Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 13 DECEMBER 1990. - KONINKRIJK DER NEDERLANDEN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - EOGFL - BOTER - KWALITEITSCONTROLES. - ZAAK C-22/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-04799
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Boter in openbare opslag - Aankoop van boter bestemd voor openbare opslag - Proefperiode van opslag - Controle op houdbaarheid van boter - Controle te verrichten aan einde van proefperiode
( Verordening nr . 685/69 van de Commissie, artikel 6, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs . 1829/80 en 1836/86 )
2 . Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking betreffende goedkeuring van rekeningen van door EOGFL gefinancierde uitgaven
( EEG-Verdrag, artikel 190 )
Samenvatting1 . Gelet op het doel van artikel 6 van verordening nr . 685/69, waarbij een regeling is ingesteld voor de aankoop van voor openbare opslag bestemde boter door de interventiebureaus, welk doel erin bestaat de goede houdbaarheid van de boter vóór de definitieve overneming ervan door het interventiebureau te verzekeren en de koper de gevolgen te laten dragen van een abnormaal kwaliteitsverlies van de boter gedurende de proefperiode van opslag, mag de controle op de houdbaarheid van de opgeslagen boter niet vóór het einde van die proefperiode plaatsvinden .
2 . In de bijzondere context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen betreffende door het EOGFL gefinancierde uitgaven tot stand komen, is de motivering van een beschikking waarbij financiering door het EOGFL van een gedeelte van de gedeclareerde uitgaven wordt geweigerd, als voldoende te beschouwen, wanneer de betrokken Lid-Staat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend is met de redenen waarom de Commissie meent het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen .
PartijenIn zaak C-22/89,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J . W . de Zwaan en M . A . Fierstra, assistent juridisch adviseurs bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, 5, rue C . M . Spoo,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . C . Fischer als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 88/630/EEG van de Commissie van 29 november 1988 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1986 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven ( PB 1988, L 353, blz . 30 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida en M . Díez de Velasco, kamerpresidenten, F . A . Schockweiler, F . Grévisse, M . Zuleeg en P . J . G . Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 14 juni 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 november 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 30 januari 1989, heeft het Koninkrijk der Nederlanden krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 88/630/EEG van de Commissie van 29 november 1988 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1986 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw ( EOGFL ), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven ( PB 1988, L 353, blz . 30 ), voor zover bij die beschikking van financiering door het EOGFL is uitgesloten een bedrag van 1 624 796 HFL, door Nederland betaald voor de aankoop van boter bestemd voor openbare opslag, zulks op grond dat de controle van de kwaliteit van die boter vóór het einde van de proefperiode van twee maanden is verricht .
2 Verordening ( EEG ) nr . 685/69 van de Commissie van 14 april 1969 betreffende de uitvoeringsbepalingen van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room ( PB 1969, L 90, blz . 12 ), regelt de aankoop van voor openbare opslag bestemde boter door de interventiebureaus . Artikel 6, lid 1, van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 1836/86 van de Commissie van 12 juni 1986 ( PB 1986, L 158, blz . 57 ), bepaalt dat de boter wordt onderworpen aan een proefperiode van opslag . Deze proefperiode duurt twee maanden en vangt aan op de dag waarop de boter in het koelhuis wordt ingeslagen . Lid 2 van genoemd artikel, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 1829/80 van de Commissie van 11 juli 1980 ( PB 1980, L 178, blz . 22 ), bepaalt dat de verkoper bij zijn aanbieding zich ertoe verbindt, in geval van abnormaal kwaliteitsverlies van de boter deze terug te nemen, de eventueel reeds betaalde aankoopprijs van de ondeugdelijke waar terug te betalen en de opslagkosten te vergoeden .
3 Blijkens het dossier was het in Nederland gewoonte, de controle op de houdbaarheid van de boter niet na afloop van de proefperiode te verrichten, maar tegen het einde ervan .
4 De Commissie heeft zich in haar bestreden beschikking echter gebaseerd op de opvatting, dat de controle op de houdbaarheid van de aan de interventiebureaus geleverde boter niet mag plaatsvinden vóór de 60e dag na de inslag van de waar in het koelhuis .
5 Het bedrag dat niet ten laste van het EOGFL is gebracht, is gelijk aan 0,25 % van de totale uitgaven voor de hoeveelheden boter die vóór de 60e dag zijn gecontroleerd . Volgens de Commissie komt dit gedeelte van 0,25 % overeen met de hoeveelheden boter die in de Lid-Staten die de controles wel volgens de communautaire bepalingen verrichten, bij een tweede controle worden geweigerd .
6 In het syntheseverslag betreffende de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen over 1986 verwijst de Commissie naar de beknopte notulen van een vergadering, in 1985, van het beheerscomité voor melk en zuivelprodukten, waarin een verklaring van de Commissie is opgenomen, inhoudende dat de interventiebureaus de controles aan het einde van de proefperiode dienen te verrichten, en naar een interpretatieve nota van 18 maart 1986, waarin met betrekking tot artikel 6, lid 2, van verordening nr . 685/69 wordt gepreciseerd, dat de verkoper de opslagkosten dient te betalen indien de boter aan het einde van de proefperiode niet aan de gestelde kwaliteitseisen blijkt te voldoen .
