Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 2 oktober 1990. - DANIELLE ROUX TEGEN BELGISCHE STAAT. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE PREMIERE INSTANCE DE LIEGE - BELGIE. - VERBLIJFSRECHT VAN GEMEENSCHAPSONDERDANEN. - ZAAK C-363/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-00273
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De onderhavige zaak betreft een prejudiciële verwijzing waarbij de Rechtbank van eerste aanleg te Luik het Hof vier vragen heeft gesteld over de uitlegging van een aantal bepalingen van het Verdrag en van het afgeleide recht betreffende het vrije verkeer van werknemers en het recht van vestiging, inzonderheid de artikelen 3, sub c, 7, 48 en volgende, en 52 en volgende EEG-Verdrag alsmede verordening ( EEG ) nr . 1612/68 ( 1 ) van de Raad en de richtlijnen 68/360/EEG ( 2 ), 73/148/EEG ( 3 ) en 64/221/EEG ( 4 ) van de Raad .
Die vragen, waartussen een nauwe samenhang bestaat, betreffen in wezen de aard van het recht van verblijf van gemeenschapsonderdanen die een economische activiteit verrichten in een andere Lid-Staat dan die van hun nationaliteit .
Het normatief kader van het onderhavige geschil is welbekend; ik beperk mij derhalve tot een kort overzicht van de feiten die tot deze procedure hebben geleid, en verwijs voor het overige naar het rapport ter terechtzitting .
2 . D . Roux, van Franse nationaliteit, kwam naar België, waar zij bij het gemeentebestuur van de stad Luik een verblijfsvergunning aanvroeg . Zij verklaarde, dat zij als zelfstandige dienster werkzaam was .
De dienst Vreemdelingenzaken wees die aanvraag af, op grond dat Roux niet als zelfstandige dienster werkzaam was, maar in ondergeschikt verband voor een werkgever werkte . Roux zou die werkzaamheid dus niet in overeenstemming met de geldende Belgische sociale wetgeving voor werknemers verrichten . Zij kreeg derhalve het bevel, het grondgebied te verlaten .
Roux kwam tegen deze beslissing op en vorderde in kort geding afgifte van een verblijfsvergunning en verbod om het uitwijzingsbesluit ten uitvoer te leggen .
3 . Daar de aangezochte rechter vaststelde, dat de Belgische autoriteiten niet betwisten dat Roux in België daadwerkelijk een economische werkzaamheid verricht, en dat er in dat land twee verschillende verblijfsvergunningen bestaan naar gelang de betrokkene die werkzaamheid in loondienst dan wel als zelfstandige verricht, heeft hij het Hof vier vragen gesteld, die kunnen worden samengevat als volgt :
"1 ) Is het recht van verblijf, en dus de afgifte van de desbetreffende vergunning, volgens de toepasselijke gemeenschapsregeling afhankelijk van de inachtneming van de nationale sociale-zekerheidsbepalingen? En vooral, kan de omstandigheid dat de betrokkene bij het sociale-zekerheidsstelsel voor zelfstandigen in plaats van bij dat voor werknemers is aangesloten, een besluit tot uitwijzing rechtvaardigen?
2 ) Staan de relevante artikelen van de richtlijnen 68/360 en 73/148 eraan in de weg, dat de Lid-Staten het verkrijgen van een verblijfsvergunning afhankelijk stellen van de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid?
3 ) Zijn de Lid-Staten ingevolge de toepasselijke gemeenschapsregeling gehouden een verblijfsvergunning af te geven wanneer vaststaat dat de betrokkene een economische werkzaamheid verricht, maar er onenigheid bestaat over de vraag, of de betrokkene die werkzaamheid als zelfstandige dan wel in loondienst verricht?
4 ) Mogen de Lid-Staten ingevolge die regeling de afgifte van een verblijfsvergunning aan een gemeenschapsonderdaan weigeren op grond dat de betrokkene zijn werkzaamheid niet in overeenstemming met de geldende sociale wetgeving verricht?"
4 . Het Hof heeft reeds meermaals de gelegenheid gehad zich hierover uit te spreken . De vragen van de verwijzende rechter, die, ik herhaal het, in wezen betrekking hebben op de aard van het recht van verblijf, kunnen derhalve gemakkelijk worden beantwoord aan de hand van deze vaste en omstandige rechtspraak .
