Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 12 JULI 1990. - G. SPRONK TEGEN MINISTER VAN LANDBOUW EN VISSERIJ. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN - NEDERLAND. - LANDBOUW - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-16/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-03185
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Bijzondere voorwaarden voor producenten die plan voor ontwikkeling van melkproduktie hebben ingediend - Beoordelingsbevoegdheid van Lid-Staten om te voorzien in toekenning van specifieke referentiehoeveelheden - Grenzen - Vaststelling van toekenningsvoorwaarde aan hand van objectieve criteria - Toelaatbaarheid
( Verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad, artikel 3, sub 1 )
SamenvattingArtikel 3, sub 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 moet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten een beoordelingsbevoegdheid verleent om te voorzien in de toekenning van specifieke referentiehoeveelheden die van de extra heffing op melk zijn vrijgesteld, aan de producenten die een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend en wier plan na 1 januari 1981 is uitgevoerd . Wanneer een Lid-Staat besluit rekening te houden met de situatie van bepaalde in dit artikel bedoelde producenten, dient hij, hoewel de verwezenlijking van een ontwikkelingsplan de indiener van dit plan in geen geval recht verleent op referentiehoeveelheden, overeenkomende met de na de verwezenlijking van dit plan tot stand gekomen produktiecapaciteit, zonder dat zijn referentiehoeveelheden in voorkomend geval zouden kunnen worden verminderd, evenwel rekening te houden met enerzijds de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die de betrokken producenten hebben geleverd in het jaar waarin hun ontwikkelingsplan is voltooid, met dien verstande dat wanneer deze hoeveelheden niet representatief zijn voor de produktiecapaciteit die tot stand is gekomen na voltooiing van dit plan, de Lid-Staten ervoor moeten zorgen, dat zij in verband staan met de als gevolg daarvan ontstane produktiecapaciteit, en anderzijds het verbod van discriminatie tussen de betrokken producenten .
Dit artikel verzet zich niet tegen een ter uitvoering van voornoemde verordening vastgestelde nationale regeling die aldus is opgezet, dat
- producenten die investeringsverplichtingen hebben aangegaan, ongeacht of zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is gebeurd of niet, een specifieke referentiehoeveelheid kunnen verkrijgen,
- deze hoeveelheid wordt berekend op basis van een forfaitaire hoeveelheid die per nieuw ingerichte standplaats wordt toegekend,
- voor de berekening het aantal daadwerkelijk ingerichte standplaatsen wordt verminderd met 10 % of 20 %, al naar gelang het producenten betreft die met de melkproduktie beginnen, dan wel andere producenten, en
- de aldus na toepassing van bovengenoemde berekeningscriteria verkregen hoeveelheid wordt verlaagd met een derde of de helft, al naar gelang van het moment waarop de nieuwe standplaatsen in gebruik zijn genomen, met dien verstande dat deze verlaging die varieert naar gelang van de voorzienbaarheid van de invoering van de extra heffing bij de verwezenlijking van de investeringen, verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel dat voorop moet staan bij de uitvoering van het beleid om structurele zuiveloverschotten te beperken, en dat de verwezenlijking van de investeringen, zelfs wanneer zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is geschied, geen gewettigd vertrouwen kan wekken, op grond waarvan aanspraak kan worden gemaakt op specifieke referentiehoeveelheden die juist wegens die investeringen worden toegekend .
PartijenIn zaak C-16/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage, in het aldaar aanhangig geding tussen
G . Spronk
en
Minister van Landbouw en Visserij,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, sub 1, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door B . R . Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde;
- de Franse regering, vertegenwoordigd door E . Belliard, adjunct-directeur Economisch recht bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, en G . de Bergues, adjunct-hoofdsecretaris bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als plaatsvervangend gemachtigde;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . C . Fischer, juridisch adviseur, als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J . W . De Zwaan als gemachtigde, en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 27 maart 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 mei 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij uitspraak van 21 december 1988, ingekomen ten Hove op 23 januari 1989, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen G . Spronk, exploitant van een melkveehouderij ( verzoeker ), en de Nederlandse minister van Landbouw en Visserij ( hierna : de "minister van Landbouw ").
