Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 12 juni 1991. - ITALIAANSE REPUBLIEK TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - STAATSSTEUN AAN ALUMINIUMONDERNEMINGEN - INBRENG VAN KAPITAAL. - ZAAK C-261/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-04437
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met het onderhavige beroep vraagt de Italiaanse regering overeenkomstig artikel 173 EEG de vernietiging van beschikking 90/224/EEG van de Commissie van 24 mei 1989 inzake steunverlening door de Italiaanse regering aan Aluminia en Comsal, twee staatsondernemingen in de aluminiumindustrie (1) (hierna "de aangevochten beschikking"). De aangevochten beschikking van de Commissie is gesteund op artikel 93, lid 2, eerste alinea EEG-Verdrag en luidt als volgt:
"Artikel 1
De twee door de Italiaanse Regering ten behoeve van de ondernemingen Aluminia en Comsal genomen steunmaatregelen in de vorm van renteloze leningen die in aandelenkapitaal ten belope van, respectievelijk, 70 miljard en 30 miljard LIT, moeten worden geconverteerd, zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, omdat deze steunmaatregelen een inbreuk vormen op artikel 93, lid 3, van het Verdrag en op de in de beschikking van de Commissie van 17 december 1986 vervatte voorwaarden.
De Italiaanse Regering dient deze steunmaatregelen derhalve in te trekken en de betrokken bedragen van de begunstigde ondernemingen terug te vorderen.
De Italiaanse Regering mag deze beide leningen van, respectievelijk, 70 miljard en 30 miljard LIT niet in aandelenkapitaal converteren.
Artikel 2
De Italiaanse Regering moet de Commissie binnen twee maanden na datum van kennisgeving van deze beschikking in kennis stellen van de maatregelen welke zij heeft genomen om daaraan gevolg te geven. (...)"
Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring voert de Italiaanse regering in haar verzoekschrift en repliek aan dat, ten eerste, de financiële interventies die het voorwerp vormen van het onderhavige beroep binnen de enveloppe van de bij Commissiebeschikking van 17 december 1986 goedgekeurde steun vallen, ten tweede, dat de Commissie in de aangevochten beschikking deze interventies ten onrechte als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, heeft aangemerkt, en ten derde, dat de aangevochten beschikking gebrekkig gemotiveerd is omdat de Commissie niet is nagegaan of de voorwaarden voor de uitzonderingen op het staatssteunverbod van artikel 92, lid 3, sub c, vervuld waren. Tijdens de terechtzitting heeft de Italiaanse regering afstand gedaan van het eerst genoemde middel. Ik zal dit middel dan ook verder niet behandelen.
In wat volgt zal ik, na een korte schets van de feitelijke achtergrond (nrs. 2 tot en met 4), eerst de vraag bespreken of de in 1987 aan Aluminia en Comsal verleende renteloze, in aandelenkapitaal te converteren, leningen inderdaad, zoals de Commissie betoogt in de aangevochten beschikking, staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1 opleveren (nrs. 5 tot en met 13). Daarna zal ik nagaan of de aangevochten beschikking gebrekkig gemotiveerd is omdat de Commissie niet heeft onderzocht of de voorwaarden voor de uitzonderingen op het staatssteunverbod van artikel 92, lid 3, sub c, vervuld waren (nrs. 14 tot en met 16).