Allereerst zij eraan herinnerd, dat het Hof in het bekende arrest Royer overwoog, dat "het recht van de onderdanen van een Lid-Staat om het grondgebied van een andere Lid-Staat binnen te komen en er te verblijven met de in het Verdrag genoemde oogmerken - met name om er al dan niet in loondienst een beroepsactiviteit te zoeken of uit te oefenen ... - rechtstreeks wordt toegekend door het Verdrag of, al naar het geval, door de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen ". ( 5 ) Volgens het Hof moet hieruit worden uitgeleid, dat het recht van verblijf wordt verkregen onafhankelijk van de afgifte van een verblijfsvergunning door de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat . De afgifte van de verblijfsvergunning is derhalve "niet te beschouwen als een rechtscheppende handeling, maar als een handeling waarbij een Lid-Staat de individuele positie van een onderdaan van een andere Lid-Staat ten opzichte van de bepalingen van het gemeenschapsrecht vaststelt ". ( 6 )
Het is dus overduidelijk, dat voor gemeenschapsonderdanen de verblijfsvergunning niet meer is dan de vaststelling dat zij een bepaald recht hebben omdat zij aan de daartoe gestelde voorwaarden voldoen .
5 . In het onderhavige geval wordt niet betwist, dat Roux in België een economische werkzaamheid verricht, en aangezien het recht van verblijf, gelijk het Hof herhaaldelijk heeft verklaard, uitsluitend afhankelijk is van de voorwaarde dat de betrokkene een binnen de werkingssfeer van de artikelen 48, 52 of 59 van het Verdrag vallende economische werkzaamheid verricht, geniet Roux volgens de toepasselijke gemeenschapsregeling dat recht ongeacht of zij die werkzaamheid als zelfstandige dan wel in loondienst verricht .
Derhalve moet worden nagegaan, of Roux voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van de verblijfsvergunning . Een in loondienst werkzame gemeenschapsonderdaan moet twee voorwaarden vervullen : hij moet bij het betreden van het grondgebied van een andere Lid-Staat een paspoort of een identiteitskaart bij zich hebben en hij moet een verklaring van zijn werkgever overleggen ( artikel 4 van richtlijn 68/360 ). Een zelfstandige moet een van bovengenoemde identiteitsbewijzen bij zich hebben en met om het even welk daartoe dienstig bewijsmiddel aantonen, dat hij als zelfstandige werkzaam is ( artikel 6 van richtlijn 73/148 ).
Er zijn geen andere voorwaarden en gelijk het Hof zelf met betrekking tot loontrekkenden heeft verklaard, zijn de Lid-Staten verplicht "de verblijfsvergunning af te geven aan eenieder die door passende documenten bewijst dat hij tot een der in artikel 1 dier richtlijn genoemde categorieën behoort ". ( 7 ) Dit geldt eveneens voor zelfstandigen die aan de voorwaarden van artikel 6 van genoemde richtlijn 73/148 voldoen .
In het onderhavige geval voldoen de door Roux overgelegde documenten aan de in bovengenoemde bepalingen gestelde voorwaarden voor afgifte van een verblijfsvergunning, ongeacht of deze haar werkzaamheid als zelfstandige dan wel in loondienst verricht .
6 . Gelet op het voorgaande kan zonder omwegen worden gezegd, dat de Lid-Staten geen andere documenten mogen verlangen of op enige wijze andere voorwaarden mogen stellen dan die welke in de betrokken gemeenschapsregeling worden vermeld .
Aan de hand van die vaststelling kunnen de eerste drie vragen van de verwijzende rechter volledig worden beantwoord . De omstandigheid, dat er in het onderhavige geval onenigheid bestaat over de kwalificatie van de door Roux verrichte werkzaamheid, is immers irrelevant voor de toepasselijke gemeenschapsregeling . De afgifte van de verblijfsvergunning, en a priori het recht van verblijf, kunnen niet afhankelijk worden gesteld van de inachtneming van nationale bepalingen betreffende de sociale zekerheid of betreffende andere materies en kan in het onderhavige geval dus niet worden bepaald door de omstandigheid, dat Roux is aangesloten bij het stelsel van sociale zekerheid voor zelfstandigen in plaats van bij dat voor werknemers . Waar het op aankomt, is dat Roux binnen de personele werkingssfeer van de betrokken gemeenschapsregeling valt en voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning .
