Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 14 maart 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK BELGIE. - REGELING INZAKE DETAILHANDELSPRIJZEN VAN TABAKSFABRIKATEN - ARTIKEL 30 EEG-VERDRAG. - ZAAK C-287/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02233
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De heffing van de accijns op sigaretten wordt in België verzekerd door de verplichting, op de sigarettenpakjes zogenoemde "fiscale bandjes" (banderollen) aan te brengen, waarop de detailhandelsprijs inclusief belasting is vermeld. De importeur of fabrikant, die de belasting voldoet op het moment van de bestelling van de banderollen bij de belastingadministratie, moet een verkoopprijs aangeven die binnen de bij een besluit van de minister van Financiën vastgestelde prijsschaal ligt.
2. Het is dit laatste punt dat tot het onderhavige geding aanleiding heeft gegeven. Toen namelijk de vennootschap Bene BV (hierna: "Bene") in België sigaretten wilde invoeren tegen een prijs beneden de laagste klasse op genoemde prijsschaal, weigerde men haar banderollen ter beschikking te stellen die de prijs vermeldden waartegen zij haar produkten wenste te verkopen. Na enig heen en weer diende zij ten slotte een klacht in bij de Commissie.
3. Deze heeft tegen het Koninkrijk België een beroep wegens niet-nakoming ingesteld, teneinde te doen vaststellen, dat de Belgische autoriteiten artikel 30 van het EEG-Verdrag hebben geschonden.
4. De Commissie stelt, dat het optreden van de Belgische autoriteiten er in de praktijk op neerkomt, dat een minimumkleinhandelsprijs voor sigaretten wordt opgelegd. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (1) nu zijn nationale maatregelen die zonder onderscheid op nationale en geïmporteerde produkten van toepassing zijn, op zich niet in strijd met artikel 30 EEG-Verdrag; zij worden dat echter wel, wanneer zij beletten dat de lagere kostprijs van de ingevoerde produkten tot uiting kan komen in de detailhandelsprijs.
5. Dat is volgens de Commissie in casu overduidelijk het geval. Ik ben het daarmee volkomen eens. Het Hof heeft namelijk in het bijzonder met betrekking tot de sector tabaksfabrikaten geoordeeld, dat het nationale prijsvormingsstelsel moet toelaten dat "het eventuele concurrentievoordeel voortvloeiende uit het feit dat de ingevoerde produkten een lagere kostprijs hebben dan de binnenlandse, wordt gerealiseerd" (2), en dat de vaststelling van prijzen door de nationale autoriteiten "de vrijheid tot het invoeren van tabak uit de andere Lid-Staten ((kan)) beperken" en dus in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag. (3)
6. Het lijkt mij derhalve niet nodig veel woorden aan deze zaak te wijden, temeer daar verzoeksters antwoord op de argumenten van verweerder mij volstrekt overtuigend lijkt. Ik zal daarom slechts twee van die argumenten bespreken en voor het overige naar de stellingname van de Commissie verwijzen.
7. Eerst het argument dat de Belgische regering ontleent aan richtlijn 72/464 van de Raad van 19 december 1972 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (PB 1972, L 303, blz. 1), zoals gewijzigd bij 's Raads richtlijnen 77/805 van 19 december 1977 (PB 1977, L 338, blz. 22) en 86/246 van 16 juni 1986 (PB 1986, L 164, blz. 26).
8. Deze richtlijn is vastgesteld op basis van de artikelen 99 en 100 EEG-Verdrag en strekt tot harmonisatie van de belastingen - andere dan de BTW - op het verbruik van tabaksfabrikaten, ten einde zowel een gezonde mededinging als het vrije verkeer van deze produkten binnen de Gemeenschap te verzekeren.
9. Waar de Commissie geen schending van deze richtlijn aanvoert, lijkt het op het eerste gezicht nutteloos over dat probleem te concluderen, doch verweerder betoogt in dupliek uitdrukkelijk, dat België artikel 30 van het Verdrag niet kan hebben geschonden, daar zijn handelwijze in overeenstemming was met artikel 5 van de richtlijn, dat luidt als volgt:
"1. De fabrikanten en importeurs stellen vrijelijk de maximumkleinhandelsverkoopprijzen van hun produkten vast. Deze bepaling mag echter geen beletsel vormen voor de toepassing van de wettelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake prijzencontrole of de inachtneming van de vastgestelde prijzen.