Feitelijke achtergrond
2. Met het oog op de economische gezondmaking van de noodlijdende aluminiumindustrie in staatseigendom, werkte de Italiaanse regering in de eerste helft van de jaren tachtig een plan uit voor de herstructurering van deze industrie. Dit herstructureringsplan (hierna: het aluminiumplan) voorzag voor de periode 1983-1988 in overheidssteun ten belope van 1 445 miljard LIT in de vorm van inbreng van nieuw kapitaal, subsidies en leningen met rentesubsidie. Met betrekking tot deze steun leidde de Commissie op respectievelijk 5 december 1984 en 20 november 1985 de procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag in. De Commissie was onder meer van oordeel dat het bedrag van de voorgenomen steun de behoeften van het aluminiumplan aanzienlijk overtrof. (2) Nadat de Italiaanse regering echter een reeks wijzigingen aan het aluminiumplan had aangebracht en in het bijzonder ermee had ingestemd de voorziene steun in de vorm van inbreng van nieuw kapitaal met 200 miljard LIT te verminderen (3), besloot de Commissie bij beschikking van 17 december 1986 (die aan de Italiaanse regering bij brief van 13 januari 1987 werd meegedeeld) de in 1984 en 1985 ingeleide procedures te beëindigen. Ze gaf daarbij haar goedkeuring aan steun, ten bedrage van 989 miljard LIT in de vorm van inbreng van nieuw kapitaal en 400 miljard LIT in de vorm van leningen met rentesubsidie, voor de aluminiumactiviteiten van de overheidsholding EFIM. (4) Ze gaf ook haar goedkeuring aan subsidies ten belope van 48,1 miljard LIT en een lening van 7,9 miljard LIT met rentesubsidie aan de te Bolzano gevestigde aluminiumsmelterij in staatseigendom. (5) De Commissie keurde deze in het aluminiumplan (1983-1988) voorziene steun evenwel enkel goed op de in de beschikking van 17 december 1986 uitdrukkelijk vermelde voorwaarde dat de Italiaanse regering tot eind 1988 geen verdere steun in welke vorm dan ook aan de staatsaluminiumindustrie zou toekennen.
3. Op 18 september 1987 gelastte de Italiaanse regering (bij besluit van de CIPE (6)) de overheidsholding EFIM om aan twee van haar dochtervennootschappen, Aluminia en Comsal, beide staatsondernemingen in de aluminiumindustrie, leningen ten belope van 100 miljard LIT toe te kennen. (7)
Deze leningen werden door de Italiaanse regering niet overeenkomstig artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag vooraf aan de Commissie aangemeld. Slechts in antwoord op een uitdrukkelijk verzoek van de Commissie, bracht de Italiaanse regering haar bij brief van 28 maart 1988 op de hoogte van de leningen en hun modaliteiten. De Italiaanse overheid benadrukte in dit schrijven vooral dat de twee leningen bestemd waren voor de financiering van investeringen: de lening aan Aluminia ten belope van 70 miljard LIT was bestemd voor de financiering van moderniseringsinvesteringen terwijl de lening aan Comsal ten belope van 30 miljard LIT bovendien bestemd was voor de financiering van investeringen voor de uitbreiding en de diversificatie van de produktie. Verder deelde de Italiaanse regering aan de Commissie mede dat de leningen een aflossingsvrije periode van vier jaar omvatten en zouden worden terugbetaald in de periode tussen 1991 en 1994. (8) De rente op beide leningen en de afbetalingen van de hoofdsom zouden voor rekening van de overheid komen, dermate dat de leningen bij elke aflossing in aandelenkapitaal ten voordele van EFIM zouden worden geconverteerd. (9)
4. Op grond van deze en uit openbare bronnen verkregen informatie besloot de Commissie in september 1988 met betrekking tot de leningen de procedure van artikel 93, lid 2, in te leiden. De Commissie overwoog dat de betaling van de volledige rente door de Staat duidelijk een geval van staatssteun opleverde (10), en dat de conversie van de beide leningen in aandelenkapitaal de inbreng van nieuw kapitaal vormde die in het licht van de omstandigheden wellicht elementen van staatssteun omvatte. (11) Op 24 mei 1989 werd de procedure van artikel 93, lid 2, besloten met de in het onderhavig geding aangevochten beschikking. Zoals blijkt uit het hierboven reeds aangehaalde gedeelte van de aangevochten beschikking, was de Commissie van oordeel dat de betrokken leningen inderdaad staatssteun opleverden die onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt omdat ze niet vooraf aan de Commissie was aangemeld en omdat ze een inbreuk vormde op de in de beschikking van 17 december 1986 vervatte voorwaarden en in het bijzonder met de voorwaarde tot einde 1988 geen verdere steun in welke vorm dan ook aan de staatsaluminiumindustrie toe te kennen. (12) De Commissie eiste van de Italiaanse regering dat deze de verleende steun van de begunstigde ondernemingen, Aluminia en Comsal, zou terugvorderen (13) en verbood uitdrukkelijk de leningen in aandelenkapitaal te converteren. (14)
Leveren de betrokken leningen staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag op?
5. Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring van de aangevochten beschikking voert de Italiaanse regering aan dat de Commissie onvoldoende en verkeerdelijk heeft gemotiveerd dat de renteloze, in aandelenkapitaal te converteren leningen staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag opleveren. De Italiaanse regering wijst er in het bijzonder op dat de Commissie bij haar beoordeling van de betrokken leningen enkel rekening heeft gehouden met de zeer benarde financiële en economische situatie van de begunstigde ondernemingen in de periode 1985-1987 en geen rekening heeft gehouden met de in 1988 geboekte resultaten. (15) De Italiaanse regering verwijt de Commissie ook bij de beoordeling van de betrokken leningen geen rekening gehouden te hebben met het feit dat de leningen niet bestemd waren om geleden verliezen te dekken maar zoals reeds vermeld om investeringen te financieren. In het geval van Aluminia waren die investeringen bedoeld om de produktie te moderniseren en kaderden ze in het door de Commissie goedgekeurde aluminiumplan. In het geval van Comsal waren de investeringen gericht op de modernisering, uitbreiding en diversificatie van de produktie en kaderden ze binnen een specifiek voor deze onderneming uitgewerkt herstructureringsplan. (16)
Door geen rekening te houden met deze feitelijke gegevens is de Commissie volgens de Italiaanse regering in de aangevochten beschikking ten onrechte tot het besluit gekomen dat een "particuliere investeerder" de betrokken leningen niet zou hebben toegestaan en deze leningen aldus staatssteun opleveren.
6. Bovendien werpt de Italiaanse regering op dat het door de Commissie gebruikte criterium van "de mogelijkheden voor de begunstigde ondernemingen om de betrokken bedragen op de particuliere kapitaalmarkt te verkrijgen" onverenigbaar is met het uit artikel 222 EEG-Verdrag afgeleide principe van gelijke behandeling van particuliere en overheidsondernemingen. De Italiaanse regering wijst erop dat particuliere ondernemingen die tot een belangrijke groep behoren, nieuwe middelen niet noodzakelijkerwijze op de kapitaalmarkt hoeven te zoeken maar beroep "kunnen" doen op de financiële middelen van de groep. Door toepassing van het bovenvermelde criterium onderwerpt men - aldus de Italiaanse regering - overheidsondernemingen die behoren tot een belangrijke groep aan een "test" waaraan particuliere ondernemingen die deel uitmaken van een belangrijke groep niet worden onderworpen, en wordt het principe van gelijke behandeling niet geëerbiedigd.
7. Deze laatste opwerping berust mijns inziens op een foutief begrip van dit criterium. Zoals het Hof reeds in zijn Meura en Boch II-arresten in duidelijke bewoordingen stelde en in latere rechtspraak bevestigde, houdt het criterium van de "mogelijkheden voor de begunstigde ondernemingen om de betrokken bedragen op de particuliere kapitaalmarkt te verkrijgen" in, dat met name "moet worden beoordeeld of een particuliere aandeelhouder in gelijkaardige omstandigheden (als diegene waaronder de overheid nieuw kapitaal inbracht) een dergelijke kapitaalinbreng zou hebben gedaan". (17) Het hierboven genoemde criterium valt dus samen met het criterium van de "particuliere investeerder". In zijn recent arrest van 21 maart 1991 in zaak C-305/89, Alfa Romeo, heeft het Hof dit criterium van de particuliere investeerder verduidelijkt. Het gedrag van de particuliere investeerder waaraan het gedrag van de overheid zal worden getoetst, is eigenlijk het gedrag van een privé-holding of groep van ondernemingen van gelijke grootte als de betrokken overheidsholding, die een structurele, globale of sectoriële politiek nastreeft en zich laat leiden door rentabiliteitsperspectieven over een langere termijn (r.o. 19 en 20). (18) Het Hof merkt uitdrukkelijk op dat de Commissie bij toepassing van dit criterium artikel 222 EEG-Verdrag geen geweld aandoet (r.o. 24).
