevant die erop wijst dat de aanwezigheid van harmonisatierichtlijnen de door artikel 36 aan de Lid-Staten gelaten overblijvende bevoegdheid niet kan verruimen ( 12 ), maar deze wel kan beperken; dit laatste gebeurt in de mate dat de harmonisatie volledig is . ( 13 )
In de rechtspraak van het Hof worden de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid vaak samen onderzocht ( 14 ), in een analyse die nauw aansluit bij de ter rechtvaardiging ingeroepen feiten en bij de concrete juridische situatie . Bij het beoordelen van het eerste vereiste gaat het erom te weten of er een band van noodzakelijkheid bestaat tussen de maatregel en de verwezenlijking van het nagestreefde doel . Dit impliceert twee dingen : enerzijds dat de genomen maatregel in een causaal verband staat met het nagestreefde doel, dat is relevant of pertinent is, en anderzijds, dat er voor de beschouwde maatregel geen alternatief bestaat dat het vrij verkeer van goederen minder beperkt . ( 15 ) Het tweede vereiste betreft het bestaan van evenredigheid tussen enerzijds de veroorzaakte belemmering, anderzijds het ermee nagestreefde doel èn de concrete verwezenlijking daarvan .
9 . Wat de relevantie of pertinentie van de maatregel betreft kan men, zoals reeds aangestipt ( nr . 7 ), in de omstandigheden van de bij de verwijzende rechter voorliggende zaak niet uitsluiten dat aan deze toets is voldaan . Er is inderdaad een mogelijkheid dat het invoerverbod in Nederland de vraag naar dode exemplaren van de betrokken vogelsoort vanuit die Lid-Staat verkleint en dat zo een positieve invloed wordt uitgeoefend op het bestand ervan in de Lid-Staat waar de soort leeft, dat er met andere woorden enige causaliteit bestaat tussen de maatregel en het nagestreefde doel .
Blijft het tweede aspect van de noodzakelijkheidstoets, dat is het criterium van het minst belemmerend alternatief . Het wordt in de opmerkingen van de Commissie behandeld waar deze stelt dat het feit dat het moerassneeuwhoen in Nederland niet voorkomt, ertoe leidt dat de proportionaliteitstest ( het lijkt mij juister te spreken van de noodzakelijkheidstest ) automatisch vervuld is : de enig denkbare maatregel die in Nederland kan worden getroffen met betrekking tot een vogel die daar niet voorkomt, zou immers een invoer - en verkoopverbod zijn .
Ik heb enige twijfels over deze redenering van de Commissie, waarbij de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering zich ter terechtzitting heeft aangesloten . Het feit dat het moerassneeuwhoen in Nederland niet voorkomt mag de noodzakelijkheidstest niet zonder inhoud maken . Dit volgt reeds uit de rechtspraak over het noodzakelijkheidscriterium waarin het Hof besliste dat de noodzaak tot het nemen van beschermende maatregelen wegvalt wanneer in het land van uitvoer een wettelijk stelsel aanwezig is dat zorgt voor een met het land van invoer gelijkwaardige bescherming . Deze rechtspraak betrof niet alleen maatregelen ter bescherming van volledig op het eigen grondgebied gelegen belangen ( 16 ), maar ook een geval waar een nationale ( milieu)beschermingsmaatregel grensoverschrijdende belangen diende . ( 17 ) ( 18 )
Het uitgangspunt voor de beoordeling van de noodzakelijkheid in dit geval ligt mijns inziens echter vooral bij het stelsel van de richtlijn over het vogelbestand . In het kader daarvan heeft de Raad, waarin alle Lid-Staten vertegenwoordigd zijn, geoordeeld dat de vogel in kwestie in de gebieden waar hij voorkomt zodanig talrijk leeft dat er geen gevaar uitgaat van de jacht erop zoals die door de Lid-Staat van oorsprong wordt geregeld . In die context van harmonisatie moet een andere Lid-Staat wel een sterke motivering kunnen voorleggen voordat kan aangenomen worden dat een invoerverbod, dat is een inbreuk op het fundamenteel beginsel van het vrij verkeer van goederen, de enige of de minst beperkende maatregel is ter bevordering van een in de eerste Lid-Staat levend vogelbestand . Weliswaar laat de richtlijn de Lid-Staten toe verdergaande maatregelen te treffen maar ook dergelijke maatregelen moeten door de Lid-Staat worden vastgesteld met inachtneming van het vereiste van wederzijds vertrouwen in de wetgeving van de andere Lid-Staten wanneer de getroffen maatregel hoofdzakelijk een in die andere Lid-Staten gelokaliseerd belang betreft .