10. Onder verwijzing naar lid 2 verklaart de Belgische regering, dat de prijsschaal ruim genoeg is om aan de normale aanvragen te voldoen. Buiten het door de Commissie bedoelde geval zou zich namelijk nog nooit een probleem hebben voorgedaan.
11. Dit argument kan niet worden aanvaard. Volgens die bepaling immers moet elke prijsschaal "de verscheidenheid van de produkten uit de Gemeenschap metterdaad dekken", terwijl het er in het onderhavige geding juist om gaat, dat de Belgische prijsschaal aan de onderzijde niet voldoende prijsklassen omvat om ook voor de door Bene verhandelde produkten te passen.
12. Voorts moet erop worden gewezen, dat het tweede lid van artikel 5 kennelijk ondergeschikt is aan het eerste lid, waarin het algemene beginsel is neergelegd, dat de importeurs vrijelijk de maximumkleinhandelsprijzen van hun produkten vaststellen. De prijsschalen hebben immers geen ander doel dan de "vereenvoudiging van de accijnsheffing". Ten onrechte dus stellen de Belgische autoriteiten, dat op basis van lid 2 zou kunnen worden afgeweken van lid 1.
13. Het argument moet ten slotte ook worden verworpen voor zover het erop neerkomt, dat artikel 5 van de richtlijn een uitzondering zou vormen op artikel 30 van het Verdrag. Een bepaling van een richtlijn kan uiteraard niet in de plaats treden van een verdragsbepaling en kan evenmin aldus worden uitgelegd, dat zij een prijsstelsel toestaat dat in strijd is met de in 's Hofs rechtspraak met betrekking tot die verdragsbepaling ontwikkelde criteria.
14. Hoe dan ook heeft België naar mijn oordeel artikel 5 van de richtlijn niet geëerbiedigd en ik stel het Hof dan ook voor, ook deze niet-nakoming vast te stellen. De vaststelling dat een bepaalde praktijk niet alleen in strijd is met een verdragsbepaling, doch ook onverenigbaar is met een bepaling van een richtlijn, kan immers niet als een uitspraak "ultra petita" worden beschouwd.
15. De Belgische regering voert voorts aan, dat de bestreden regeling noodzakelijk is voor een gezonde mededinging op de sigarettenmarkt, en verklaart, dat de Belgische autoriteiten de banderollen hebben geweigerd, omdat Bene niet had aangetoond dat haar prijzen in overeenstemming waren met de wettelijke regeling betreffende de handelspraktijken. Daarbij denkt de Belgische regering waarschijnlijk aan de "eerlijkheid van de handelstransacties", die door het Hof in de zaak "Cassis de Dijon" (4) is aangemerkt als een dwingend vereiste dat de beperking van het vrije goederenverkeer kan rechtvaardigen.
16. Opgemerkt zij evenwel, dat wanneer een Lid-Staat het vrije goederenverkeer een beperking oplegt, hij moet kunnen aantonen dat die beperking door een van de in de rechtspraak erkende dwingende eisen is gerechtvaardigd. De Belgische autoriteiten beperken zich echter tot de verklaring, dat de aan het Hof meegedeelde kostprijs van Bene veel lager is dan die welke hun door andere sigarettenfabrikanten is opgegeven. Gesteld al dat dit zo is, dan zou dit nochtans op zich niet bewijzen, dat Bene met verlies verkoopt of zich aan andere oneerlijke mededingingspraktijken schuldig maakt.
17. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, vast te stellen dat het Koninkrijk België, door te weigeren aan een importeur van tabaksfabrikaten belastingbandjes te verstrekken met een lagere prijs dan de laagste prijsklasse op de door de minister van Financiën vastgestelde prijsschaal, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 30 EEG-Verdrag en 5 van richtlijn 72/464/EEG van de Raad van 19 december 1972 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten. Verweerder dient bijgevolg ook te worden verwezen in de kosten.
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) Zie bij voorbeeld het arrest van 24 januari 1978, zaak 82/77, Van Tiggele, Jurispr. 1978, blz. 25.
(2) Zie bij voorbeeld het arrest van 5 april 1984, gevoegde zaken 177/82 en 178/82, Kaveka, Jurispr. 1984, blz. 1797, r.o. 21.
(3) Arrest van 21 juni 1983, zaak 90/82, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1983, blz. 2011, r.o. 27.
(4) Arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649.
Top