8. In tegenstelling tot wat de Italiaanse regering betoogt en, zoals de Commissie in haar opmerkingen voor het Hof terecht opmerkt, is het bij de beoordeling van het steunkarakter van de betrokken leningen niet op zich van belang dat deze leningen bestemd zijn voor het financieren van investeringen of dat zij onderdeel zijn van een herstructureringsplan. Wat telt is te weten of een particuliere investeerder bereid zou zijn geweest nieuw kapitaal - in casu in de vorm van renteloze en in aandelenkapitaal te converteren leningen - in te brengen, rekening houdend met alle gegevens die hem toelaten zich een oordeel te vormen over de economische en financiële toestand van de onderneming (waaronder eventueel het bestaan van een geloofwaardig herstructureringsplan). (19) Het spreekt voor zich dat het antwoord op die vraag moet worden gegeven in het licht van de economische en financiële toestand waarin de begunstigde ondernemingen op het ogenblik van de steunverlening verkeren. Laten wij proberen de toestand op dat ogenblik te reconstitueren.
9. Toen in september 1987, EFIM de leningen aan Aluminia en Comsal toestond, was de economische en financiële situatie van beide ondernemingen benard. Uit de aangevochten beschikking blijkt dat Aluminia in 1985, 77,8 miljard LIT, in 1986, 57,5 miljard LIT en in 1987, 98,3 miljard LIT verlies leed. Over dezelfde jaren bedroeg de totale ondernemingsschuld in 1985, 943,3 miljard LIT, met andere woorden 155 % van de omzet, in 1986 bedroeg die schuld, 989,3 miljard LIT, hetgeen neerkomt op 153 % van de omzet, en in 1987, 1 189,8 miljard LIT, hetzij 133 % van de omzet. Comsal leed in 1985, 14,2 miljard LIT, in 1986, 10,2 miljard LIT en in 1987, 9,4 miljard LIT verlies. De totale ondernemingsschuld bedroeg in 1985, 53,1 miljard LIT, hetgeen neerkomt op 125 % van de omzet, in 1986, 68,2 miljard LIT, hetzij 156 % van de omzet, en in 1987, 72,8 miljard LIT, hetzij 142 % van de omzet. (20)
De Italiaanse regering betwist deze in de aangevochten beschikking genoemde cijfers niet maar - zoals reeds vermeld - werpt ze op dat er bij de beoordeling van het steunkarakter van de betrokken leningen ook rekening moet gehouden worden met de in 1988 geboekte resultaten. (21) De Commissie is het daarmee niet eens: zij stelt dat er bij de beoordeling van het steunkarakter enkel rekening mag gehouden worden met economische en financile gegevens die op het ogenblik van de steunverlening, dit is in september 1987, gekend waren.
De Commissie heeft het volgens mij bij het rechte eind. Aangezien de steun normalerwijze op voorhand had moeten zijn aangemeld bij de Commissie (wat hier niet gebeurd is) en het onderzoek van de Commissie dan betrekking zou hebben gehad op de op dat ogenblik bekende feiten, spreekt het mijns inziens vanzelf dat de Commissie bij onderzoek van niet aangemelde steun moet uitgaan van de toestand op het ogenblik van de steunverlening. Zou zij met latere, en inmiddels bekende gegevens rekening houden, dan zou zij Lid-Staten die de steun niet vooraf aanmelden bevoordelen. (22)
10. De Italiaanse regering voert echter aan dat de betere (of minder ongunstige) resultaten van 1988 reeds in september 1987, dat is op het ogenblik van de steunverlening, konden worden voorzien en dat, zoals door zowel de Commissie (23) als het Hof (24) herhaaldelijk werd erkend, een particuliere investeerder zich bij beslissingen omtrent de inbreng van kapitaal vooral zal laten leiden door de toekomstperspectieven van de onderneming en de te verwachten rentabiliteit van de ingebrachte middelen.