3 Blijkens de processtukken heeft de minister van Landbouw bij brief van 1 april 1985 het bezwaar ongegrond verklaard dat verzoeker had ingediend tegen het besluit van de directeur voor de landbouw en voedselvoorziening in de provincie Overijssel om verzoekers aanspraken op een referentiehoeveelheid, dat wil zeggen de levering van een hoeveelheid melk met vrijstelling van de extra heffing op melk, slechts gedeeltelijk te erkennen . Deze extra heffing is ingevoerd bij verordening ( EEG ) nr . 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 10 ). Het bestreden besluit is genomen op grond van artikel 11 van de beschikking van de minister van Landbouw van 18 april 1984, waarbij de extra heffing in Nederland ten uitvoer is gelegd .
4 Tot staving van het beroep tot nietigverklaring van dit besluit, dat hij voor het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage heeft ingesteld, betoogt verzoeker dat de bevoegde nationale autoriteiten hem in 1983 een rentesubsidie hadden toegekend voor de investeringen die noodzakelijk waren voor de verwezenlijking van het ontwikkelingsplan voor zijn bedrijf, dat hij bij hen had ingediend overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven ( PB 1972, L 96, blz . 1 ), waarmee zij hadden aanvaard dat zijn melkproduktie met een bepaald percentage zou toenemen . Bijgevolg acht hij bovengenoemde Nederlandse beschikking van 18 april 1984, op grond waarvan de bevoegde nationale autoriteiten een referentiehoeveelheid mogen toekennen die lager is dan de produktie die in het kader van het ontwikkelingsplan van het bedrijf is gerealiseerd, onverenigbaar met de bepalingen van vorengenoemde verordening nr . 857/84 van de Raad, die in artikel 3 juist voorziet in de mogelijkheid dat de Lid-Staten bij de berekening van de individuele referentiehoeveelheden rekening kunnen houden met de situatie van de producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend .
5 In deze omstandigheden heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Moet artikel 3, aanhef en onder 1, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad aldus worden verstaan en uitgelegd dat dit artikelonderdeel voor de Lid-Staten niet meer dan een bevoegdheid schept om bij de vaststelling van de individuele referentiehoeveelheden rekening te houden met de positie van producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG voor 1 maart 1984 een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend, waarbij het volledig ter beoordeling van de desbetreffende Lid-Staat is of, en zo ja op welke wijze, van die bevoegdheid gebruik zal worden gemaakt?
2 ) Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord en er enigerlei gehoudenheid van de Lid-Staten moet worden aangenomen om bij de vaststelling van de individuele referentiehoeveelheden rekening te houden met de positie van bedoelde producenten, kunnen omvang en aard van die gehoudenheid, voortvloeiend uit een juiste toepassing van dat artikelonderdeel, worden gepreciseerd?
3 ) Staat artikel 3, aanhef en onder 1, van meervermelde verordening, zoals bij de beantwoording van de vragen 1 en 2 door het Hof uitgelegd, toe dat een Lid-Staat voor producenten, die investeringsverplichtingen hebben aangegaan, een regeling vaststelt van het type zoals in de overwegingen van deze uitspraak beschreven, ook als de in die regeling vervatte beperkingen en voorwaarden tot gevolg hebben dat aan een aantal van de in vraag 1 bedoelde producenten geen specifieke referentiehoeveelheid wordt toegekend, dan wel een specifieke referentiehoeveelheid die de in het plan vermelde hoeveelheid - in voorkomend geval aanzienlijk - onderschrijdt?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, de bepalingen van gemeenschapsrecht en van de betrokken nationale wetgeving, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste en de tweede vraag
7 Gelet op de feiten van het hoofdgeding moeten de eerste en de tweede vraag, die te zamen dienen te worden onderzocht, aldus worden opgevat dat daarin wordt gevraagd of artikel 3, sub 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr . 857/84 de Lid-Staten de verplichting oplegt, aan de in deze bepaling bedoelde producenten specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen, dan wel of het de Lid-Staten ter zake een zekere beoordelingsmarge laat en, zo dit laatste het geval is, welke de grenzen zijn van deze beoordelingsbevoegdheid .
8 Bij verordening nr . 856/84 van 31 maart 1984 heeft de Raad een extra heffing ingesteld, die wordt geheven over de hoeveelheden geleverde melk die een voor elke Lid-Staat vastgestelde referentiehoeveelheid overschrijden . De heffing is verschuldigd hetzij door de melkproducent ( formule A ), hetzij door de koper van melk of andere zuivelprodukten, die deze doorberekent aan de producenten die hun leveranties hebben verhoogd, in evenredigheid met hun bijdrage tot de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper ( formule B ).
