Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 14 november 1990. - HEINRICH BALLMANN TEGEN HAUPTZOLLAMT OSNABRUECK EN BERTHOLD MENKHAUS. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: BUNDESFINANZHOF - DUITSLAND. - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-341/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-00025
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De onderhavige zaak betreft een prejudicieel verzoek om uitlegging van de begrippen "producent" en "bedrijf" in artikel 12, sub c en d, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten . ( 1 )
Zoals bekend, is bij artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 ( 2 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 856/84 ( 3 ), ter vermindering van de structurele overschotten in die sector, voor een periode van vijf jaar een extra heffing ingesteld over de hoeveelheden geleverde melk die een ( van de heffing vrijgestelde ) en volgens verordening nr . 857/84 vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden .
Voor een nadere uiteenzetting van de betrokken regeling verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting en ik begin onmiddellijk met een kort overzicht van de feiten die tot het hoofdgeding hebben geleid .
2 . Op grond van de betrokken gemeenschapsregeling werd aan Ballmann een referentiehoeveelheid toegekend, overeenkomende met de melkproduktie van ongeveer 40 koeien . Menkhaus kreeg een referentiehoeveelheid gelijk aan de melkproduktie van ongeveer 20 koeien; die referentiehoeveelheid was hem toegekend op basis van de hoeveelheid melk die hij in 1983 op zijn eigen, thans verouderd bedrijf had geproduceerd .
Bij overeenkomst van 15 juni 1987 verpachtte Ballmann, eigenaar van een landbouwbedrijf met 60 stalplaatsen voor koeien waarvan 20 in een nieuwe stal, die 20 stalplaatsen aan Menkhaus, die eveneens landbouwer en melkproducent is .
De bevoegde Oberfinanzdirektion liet met betrekking tot de pachtovereenkomst weten, dat Menkhaus niet meer als melkproducent in de zin van de betrokken gemeenschapsregeling kon worden beschouwd en dat diens melkproduktie derhalve aan de referentiehoeveelheid van Ballmann moest worden toegerekend .
Opgemerkt zij, dat die pachtovereenkomst onder meer bepaalt, dat partijen afzonderlijk zorgen voor het voederen, het melken, de bevruchting en de diergeneeskundige verzorging van hun respectieve koeien . Behalve de algemene voorzieningen van de stal, zou enkel de melkinstallatie gemeenschappelijk worden gebruikt . De aldus geproduceerde melk wordt evenwel in twee afzonderlijke tanks opgeslagen en de door ieder verkregen hoeveelheid wordt elektronisch gemeten .
Onder verwijzing naar de inhoud van de pachtovereenkomst stelde Ballmann bij het Finanzgericht beroep in tegen die beslissing van de Oberfinanzdirektion . Dit beroep werd verworpen op grond van de overweging, dat de pachter zich niet op zijn referentiehoeveelheid kan beroepen in het kader van het bedrijf van de verpachter .
Het Bundesfinanzhof, waarbij Ballmann "Revision" heeft ingesteld, heeft het Hof de onderhavige prejudiciële vragen voorgelegd . Deze zijn in wezen erop gericht te vernemen, of de begrippen producent en bedrijf in artikel 12, sub c en d, van verordening nr . 857/84 aldus moeten worden uitgelegd, dat een landbouwer-melkproducent die voor zijn koeien stalplaatsen heeft gepacht, de van die koeien verkregen melk moet toerekenen aan de referentiehoeveelheid van de verpachter die eveneens melkproducent is, dan wel aan zijn eigen referentiehoeveelheid, die hem is toegekend op basis van de hoeveelheid melk die hij op een hem in eigendom toebehorend bedrijf had geproduceerd, en of voor de beantwoording van die vraag rekening moet worden gehouden met de bepalingen van de pachtovereenkomst en/of met de feitelijke omstandigheden .
3 . Allereerst moet worden uitgemaakt, wie als producent van de melk van in een gepachte stal gehouden koeien moet worden aangemerkt .
Volgens de definitie van artikel 12, sub c, van verordening nr . 857/84 verwijst het begrip producent naar de landbouwexploitant ( natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen ) "die melk of andere zuivelprodukten rechtstreeks aan de consument verkoopt en/of levert aan de koper" en waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd . Dit begrip hangt evenwel nauw samen met het begrip bedrijf, dat in artikel 12, sub d, wordt omschreven als "het geheel van produktie-eenheden die door de producent worden beheerd en die op het geografische grondgebied van de Gemeenschap zijn gevestigd ".
Uit die definities blijkt, dat de hoedanigheid van producent toekomt aan ieder die een bedrijf, dat wil zeggen een geheel van produktie-eenheden, beheert en dat niet is vereist dat deze ook eigenaar van die produktie-eenheden is .
Die uitlegging is overigens in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, dat in zijn arrest van 13 juli 1989 ( 4 ) heeft verklaard, dat de verpachting van een bedrijf of een onderdeel daarvan het bestaan van een melk producerende of verhandelende onderneming in de zin van artikel 12 van verordening nr . 857/84 niet uitsluit, en die begrippen aldus op niet-restrictieve wijze heeft uitgelegd .