Deze opmerking van de Italiaanse regering lijkt mij in principe juist te zijn. Bij de toepassing van het criterium van de "particuliere investeerder" moet inderdaad rekening worden gehouden met de toekomstperspectieven van de betrokken onderneming. De vraag is echter of de verbetering in de prestaties van Aluminia en Comsal die zich in 1988 heeft afgetekend reeds in september 1987 kon worden voorzien èn, zo ja, of de toen te voorziene verbetering van die aard was dat ze een redelijke investeerder ertoe zou hebben aangezet om, ondanks de benarde financiële toestand van de ondernemingen, toch nieuw kapitaal in te brengen.
11. Het is uiteraard moeilijk om achteraf, bij het beoordelen van de rechtmatigheid van reeds verleende steun, aan te tonen wat wel en wat niet kon voorzien worden op het ogenblik van de steunverlening. Die moeilijkheid had zich niet voorgedaan indien de Italiaanse regering de steun tijdig had aangemeld, en aan de Commissie alle gegevens had verstrekt die haar zouden hebben toegelaten om zich op het geëigende ogenblik een oordeel te vormen over de toekomstperspectieven van Aluminia en Comsal. In een dergelijk geval van niet-aanmelding door de Lid-Staat en ofschoon de Commissie daardoor niet ontslagen is van een onderzoek van de steun ten gronde - een onderzoek dat zij in casu heeft doorgevoerd - rust de bewijslast aangaande de voorzienbaarheid, op het ogenblik van de steunverlening, van eventuele gunstige toekomstperspectieven op de betrokken Lid-Staat.
In casu was het dus aan de Italiaanse regering om in de loop van de administratieve procedure van artikel 93, lid 2, feitelijke elementen naar voren te brengen waarmee de Commissie dan rekening had kunnen houden bij het nemen van de thans aangevochten beschikking en waaruit op overtuigende wijze zou zijn gebleken dat de verbetering in de prestaties van Aluminia en Comsal die zich in 1988 heeft afgetekend reeds in september 1987 kon worden voorzien èn dat de toen te voorziene verbetering van die aard was dat een particuliere investeerder in deze verlieslatende ondernemingen nieuw kapitaal zou hebben ingebracht.
12. Uit de aan het Hof overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt dat de Italiaanse regering tijdens de procedure van artikel 93, lid 2, aan de Commissie informatie zou hebben verstrekt aangaande de voorzienbaarheid van gunstige toekomstperspectieven welke de steunverlening hadden kunnen verantwoorden in de ogen van een particuliere investeerder. Uit de aangevochten beschikking blijkt enkel dat verzoekster de Commissie in brieven van 31 januari 1989 en 17 maart 1989 heeft medegedeeld dat de staatsaluminiumindustrie, uitgezonderd Comsal, naar verwachting - voor het eerst in vele jaren - in 1988 3 miljard LIT winst zou boeken, terwijl het verwachte resultaat voor Comsal voor dat jaar een verlies van 4,6 miljard LIT zou opleveren. (25) Of deze resultaten ook reeds in september 1987 konden worden voorzien, wordt echter niet gezegd. In haar verzoekschrift noch haar repliek werpt de Italiaanse regering op dat ze de Commissie tijdens de procedure van artikel 93, lid 2, wel degelijk specifieke gegevens met betrekking tot de verbeterde toekomstperspectieven ter beschikking zou hebben gesteld. Op de terechtzitting werd door de Italiaanse regering wel verklaard dat er reeds in 1987 duidelijke tekenen van een nakende heropleving in de aluminiumsector konden worden waargenomen. Dit werd door de Commissie echter ontkend en de Italiaanse regering heeft geen gegevens overgelegd waaruit de juistheid van haar verklaring zou blijken.