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Het Koninkrijk der Nederlanden voert drie nietigheidsmiddelen aan, ontleend aan schending van respectievelijk de verordeningen nrs . 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( PB 1970, L 94, blz . 13 ) en 685/69 ( reeds aangehaald ), het rechtszekerheids - en het vertrouwensbeginsel en artikel 190 EEG-Verdrag betreffende de motiveringsplicht .
9 Met betrekking tot de schending van de verordeningen nrs . 729/70 en 685/69 betoogt het Koninkrijk der Nederlanden, dat bij letterlijke interpretatie van artikel 6 van laatstgenoemde verordening blijkt, dat de kwaliteitscontrole van de opgeslagen boter in de loop van de proefperiode moet plaatsvinden . Deze uitlegging zou bovendien stroken met de opzet van de bij die verordeningen ingestelde regeling, in zoverre de verkoper aan het einde van de proefperiode zekerheid moet hebben omtrent het lot van de transactie .
10 De Commissie repliceert, dat zowel naar de letter als naar de geest van artikel 6 van verordening nr . 685/69 de kwaliteitscontrole na afloop van de proefperiode dient plaats te vinden .
11 Dienaangaande kan worden vastgesteld, dat artikel 6 van verordening nr . 685/69 in lid 1 bepaalt, dat de boter wordt onderworpen aan een proefperiode van opslag van twee maanden, en in lid 2, dat de verkoper bepaalde verplichtingen op zich neemt voor het geval de boter tijdens de proefperiode een abnormaal kwaliteitsverlies ondergaat .
12 Artikel 6, lid 1, juncto lid 2, moet dus verzekeren, dat de boter, alvorens definitief door het interventiebureau te worden overgenomen, goed houdbaar is gebleken, en dat de consequenties van een tijdens de proefperiode opgetreden abnormaal kwaliteitsverlies ten laste van de verkoper komen .
13 Gelet op dit doel van artikel 6, mag de controle op de houdbaarheid van de opgeslagen boter niet vóór het einde van de proefperiode van twee maanden plaatsvinden .
14 In de tweede plaats betoogt het Koninkrijk der Nederlanden, dat de Commissie het rechtszekerheids - en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door eerst bij gelegenheid van de EOGFL-controles over het begrotingsjaar 1986 bezwaar te maken tegen de zowel in Nederland als in andere Lid-Staten bestaande praktijk om de kwaliteitscontrole vóór afloop van de proefperiode te verrichten . De houding van de Commissie zou ook de rechtszekerheid van de handelaar aantasten, die aan het einde van de proefperiode zekerheid moet kunnen hebben over het lot van de door hem aan het interventiebureau verkochte boter .
15 De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat na haar verklaring over de uitlegging van artikel 6, lid 1, van verordening nr . 685/69, tijdens de 726e vergadering van het beheerscomité voor melk en zuivelprodukten op 16 augustus 1985, en na de interpretatieve nota van 18 maart 1986 betreffende artikel 6, lid 2, van genoemde verordening, het Koninkrijk der Nederlanden wel degelijk kon weten, dat de houdbaarheid van de boter niet vóór het einde van de proefperiode mocht worden vastgesteld .
16 Wat het belang van de verkoper van de boter betreft, heeft de Commissie in haar verklaring van 1985 erop gewezen, dat de controles zo moeten worden georganiseerd, dat de verkoper geen aanzienlijke verlenging van de proefperiode wordt opgedrongen .
17 De eerbiediging van het gewettigd belang van de handelaar om zo snel mogelijk zekerheid te hebben over het lot van de transactie, kan evenwel geen reden zijn voor een uitlegging van verordening nr . 685/69, die de handelaar zou bevrijden van de verplichting om tot het einde van de proefperiode op te komen voor de nadelige gevolgen van een abnormaal kwaliteitsverlies van de opgeslagen boter .
18 Wat ten slotte het verwijt van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, dat de Commissie in het syntheseverslag haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd, zowel ten aanzien van de weigering op zich om bepaalde uitgaven voor te vroeg gecontroleerde boter ten laste van het EOGFL te brengen, als ten opzichte van het daarvoor gekozen gedeelte van 0,25 %, zij herinnerd aan de rechtspraak ( arrest van 27 januari 1981, zaak 1251/79, Italië/Commissie, Jurispr . 1981, blz . 205 ), volgens welke in de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen tot stand komen, de motivering van de beschikking als voldoende is te beschouwen wanneer de betrokken Lid-Staat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het litigieuze bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen .
19 In dit verband zij beklemtoond, dat het syntheseverslag van de Commissie betreffende de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen over 1986 uitdrukkelijk verwijst naar de notulen van de vergadering van het beheerscomité van 1985 en naar de interpretatieve nota van 1986, die aan Nederland bekend waren .
20 Wat het niet ten laste van het EOGFL gebrachte percentage van de betrokken uitgaven betreft, heeft de Commissie in het syntheseverslag uitdrukkelijk de redenen vermeld waarom zij aan 0,25 % van die uitgaven goedkeuring heeft onthouden .
21 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep moet worden verworpen .
Beslissing inzake de kostenKosten
22 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten van het geding .
Top