9 De wijze van berekening van de referentiehoeveeheid is vastgesteld bij verordening nr . 857/84 van de Raad . Krachtens artikel 2, lid 1, van deze verordening is de referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd of gekocht, verhoogd met 1 %. Volgens lid 2 van dit artikel kunnen de Lid-Staten evenwel bepalen dat op hun grondgebied de referentiehoeveelheid gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent, geleverd of gekocht gedurende het kalenderjaar 1982 of het kalenderjaar 1983, met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld, dat de gegarandeerde hoeveelheid voor de betrokken Lid-Staat niet wordt overschreden .
10 Om rekening te houden met bepaalde bijzondere situaties zijn afwijkingen van deze voorschriften voorzien in de artikelen 3, 4 en 4 bis van deze verordening . Artikel 3, sub 1, van verordening nr . 857/84 luidt als volgt :
" In het kader van de toepassing van de formules A en B wordt bij de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde referentiehoeveelheden rekening gehouden met bepaalde bijzondere situaties, zulks overeenkomstig de volgende bepalingen :
1 ) producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend dat vóór 1 maart 1984 is ingediend, kunnen overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat verkrijgen :
- indien het plan in uitvoering is : een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de in het ontwikkelingsplan vermelde hoeveelheden melk en zuivelprodukten;
- indien het plan na 1 januari 1981 is uitgevoerd : een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die zij hebben geleverd in het jaar waarin het plan is voltooid .
Indien de Lid-Staat over voldoende gegevens beschikt, kan ook rekening worden gehouden met de zonder ontwikkelingsplan verrichte investeringen ."
11 Vorengenoemde bepaling is reeds uitgelegd in het arrest van 11 juli 1989 ( gevoegde zaken 196/88 tot en met 198/88, Cornée, Jurispr . 1989, blz . 2309 ). In dat arrest heeft het Hof het eerste streepje van artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr . 857/84 voor het geval waarin het ontwikkelingsplan in uitvoering is, aldus uitgelegd, dat het de Lid-Staten een discretionaire bevoegdheid verleent om al dan niet specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen aan de in deze bepaling bedoelde producenten en om in voorkomend geval de omvang van deze specifieke referentiehoeveelheden vast te stellen ( r.o . 13 van het arrest ).
12 De Lid-Staten beschikken over een identieke discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het in het tweede streepje van deze bepaling bedoelde geval, waarin, zoals in het hoofdgeding, het ontwikkelingsplan na 1 januari 1981 is uitgevoerd .
13 Wanneer een Lid-Staat besluit gebruik te maken van de bevoegdheid uit dien hoofde specifieke referentiehoeveelheden toe te kennen, is zijn beoordelingsmarge bij de vaststelling van de hoogte van de referentiehoeveelheden evenwel beperkt door eisen die voortvloeien uit zowel de tekst van de betrokken bepaling, het met die bepaling nagestreefde doel als het discriminatieverbod .
14 In de eerste plaats moet volgens het tweede streepje van vorengenoemde bepaling de Lid-Staat "rekening houden" met de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die de betrokken producenten hebben geleverd in het jaar waarin hun ontwikkelingsplan is voltooid; met andere woorden, de toegekende referentiehoeveelheden moeten verband houden met deze leveringen . Zoals het Hof in r.o . 16 van genoemd arrest van 11 juli 1989 ( Cornée ) heeft verklaard, houdt het vereiste "rekening houden" evenwel niet in, dat een strikte evenredigheid in acht moet worden genomen tussen de geleverde hoeveelheden en de toe te kennen specifieke referentiehoeveelheden, zodat het de Lid-Staten vrij staat, de omvang van deze leveringen als voornaamste criterium te hanteren en daarnaast eveneens rekening te houden met andere objectieve criteria .