Maar ook indien dit het geval zou zijn geweest, betekent zulks nog niet dat die te voorziene heropleving belangrijk en duurzaam genoeg zou zijn geweest om een particuliere investeerder ervan te overtuigen nieuw kapitaal in te brengen in sinds lang verlieslatende bedrijven. Het vooruitzicht op een louter cyclische heropleving van de sector volstaat daartoe niet. (26)
13. Op grond van het voorgaande kom ik dan ook tot het besluit dat door de Italiaanse regering niet werd aangetoond dat de Commissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de volgens de Italiaanse regering reeds in 1987 te voorziene verbetering in de prestaties van Aluminia en Comsal, en dat de Commissie derhalve terecht heeft geoordeeld dat de betrokken in aandelen te converteren leningen staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag opleverden.
Had de Commissie moeten onderzoeken of artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag in casu toepassing vindt?
14. Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring voert de Italiaanse regering ook nog aan dat de aangevochten beschikking gebrekkig gemotiveerd is omdat de Commissie niet heeft onderzocht of de verleende steun misschien op grond van artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag gerechtvaardigd was. De Italiaanse regering wijst erop dat de onder het aluminiumplan voorziene steun door de Commissie op grond van artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag werd gerechtvaardigd en dat de Commissie in haar beschikking van 17 december 1986 daaromtrent had gesteld dat het aluminiumplan een bijdrage leverde tot de algemene herstructurering van de aluminiumsector. (27) Welnu, ook de steun aan Comsal en Aluminia maakt deel uit, zo betoogt de Italiaanse regering, van deze herstructureringsinspanning. En toch heeft de Commissie, na tot het besluit te zijn gekomen dat de betrokken steun buiten de enveloppe van de reeds goedgekeurde steun viel, niet nagegaan of de steun aan Comsal en Aluminia, net als de steun voorzien onder het aluminiumplan, toch nog kon gerechtvaardigd worden op grond van artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag. De Italiaanse regering geeft toe dat de beschikking van 17 december 1986 een impliciet ongunstig oordeel omtrent de toelaatbaarheid van verdere steun inhield, maar is van mening dat de Commissie de betrokken steun niettemin had moeten onderzoeken in het licht van artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag. Ze voert hiertoe drie argumenten aan.
Ten eerste, zo betoogt de Italiaanse regering, is het niet de functie van beschikkingen genomen op grond van artikel 93, lid 2, eerste alinea, zoals de aangevochten beschikking, om vast te stellen dat verplichtingen die voortvloeien uit een vroegere beschikking, in casu de beschikking van 17 december 1986, niet zijn nagekomen. Voor zulke vaststelling moet de Commissie zich krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, rechtstreeks tot het Hof richten. Ten tweede, zo stelt de Italiaanse regering, legt de beschikking van 17 december 1986 haar geen verbod op verdere steun te verlenen maar verzoekt haar enkel zulks niet te doen. Ten derde, zo voegt zij eraan toe, kon de voornoemde beschikking onmogelijk een absoluut verbod op toekomstige steun inhouden. Elke nieuwe steun moet immers onderzocht worden in het licht van het doel van de steun en de economische en marktsituatie op het ogenblik van de steunverlening.
15. Vooraleer op deze argumenten in te gaan moet hier worden opgemerkt dat de Italiaanse regering tijdens de administratieve procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag op geen enkel moment heeft betoogd dat de steun aan Aluminia en Comsal in het licht van artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag moest worden onderzocht. Zij heeft toen evenmin feitelijke elementen aangevoerd die daartoe relevant en nuttig zouden zijn. Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet evenwel de wettigheid van een aangevochten beschikking worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf. (28) Dit volstaat reeds op zichzelf om te besluiten dat het hier besproken middel niet tot de nietigverklaring van de aangevochten beschikking kan leiden.