In een situatie als de onderhavige, waar geen bedreigde vogelsoorten op het spel staan en waar het gaat over een vogelsoort die in de regelende Lid-Staat niet levend aanwezig is, komt het mij voor dat het Koninkrijk der Nederlanden, in de huidige context van communautaire samenwerking, een minder vergaande maatregel open staat . Die bestaat er namelijk in om met behulp van de rapporten waarvan sprake in artikel 12 van de vogelrichtlijn regelmatig informatie in te winnen over de populatie van moerassneeuwhoenders, en daarna zodra nodig in het door artikel 16 ingestelde comité voorstellen te doen om deze vogel overeenkomstig artikel 15 ( dat is met gekwalificeerde meerderheid ) op de voor bedreigde vogelsoorten dienende bijlage I van de richtlijn op te nemen . Dit lijkt mij meer in overeenstemming te zijn met het thans tussen Lid-Staten geldende vertrouwensbeginsel, dan gebruik te maken van een bepaling uit de Vogelwet 1936 die werd vastgesteld op grond van een belangenafweging waarbij het "acquis communautaire" nog niet in aanmerking kon worden genomen, en waarbij evenmin rekening kon worden gehouden met het standpunt van de Lid-Staat waar de vogelsoort wel levend voorkomt . Dit laatste is des te belangrijker nu in de in Nederland doorgevoerde belangenafweging ten aanzien van de betrokken vogelsoort bepaalde belangen niet kunnen meespelen ( zo bij voorbeeld de opportuniteit van jacht ter bescherming van landbouwgewassen ) ( 19 ) die met betrekking tot de Lid-Staat waar de vogel voorkomt, mogelijkerwijze wel een rol hebben gespeeld .
Slechts indien zou blijken dat dit minder belemmerend alternatief geen uitkomst biedt, kan een Lid-Staat een verdergaande maatregel in overweging nemen maar ook dan zal nog moeten komen vaststaan dat de maatregel de hierna besproken evenredigheidstest doorstaat .
10 . Een maatregel die in causaal verband staat tot het ermee nagestreefde doel en waarvoor geen minder belemmerend alternatief zou bestaan, moet vervolgens worden getoetst aan het criterium van de evenredigheid tussen de ingestelde belemmering en het ermee nagestreefde doel en/of het ermee concreet bereikte resultaat . Dit criterium kan de Lid-Staat ertoe verplichten af te zien van de maatregel of vrede te nemen met een minder doeltreffende maatregel, wanneer het belemmerend effect van de maatregel voor het vrij goederenverkeer disproportioneel is met het met de maatregel nagestreefde doel of met het concrete ermee bereikte resultaat .
Een voorbeeld daarvan kan gevonden worden in het arrest van 20 september 1988 in de zaak 302/86, Commissie/Denemarken ( 20 ) dat weliswaar de beoordeling van een dwingende reden onder artikel 30 EEG-Verdrag betrof, maar met betrekking tot het evenredigheidscriterium hier als precedent kan worden aangehaald . In die zaak beschouwde het Hof een veralgemeend systeem van goedgekeurde recycleerbare verpakkingen voor bier en frisdranken als gerechtvaardigd ter bescherming van het milieu . Een tweede maatregel die daarnaast niet-erkende ( niet-metalen ) verpakkingen toeliet indien een eigen systeem van waarborg en recyclage werd opgezet, maar met een limiet van 3 000 hectoliter per producent per jaar, werd door het Hof als niet gerechtvaardigd en in strijd met artikel 30 aangezien, omdat het beperkend effect op de intracommunautaire handel disproportioneel was met de mindere waarborg die een dergelijk eigen recyclagesysteem biedt tegenover het algemene systeem ( waarbij alle leeggoed bij elke drankverdeler kan ingeleverd worden ).