15 In de tweede plaats wordt, zoals het Hof eveneens in het arrest Cornée ( r.o . 12 ) heeft vastgesteld, met artikel 3, sub 1, eerste streepje, van verordening nr . 857/84 beoogd, te verzekeren dat de producenten die over een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie beschikken, dat is goedgekeurd onder de in richtlijn 72/159/EEG voorziene voorwaarden, de vruchten kunnen plukken van de investeringen die zij in het kader van de uitvoering van een dergelijk plan hebben gedaan . Wanneer, zoals in het geval in het hoofdgeding, de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die de betrokken producenten hebben geleverd in het jaar waarin het ontwikkelingsplan is voltooid, niet representatief zijn voor de produktiecapaciteit die is tot stand gekomen als gevolg van de verrichte investeringen, zijn de Lid-Staten, die met de uitvoering van de gemeenschapsregeling zijn belast, derhalve verplicht ervoor te zorgen, dat er een verband bestaat tussen de door hen toegekende specifieke referentiehoeveelheden en deze nieuwe produktiecapaciteit .
16 In een dergelijk geval lijkt het gerechtvaardigd, de specifieke hoeveelheden niet te berekenen op basis van de daadwerkelijke leveringen in de loop van het jaar waarin het plan is voltooid, maar op basis van de produktiecapaciteit van het bedrijf na voltooiing van het plan, bij voorbeeld door uit de hoogte van de leveringen na de voltooiing van het plan de leveringen voor het gehele betrokken kalenderjaar te extrapoleren . In geen geval verleent de verwezenlijking van een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie de indiener van dit plan echter een recht op referentiehoeveelheden, overeenkomende met de na de verwezenlijking van dit plan tot stand gekomen produktiecapaciteit, zonder dat zijn referentiehoeveelheden in voorkomend geval zouden kunnen worden verminderd . De betrokken verlagingen moeten evenwel worden vastgesteld op basis van objectieve criteria en met inachtneming van de doelstellingen van de toepasselijke gemeenschapsregeling .
17 Ten slotte zijn volgens vaste rechtspraak van het Hof, laatstelijk het arrest van 11 juli 1989 ( zaak Cornée, r.o . 14 ), de Lid-Staten verplicht om bij de uitvoering van een gemeenschappelijke landbouwmarktordening het in artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag vervatte verbod van discriminatie tussen producenten van de Gemeenschap te eerbiedigen . Wanneer een Lid-Staat dus specifieke referentiehoeveelheden toekent uit hoofde van de betrokken gemeenschapsregeling, moet de verdeling van deze referentiehoeveelheden op zodanige wijze worden geregeld, dat niet wordt gediscrimineerd tussen producenten van de Gemeenschap .
18 Uit het voorgaande volgt, dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 3, sub 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 aldus moet worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten een beoordelingsbevoegdheid verleent om te voorzien in de toekenning van specifieke referentiehoeveelheden aan de in deze bepaling bedoelde producenten . Wanneer een Lid-Staat besluit rekening te houden met de situatie van bepaalde in dit artikel bedoelde producenten, dient hij evenwel rekening te houden met :
- de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die de betrokken producenten hebben geleverd in het jaar waarin hun ontwikkelingsplan is voltooid, met dien verstande dat wanneer deze hoeveelheden niet representatief zijn voor de produktiecapaciteit die tot stand is gekomen na voltooiing van dit plan, de Lid-Staten ervoor moeten zorgen, dat zij in verband staan met de als gevolg daarvan ontstane produktiecapaciteit, en
- het verbod van discriminatie tussen de betrokken producenten .
De derde vraag
19 Met de derde vraag wenst de nationale rechter dat hem criteria aan de hand worden gedaan, waarmee hij kan beoordelen of de Nederlandse regeling ter uitvoering van artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr . 857/84 verenigbaar is met deze bepaling .
20 Uit de processtukken blijkt dat de betrokken Nederlandse regeling, te weten artikel 11 van de beschikking van de minister van Landbouw en Visserij van 18 april 1984, zoals gewijzigd, zakelijk weergegeven voorziet dat een bijzondere hoeveelheid kan worden toegekend aan producenten die investeringsverplichtingen hebben aangegaan in het kader van een ontwikkelingsplan, en aan producenten die dergelijke verplichtingen hebben aangegaan zonder een ontwikkelingsplan in te dienen, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen beide groepen producenten . In beide gevallen wordt de bijzondere hoeveelheid berekend door de hoeveelheid melk die is geleverd in de loop van het kalenderjaar voorafgaande aan het aangaan van de verplichtingen, te verhogen, en wel aldus dat in beginsel een forfaitaire hoeveelheid van 5 500 kg melk wordt toegekend voor elke nieuw ingerichte standplaats . Bij deze berekening wordt het aantal daadwerkelijk ingerichte standplaatsen verminderd met 20%, behalve voor producenten die met de melkproduktie beginnen : voor hen wordt een vermindering van 10% toegepast . Op de aldus verkregen hoeveelheid wordt een factor 1/2 of, in voorkomend geval, 2/3 toegepast, al naar gelang het moment waarop de nieuwe standplaatsen in gebruik zijn genomen .