16. Toch wil ik de argumenten van de Italiaanse regering nog even kort bespreken en mij aansluiten bij een aantal door de Commissie gemaakte opmerkingen.
Wat het eerste argument betreft moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 93, lid 2, eerste alinea, het de bevoegdheid en de taak van de Commissie is om vast te stellen of een steunmaatregel volgens artikel 92 al dan niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en dat de Commissie bij dit onderzoek alle omstandigheden van feitelijke en juridische aard (zoals de beschikking van 17 december 1986) in overweging moet nemen. (29)
Wat het tweede argument betreft, dient men voor ogen te houden dat de beschikking van 17 december 1986 van de Commissie niet een negatieve beslissing is maar een voorwaardelijk positieve beslissing, welke om die reden de vorm aannam van een brief aan de Italiaanse minister van Buitenlandse zaken. In zulke brieven wordt uiteraard een diplomatiek taalgebruik gebezigd, hetgeen niet betekent dat het verzoek niet moet verstaan worden als een verbod steun te verlenen.
En wat het derde argument aangaat, is het zo dat enkel wanneer zich nieuwe feiten zouden hebben voorgedaan sinds de beschikking van 17 december 1986, de Commissie de steun aan Aluminia en Comsal in het licht van artikel 92, lid 3, sub c, EEG-Verdrag en niet meer in het licht van de voorwaarden neergelegd in de voornoemde beschikking, had moeten onderzoeken. De Italiaanse regering stelt terecht dat de beschikking van 17 december 1986 geen absoluut verbod op alle toekomstige steun kan inhouden. Er kunnen zich immers nieuwe feiten voordoen, in welk geval de geoorloofdheid van de steun in het licht van die nieuwe feiten zal moeten worden beoordeeld. In het voorliggende geval toont de Italiaanse regering echter helemaal niet aan dat er zich nieuwe feiten hebben voorgedaan. Bovendien had de Italiaanse regering - zelfs wanneer dit het geval zou zijn geweest - het verbod op verdere steun niet zomaar mogen negeren. Ze had ook dan nog de steun aan Aluminia en Comsal, met vermelding van de nieuwe feiten, aan de Commissie moeten aanmelden en de steun niet mogen verlenen voordat deze laatste zich over de geoorloofdheid van de steun had uitgesproken.
Besluit
17. Ik stel het Hof voor het verzoek tot nietigverklaring van de aangevochten beschikking te verwerpen en de Italiaanse regering te verwijzen in de kosten.
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) PB 1990, L 118, blz. 42.
(2) Aangevochten beschikking, deel I, eerste alinea.
(3) Zie: telex van de Italiaanse regering van 21 november 1986, bijlage II bij het verweerschrift.
(4) EFIM staat voor "Ente di partecipazionie al finanziamento delle industrie manifatturiere".
(5) Aangevochten beschikking, deel I, tweede en derde alinea.
(6) CIPE staat voor "Comitato interministeriale per la programmazione economica".
(7) Aangevochten beschikking, deel I, achtste alinea; zie ook bijlage 1 bij het verzoekschrift.
(8) Aangevochten beschikking, deel II, tweede alinea.
(9) Aangevochten beschikking, deel II, derde alinea.
(10) Aangevochten beschikking, deel IV, tweede alinea.
(11) Aangevochten beschikking, deel IV, derde, vierde en vijfde alinea.
(12) Artikel 1, eerste alinea, van de aangevochten beschikking.
(13) Artikel 1, tweede alinea, van de aangevochten beschikking.
(14) Artikel 1, derde alinea, van de aangevochten beschikking.
(15) Aluminia boekte in 1988 winst terwijl Comsal in 1988 haar verliezen halveerde in vergelijking met de in 1987 geleden verliezen. Zie ook hierna voetnoot 21.