Bovendien heeft de Commissie er in haar opmerkingen terecht op gewezen, dat de uitlegging, als kan ook de pachter van produktie-eenheden een "producent" in de zin van de melkheffingsregeling zijn, in overeenstemming is met de feiten en met de geest van die regeling . Het stelsel van de melkquota heeft immers niet tot doel de melkproduktie volledig te doen verdwijnen, maar wel ervoor te zorgen dat die produktie - hoe klein zij ook is - technisch en structureel op de best mogelijke manier gebeurt .
4 . Nu is vastgesteld, dat ook de pachter als producent in de zin van de betrokken regeling kan worden beschouwd, behoeft enkel nog te worden onderzocht, of het in beginsel mogelijk is de in de produktie-eenheden van een andere landbouwer-melkproducent geproduceerde melk toe te rekenen aan de referentiehoeveelheid die aan de pachter is toegekend in het kader van een bedrijf waarvan deze laatste eigenaar is .
Het valt niet te ontkennen, dat de betrokken regeling een band legt tussen de referentiehoeveelheid en de grond . Zo bepaalt artikel 7, lid 1, van verordening nr . 857/84, dat in geval van verhuur van een bedrijf de overeenkomstige referentiehoeveelheid aan de huurder wordt overgedragen .
Gelijk de Commissie evenwel heeft opgemerkt, is dit beginsel bedoeld om een rem te zetten op een mogelijke "verhandeling" van de referentiehoeveelheden en op de speculatieve transacties waarmee zulks gepaard zou kunnen gaan .
Het beginsel van de band met de grond houdt evenwel niet in, dat de van de heffing vrijgestelde hoeveelheid moet worden geproduceerd met behulp van dezelfde produktie-eenheden als die waarmee de als basis voor de vaststelling van de referentiehoeveelheid genomen melkproduktie is verkregen . De betrokken hoeveelheden worden immers niet toegekend aan een bedrijf, maar aan een persoon, namelijk de producent; derhalve staat niets eraan in de weg, dat een referentiehoeveelheid wordt toegekend aan een pachter op basis van de hoeveelheid melk die deze - eventueel in het kader van een ander bedrijf - in een bepaald referentiejaar heeft geproduceerd .
Mitsdien ben ik van mening, dat de door een landbouwer in gepachte produktie-eenheden geproduceerde melk in beginsel kan worden toegerekend aan de referentiehoeveelheid die deze is toegekend op basis van de hoeveelheid melk die hij op hem in eigendom toebehorende stalplaatsen heeft geproduceerd, en zulks ook wanneer de verpachter eveneens een melkproducent is .
5 . Met betrekking tot de tweede vraag, namelijk onder welke concrete voorwaarden de pachter de door hem geproduceerde melk aan zijn referentiehoeveelheid kan toerekenen, moet allereerst worden gewezen op de band die artikel 12 tussen de melkproduktie en het bedrijf van de producent legt .
Zoals gezegd, onderstelt de hoedanigheid van producent dat de betrokkene het bedrijf zelfstandig beheert; dit houdt in beginsel in, dat voor de toepassing van die regeling een duidelijke scheiding van de door de verschillende producenten in één bedrijf geproduceerde hoeveelheden melk absoluut noodzakelijk is .
In geval van een pachtovereenkomst kan die scheiding moeilijkheden opleveren wanneer, zoals in casu, zowel de pachter als de verpachter melkproducent is . In dat geval moet naar de bepalingen van de pachtovereenkomst en naar de feitelijke omstandigheden van de produktie worden gekeken om te bepalen of de door de betrokkenen geproduceerde hoeveelheden melk duidelijk en effectief worden gescheiden .
Het staat uiteraard aan de nationale rechter dit aan de hand van een aantal objectieve criteria te beoordelen . Met andere woorden, vereist is, dat de pachter de gepachte produktie-eenheden daadwerkelijk zelfstandig en op eigen verantwoording beheert, en vooral dat de door hem geproduceerde hoeveelheid melk duidelijk wordt gescheiden van die van de verpachter en dus afzonderlijk wordt opgeslagen en geleverd .
6 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging, de vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt :
"Artikel 12, sub c en d, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 moet aldus worden uitgelegd, dat de hoeveelheid melk die door een landbouwer van zijn in gepachte produktie-eenheden gestalde koeien is verkregen, aan de referentiehoeveelheid van die pachter moet worden toegerekend wanneer deze laatste die produktie-eenheden op eigen verantwoording beheert en bovendien een duidelijke scheiding van de door de pachter en de verpachter geproduceerde hoeveelheden melk gewaarborgd is ."
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) PB 1984, L 90, blz . 13 .
( 2 ) Verordening nr . 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 148, blz . 13 ).
( 3 ) PB 1984, L 90, blz . 10 .
( 4 ) Zaak 5/88, Wachauf, Jurispr . 1989, blz . 2609 .
Top