7 . Met betrekking tot de vierde vraag van de verwijzende rechter, die in wezen erop is gericht te vernemen, welke sancties bij een eventuele niet-nakoming van de uit de nationale sociale wetgeving voortvloeiende verplichtingen kunnen worden opgelegd, moet allereerst worden opgemerkt, dat volgens de rechtspraak van het Hof, de eventuele sancties wegens niet-inachtneming van nationale bepalingen en procedures, die dus niet alleen voor onderdanen van een andere Lid-Staat maar ook voor de eigen onderdanen gelden, niet onevenredig mogen zijn .
Zij mogen inzonderheid niet van dien aard zijn, dat zij het vrije verkeer van werknemers belemmeren . ( 8 ) Het is derhalve uitgesloten, het recht van verblijf te ontzeggen aan een gemeenschapsonderdaan die binnen de werkingssfeer van de ter zake geldende regeling valt, en het is om die reden nog veel minder toegestaan een uitwijzingsbesluit te treffen . De niet-inachtneming van de nationale sociale-zekerheidsbepalingen kan immers slechts worden bestraft met soortgelijke maatregelen als die welke gelden voor eigen onderdanen die overtredingen van dezelfde aard begaan .
8 . Gelet op het voorgaande geef ik het Hof derhalve in overweging, de vragen van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik te beantwoorden als volgt :
"1 ) Het recht van verblijf en de afgifte van de desbetreffende vergunning zijn niet afhankelijk van de inachtneming van nationale sociale-zekerheidsbepalingen; de niet-inachtneming van dergelijke bepalingen door een door het gemeenschapsrecht beschermde werknemer kan op zichzelf geen grond voor een uitwijzingsbesluit opleveren .
2 ) Artikel 4 van richtlijn 68/360 en artikel 6 van richtlijn 73/148 verbieden de Lid-Staten, de afgifte van de verblijfsvergunning afhankelijk te stellen van de voorafgaande aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid .
3 ) De Lid-Staten zijn gehouden een verblijfsvergunning af te geven aan eenieder die aan de hand van de in de relevante gemeenschapsbepalingen genoemde documenten zijn recht van verblijf bewijst; voor de toepassing van het gemeenschaprecht is het niet noodzakelijk te bepalen of de betrokkene de werkzaamheid in loondienst dan wel als zelfstandige verricht .
4 ) Het is de Lid-Staten niet toegestaan, wegens de niet-inachtneming van nationale bepalingen en procedures betreffende de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid de afgifte van de verblijfsvergunning te weigeren of op enigerlei wijze onevenredige sancties op te leggen die het vrije verkeer van werknemers kunnen belemmeren ."
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap ( PB 1968, L 257, blz . 2 ).
( 2 ) Richtlijn 68/360/EEG van de Raad van 15 oktober 1968 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van de werknemers der Lid-Staten en van hun familie binnen de Gemeenschap ( PB 1968, L 257, blz . 13 ).
( 3 ) Richtlijn 73/148/EEG van de Raad van 21 mei 1973 inzake de opheffing van de beperkingen van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de Lid-Staten binnen de Gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten ( PB 1973, L 172, blz . 14 ).
( 4 ) Richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de cooerdinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid ( PB 1964, blz . 850 ).
( 5 ) Arrest van 8 april 1976, zaak 48/75, Royer, Jurispr . 1976, blz . 497, r.o . 31 tot en met 33 en in dezelfde zin de arresten van 14 juli 1977, zaak 8/77, Sagulo, Jurispr . 1977, blz . 1495 en 3 juli 1980, zaak 157/79, Pieck, Jurispr . 1980, blz . 2171 .
( 6 ) Arrest Royer, reeds aangehaald, Jurispr . 1976, blz . 513 .
( 7 ) Arrest Royer, reeds aangehaald, Jurispr . 1976, blz . 514, r.o . 37 .
( 8 ) In die zin laatstelijk het arrest van 12 december 1989, zaak C-265/88, Messner, Jurispr . 1989, blz . 4209 .
Top