21 Zo gezien moet de prejudiciële vraag aldus worden opgevat, dat daarin in wezen wordt gevraagd of artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr . 857/84 zich verzet tegen een nationale uitvoeringsregeling die aldus is opgezet dat :
- producenten die investeringsverplichtingen hebben aangegaan, ongeacht of zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is gebeurd of niet, een specifieke referentiehoeveelheid kunnen verkrijgen;
- deze hoeveelheid wordt berekend op basis van een forfaitaire hoeveelheid die per nieuw ingerichte standplaats wordt toegekend;
- voor de berekening het aantal daadwerkelijk ingerichte standplaatsen wordt verminderd met 10% of 20%, al naar gelang het producenten betreft die met de melkproduktie beginnen, dan wel andere producenten, en
- de aldus na toepassing van bovengenoemde berekeningscriteria verkregen hoeveelheid wordt verlaagd met een derde of de helft, al naar gelang van het moment waarop de nieuwe standplaatsen in gebruik zijn genomen .
22 In de eerste plaats vermeldt artikel 3, sub 1, tweede alinea, van verordening nr . 857/84 uitdrukkelijk de mogelijkheid, dat de Lid-Staten rekening kunnen houden met zonder ontwikkelingsplan verrichte investeringen, mits de betrokken Lid-Staat over voldoende gegevens ter zake beschikt .
23 Deze bepaling verzet zich dus niet tegen een nationale regeling die voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid producenten die investeringen hebben verricht zonder ontwikkelingsplan, gelijkstelt met producenten die in het kader van een dergelijk plan hebben geïnvesteerd, mits zeker wordt gesteld dat de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid aan de eerste categorie producenten gebaseerd is op voldoende gegevens om een beoordeling mogelijk te maken .
24 In de tweede plaats moet worden erkend, dat het aantal standplaatsen als representatief voor de produktiecapaciteit voor een bepaald bedrijf kan worden beschouwd . Men kan de Lid-Staten dus niet verbieden, om wille van administratieve vereenvoudiging de omvang van de toegekende specifieke hoeveelheden te relateren aan het aantal standplaatsen, zonder rekening te houden met de daadwerkelijk verwezenlijkte produktie, met dien verstande evenwel dat de forfaitaire hoeveelheid per standplaats moet worden bepaald met inachtneming van objectieve criteria, zoals bij voorbeeld de gemiddelde nationale produktie per standplaats .
25 In de derde plaats dient te worden beklemtoond, dat de Nederlandse regering voor het Hof heeft verklaard dat de verminderingen van 10% en 20% voor respectievelijk de producenten die met de melkproduktie beginnen, en de overige producenten, zijn voorzien omdat de produktie diende te worden bevroren op het in 1983 bereikte niveau, zulks met inachtneming van de beperkte omvang van de nationale reserve die was vastgesteld binnen het totale nationale quotum .
26 Een dergelijke regeling kan niet worden geacht de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid waarover de Lid-Staten ter zake beschikken, te overschrijden . Immers, zoals bij het onderzoek van de eerste en de tweede vraag is vastgesteld, beschikken de Lid-Staten over een beoordelingsbevoegdheid, niet alleen ter zake van het al dan niet toekennen van specifieke referentiehoeveelheden, als bedoeld in artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr . 857/84, maar eveneens met betrekking tot het vaststellen van de hoogte van deze hoeveelheden in het kader van hun gegarandeerde totale hoeveelheid .
27 Ten slotte gaat het hier om een nationale regeling waarin wordt voorzien dat de hoeveelheid die wordt verkregen na toepassing van de hiervoor beschreven berekeningscriteria, wordt verlaagd met eenderde of de helft, al naar gelang van het moment waarop de nieuwe standplaatsen in gebruik zijn genomen . Voor het Hof heeft de Nederlandse regering verklaard dat deze verlagingen in de Nederlandse regeling waren voorzien wegens het feit dat de invoering van de extra heffing meer voorzienbaar werd, waarbij overigens rekening werd gehouden met het beperkte volume dat beschikbaar was voor het toekennen van specifieke referentiehoeveelheden .