Zo ook werd met betrekking tot maatregelen waarvoor de bescherming van de gezondheid van dieren werd ingeroepen, geoordeeld dat het onevenredig was op te treden tegen risico' s die zo verwijderd of klein waren dat ze niet meer als reëel konden beschouwd worden . ( 21 )
De toepassing van de Vogelwet 1936 waarover het gaat in het geschil ten gronde lijkt mij in elk geval op dit criterium van evenredigheid te stranden . De belemmering van de intracommunautaire handel die het gevolg is van een absoluut invoerverbod in Nederland staat mijns inziens niet in verhouding tot de kleine bijdrage die zij in concreto - door het ontmoedigen van het doden van die vogelsoort in het Verenigd Koninkrijk - zou kunnen leveren tot de verwezenlijking van een doelstelling, namelijk het bevorderen van het bestand van een niet bedreigde vogelsoort die in de communautaire besluitvorming en wetgeving niet prioritair is gesteld . Dit geldt in het bijzonder nu de onderzochte maatregel en de eruit voortvloeiende handelsbelemmering bestemd zijn om een vogel te beschermen en dus, in strijd met het beginsel van wederzijds vertrouwen, effect te sorteren op het grondgebied van een andere Lid-Staat en de maatregel bovendien genomen is op grond van een eenzijdige belangenafweging, dit is zonder inachtneming van belangen die de jacht op de vogel wellicht kunnen vereisen of rechtvaardigen .
11 . Op grond van wat voorafgaat stel ik voor om de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden :
"De artikelen van het EEG-Verdrag betreffende het vrij verkeer van goederen moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van een verhandelings - en invoerverbod op alle, zelfs dode, exemplaren van een vogelsoort die in de regelende Lid-Staat niet levend voorkomt en in een andere Lid-Staat talrijk voorkomt en daar, in overeenstemming met de indeling van de betrokken soort in de categorie van de bijlagen II/1 en III/1 van de richtlijn 79/409/EEG en met de op grond daarvan toepasselijke nationale regeling van de andere Lid-Staat, zonder schending van aldaar geldend recht kon geschoten worden ."
(*) Oorspronkelijke taal : Nederlands .
( 1 ) Lagopus lagopus scoticus . In overeenstemming met het woordgebruik in de gemeenschapsrechtelijke bepalingen wordt behalve in dit citaat de benaming "moerassneeuwhoen" gebruikt .
( 2 ) PB 1979, L 103, blz . 1 .
( 3 ) In de schriftelijke opmerkingen noch ter terechtzitting werd in twijfel getrokken dat de betrokken vogel binnen het grondgebied van de Gemeenschap geen trekvogel is; zie Cramp & Simmons, Handbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa, deel II, 1980, blz . 391, op blz . 394 .
( 4 ) De zojuist geciteerde tekst van artikel 14 van de richtlijn bevat het werkwoord "treffen"; daaruit zou kunnen afgeleid worden dat alleen nieuw getroffen maatregelen of nieuw ingevoerde regels, niet gehandhaafde oude regels of maatregelen bedoeld worden .
( 5 ) Zie de rechtspraak geciteerd in voetnoot 12 .
( 6 ) PB 1982, L 384, blz . 1 .
( 7 ) Ibidem, blz . 7 .
( 8 ) Voor de kwalificatie van een absoluut verbod op het in de handel brengen en op de invoer van een produkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, zij verwezen naar het arrest van 23 februari 1988, zaak 216/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1988, blz . 793, r.o . 7 .
( 9 ) Dit brengt mee dat de rechtspraak van het Hof volgens hetwelk "milieubescherming" - een ander, soms ruimer begrip dan de in artikel 36 geviseerde "bescherming van ... de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten" - een overeenkomstig de "rule of reason" beschermenswaardig belang is ( zie arrest van 20 september 1988, zaak 302/86, Commissie/Denemarken, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, met verwijzing naar het arrest van 7 februari 1985, zaak 240/88, ABDHU, Jurispr . 1985, blz . 531 ), hier geen toepassing kan vinden . Zie ook hierna, voetnoten 10 en 11 .