(16) Verzoekschrift, blz. 7 en 8.
(17) Arrest van 10 juli 1986, zaak 234/84, België/Commissie (Meura), Jurispr. 1986, blz. 2263, r.o. 14; zie ook in het recente arrest van 21 maart 1990, zaak C-142/87, België/Commissie (Tubemeuse), Jurispr. 1990, blz. I-959, r.o. 29.
(18) Zie ook mijn conclusie van 10 januari 1991 in deze zaak, Jurispr. 1991, blz. I-4616, nrs. 11 en 12.
(19) Zie bij voorbeeld de hierboven reeds geciteerde arresten Meura, r.o. 15 en 16; Tubemeuse, r.o. 26 (en 29) en Alfa Romeo, r.o. 19 en 20 en arrest van 14 februari 1990, zaak C-301/87, Frankrijk/Commissie (Boussac), Jurispr. 1990, blz. I-307, r.o. 39 en 40 en arrest van 21 maart 1991, zaak C-303/88, Italië/Commissie (ENI-Lanerossi), Jurispr. 1991, blz. I-1433, r.o. 20 en 24.
(20) Aangevochten beschikking, deel IV, vierde alinea.
(21) Uit de aangevochten beschikking blijkt dat de Italiaanse regering tijdens de procedure van artikel 93, lid 2, namelijk begin 1989 (zie hierna, nr. 12), aan de Commissie had medegedeeld dat de staatsaluminiumindustrie, uitgezonderd Comsal, naar verwachting in 1988 3 miljard LIT winst zou boeken, terwijl het verwachte resultaat voor Comsal voor dit jaar een verlies van 4,6 miljard LIT zou opleveren (aangevochten beschikking, deel III, tweede alinea).
In haar verzoekschrift en repliek beperkte de Italiaanse regering zich ertoe te vermelden dat in 1988 zowel de staatsaluminiumindustrie in haar geheel als Aluminia winst maakten en Comsal haar verlies meer dan halveerde (verzoekschrift blz. 16 en repliek, blz. 14). Andere en/of meer nauwkeurige gegevens omtrent het herstel van de beide ondernemingen ontbreken.
Op de terechtzitting werd verklaard door de Italiaanse regering dat Aluminia in 1988 7 tot 8 miljard LIT winst zou gemaakt hebben.
(22) Ook in de zaak Alfa Romeo heeft het Hof bij de beoordeling van in 1985 en 1986 verleende steun geen rekening gehouden met de merkelijke heropleving van de automobielindustrie in de daaropvolgende jaren.
(23) Zie onder andere de aangevochten beschikking, deel IV, derde alinea en de mededeling van de Commissie aan de Lid-Staten van 17 september 1984, Bulletin EG, nr. 9-1984, punt 3.5.1.
(24) Zie bij voorbeeld het in voetnoot 17 reeds geciteerde arrest Meura, r.o. 14.
(25) Aangevochten beschikking, deel III, tweede alinea.
(26) Ook a posteriori is niet gebleken dat de door de Italiaanse regering aangekondigde heropleving daadwerkelijk tijdens de volgende jaren tot een duurzaam herstel van Aluminia en Comsal heeft geleid. Zoals reeds in voetnoot 21 vermeld, verklaarde de Italiaanse regering op de terechtzitting dat Aluminia in 1988 7 tot 8 miljard LIT winst zou gemaakt hebben, hetgeen weinig indrukwekkend is wanneer men overweegt dat in de periode 1982-1987 deze onderneming bijna 1 000 miljard LIT en in 1987 nog 98,3 miljard LIT verlies maakte.
(27) Elfde alinea van de beschikking van 17 december 1986, Bijlage I, bij het verweerschrift.
(28) Zie bij voorbeeld: het hierboven in voetnoot 17 reeds geciteerde arrest Meura, r.o. 16.
(29) Zie arrest van 25 juni 1970, zaak 47/69, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1970, blz. 487, r.o. 7.
Top