28 Een nationale regeling als hiervoor beschreven, waarin verlagingen worden voorzien die variëren naar gelang van de tijd die is verstreken tussen de verrichte investeringen op grond waarvan specifieke referentiehoeveelheden kunnen worden verleend, en de inwerkingtreding van de extra-heffingregeling, en dus naar gelang van de mate van voorzienbaarheid van de invoering van deze regeling, moet verenigbaar worden geacht met het evenredigheidsbeginsel, op grond waarvan het beoogde doel - in casu de beperking van de groei van de melkproduktie in een markt die wordt gekenmerkt door aanzienlijke structurele overschotten - op de minst beperkende wijze moet worden nagestreefd .
29 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het feit dat een dergelijke nationale regeling ertoe kan leiden dat aan een bepaald aantal producenten die investeringen hebben verricht, geen enkele specifieke referentiehoeveelheid wordt toegekend of althans dat de hun toegekende specifieke referentiehoeveelheid aanzienlijk lager is dan de produktiecapaciteit die na de verrichte investeringen tot stand is gekomen . Immers, de producent die investeringen heeft gedaan kan, zelfs wanneer zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is geschied, niet met een beroep op een gewettigd vertrouwen, ontleend aan de realisering van deze investeringen, aanspraak maken op een specifieke referentiehoeveelheid die juist wegens die investeringen wordt toegekend ( zie arrest van 11 juli 1989, r.o . 27 ).
30 Uit een en ander volgt dat op de derde vraag dient te worden geantwoord, dat artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 zich niet verzet tegen een ter uitvoering van deze verordening vastgestelde nationale regeling die aldus is opgezet, dat :
- producenten die investeringsverplichtingen hebben aangegaan, ongeacht of zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is gebeurd of niet, een specifieke referentiehoeveelheid kunnen verkrijgen;
- deze hoeveelheid wordt berekend op basis van een forfaitaire hoeveelheid die per nieuw ingerichte standplaats wordt toegekend;
- voor de berekening het aantal daadwerkelijk ingerichte standplaatsen wordt verminderd met 10% of 20%, al naar gelang het producenten betreft die met de melkproduktie beginnen, dan wel andere producenten, en
- de aldus na toepassing van bovengenoemde berekeningscriteria verkregen hoeveelheid wordt verlaagd met een derde of de helft, naar gelang van het moment waarop de nieuwe standplaatsen in gebruik zijn genomen .
Beslissing inzake de kostenKosten
31 De kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Nederlandse regering wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage bij uitspraak van 21 december 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 3, sub 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, moet aldus worden uitgelegd, dat het de Lid-Staten een beoordelingsbevoegdheid verleent om te voorzien in de toekenning van specifieke referentiehoeveelheden aan de in deze bepaling bedoelde producenten . Wanneer een Lid-Staat besluit rekening te houden met de situatie van bepaalde in dit artikel bedoelde producenten, dient hij evenwel rekening te houden met :
- de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die de betrokken producenten hebben geleverd in het jaar waarin hun ontwikkelingsplan is voltooid, met dien verstande dat wanneer deze hoeveelheden niet representatief zijn voor de produktiecapaciteit die tot stand is gekomen na voltooiing van dit plan, de Lid-Staten ervoor moeten zorgen, dat zij in verband staan met de als gevolg daarvan ontstane produktiecapaciteit, en
- het verbod van discriminatie tussen de betrokken producenten .
2 ) Artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 verzet zich niet tegen een ter uitvoering van deze verordening vastgestelde nationale regeling die aldus is opgezet, dat :
- producenten die investeringsverplichtingen hebben aangegaan, ongeacht of zulks in het kader van een ontwikkelingsplan is gebeurd of niet, een specifieke referentiehoeveelheid kunnen verkrijgen,
- deze hoeveelheid wordt berekend op basis van een forfaitaire hoeveelheid die per nieuw ingerichte standplaats wordt toegekend,
- voor de berekening het aantal daadwerkelijk ingerichte standplaatsen wordt verminderd met 10% of 20%, al naar gelang het producenten betreft die met de melkproduktie beginnen, dan wel andere producenten, en
- de aldus na toepassing van bovengenoemde berekeningscriteria verkregen hoeveelheid wordt verlaagd met een derde of de helft, al naar gelang van het moment waarop de nieuwe standplaatsen in gebruik zijn genomen .
Top