( 10 ) De prejudiciële vraagstelling heeft uitsluitend betrekking op artikel 36 van het EEG-Verdrag voor zover dit de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren op het oog heeft, en aldus indirect de bescherming van het milieu . Ter terechtzitting ondervraagd over de relatie tussen beide beschermenswaardige belangen ( bescherming van gezondheid en leven en bescherming van het milieu, thans als objectief genoemd in artikel 100 A, lid 4, EEG-Verdrag ) heeft geen van de aanwezige partijen gepleit voor een autonome beoordeling van de onderzochte Nederlandse maatregel vanuit een oogpunt van milieubescherming . Een dergelijke beoordeling zou ervan uitgaan dat milieubescherming een rechtvaardigingsgrond is die ofwel nu reeds onder de woorden "bescherming van de gezondheid of het leven" in artikel 36 kan worden gebracht, ofwel ingevolge artikel 100 A, lid 4, aan de lijst van de daar genoemde rechtvaardigingsgronden moet worden toegevoegd . Maar ook dan moet uiteraard voldaan zijn aan de criteria van artikel 36, hetgeen in casu, zoals hierna zal blijken ( nr . 10 ) niet het geval blijkt te zijn . De bespreking van de vraag naar de draagwijdte van artikel 36 juncto artikel 100 A, lid 4, vanuit een oogpunt van mileubescherming, kan hier dus achterwege blijven . Zie ook voetnoot 11 .
( 11 ) Uit deze formulering blijkt dat de vraagstelling in dit concrete geval niet wezenlijk anders zou zijn indien niet de bescherming van het leven van vogels maar de bescherming van het milieu het onder artikel 36 beschermenswaardig belang zou zijn ( zie de vorige noot ): in het geval van een niet bedreigde en niet over de landsgrenzen heen trekkende vogelsoort, lijkt de rechtvaardigingsgrond "bescherming van het leven van dieren", waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de min of meer grote waarde van de betrokken vogelsoort voor het milieu, mij ten minste evenveel ruimte te laten voor overwegingen van milieubescherming als een specifieke op milieubescherming gerichte rechtvaardigingsgrond .
( 12 ) Arrest van 20 mei 1976, in zaak 104/75, de Peijper, Jurispr . 1976, blz . 613, r.o . 32 .
( 13 ) Arrest van 30 november 1983, zaak 227/82, Van Bennekom, Jurispr . 1983, blz . 3883, r.o . 35 .
( 14 ) Zie bij voorbeeld het arrest in zaak 104/75, hiervoor geciteerd, r.o . 21 en 22, en het arrest van 8 februari 1983 in zaak 124/81, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr . 1983, blz.203, r.o . 16 .
( 15 ) Zie bij voorbeeld het arrest van 22 maart 1983, zaak 42/82, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1983, blz . 1013, r.o . 55-57 .
( 16 ) Arresten van 16 december 1980, zaak 27/80, Fietje, Jurispr . 1980, blz . 3839, r.o . 12, eerste zin, en van 22 juni 1982, zaak 220/81, Robertson, Jurispr . 1982, blz . 2349, r.o . 12 .
( 17 ) Arrest van 10 maart 1983, zaak 172/82, Inter-Huiles, Jurispr . 1983, blz . 555, r.o . 14, laatste zin .
( 18 ) In dezelfde zin als deze alinea, de noot van J . H . Jans onder het arrest van de Afdeling Rechtspraak van de Nederlandse Raad van State, 20 maart 1984, Milieu en Recht, 1985, blz . 86, op blz . 89 .
( 19 ) Zoals hiervoor, nr . 2 in fine, aangestipt lijkt een dergelijke belangenafweging niet te hebben plaats gevonden nu de vraag of op de vogel in Nederland mag worden gejaagd daar niet rijst .
( 20 ) Jurispr.1988, blz . 4607 .
( 21 ) Zie het arrest van 31 januari 1984, zaak 40/82, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr . 1984, blz . 283, r.o . 14-21 . Ziehier een samenvatting van de redenering : gezien een bepaalde veeziekte de vorige zes jaar steeds minder voorkwam in de Gemeenschap, en de ertegen gebruikte inenting, die negatieve gevolgen zou kunnen hebben in het binnenland, niet zozeer op slachtdieren werd toegepast, was een absoluut invoerverbod voor het vlees van geslachte dieren vanuit Lid-Staten die inenting toepasten niet gerechtvaardigd . Zie voornamelijk het einde van r.o . 18, waar het Hof stelde dat zijn oordeel "in bepaalde categorieën van gevallen berustte op de afwezigheid van elk besmettingsgevaar" ( mijn cursivering ).
Top