Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 22 OKTOBER 1991. - GEORG VON DEETZEN TEGEN HAUPTZOLLAMT OLDENBURG. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT HAMBURG - DUITSLAND. - EXTRA HEFFING OP MELK - ZAAK C-44/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-05119
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Berekening op basis van leveringen in jaar voorafgaande aan indiening van aanvraag voor premie voor niet-levering of omschakeling - Toepasselijk kortingspercentage - Keuze van percentage ten gevolge waarvan betrokken producenten worden gestraft - Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen - Schending
(Verordeningen van de Raad nr. 1078/77 en nr. 857/84, art. 3 bis, lid 2; verordening nr. 1546/88 van de Commissie)
2. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Niet overdraagbare hoeveelheid in geval van verkoop of verpachting van bedrijf - Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen - Beginsel van non-discriminatie - Eigendomsrecht - Schending - Afwezigheid
(Verordeningen van de Raad nr. 1078/77 en nr. 857/84, art. 3 bis, lid 4)
3. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van premieregeling voor niet in handel brengen of omschakeling - Toekenning van specifieke referentiehoeveelheid - Niet overdraagbare hoeveelheid in geval van verkoop of verpachting van bedrijf - Begrippen "verkoop" en "verpachting" - Uitzondering - Overgang door vererving of daarmee vergelijkbare wijze van overgang - Draagwijdte
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 3 bis, lid 4; verordening nr. 1546/88 van de Commissie, art. 7 bis, eerste alinea)
Samenvatting1. Artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 en aangevuld bij verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89, is ongeldig, voor zover het de in deze bepaling bedoelde specifieke referentiehoeveelheid voor melkproducenten die gedurende het referentiejaar geen melk hebben kunnen leveren wegens een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis, beperkt tot 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling.
2. Artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, dat met betrekking tot de specifieke referentiehoeveelheden die zijn toegekend aan melkproducenten die gedurende het referentiejaar geen melk hebben kunnen leveren wegens een uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis, bepaalt dat deze teruggaan naar de communautaire reserve in geval van verkoop of verpachting van het bedrijf vóór het einde van de achtste periode van toepassing van de regeling van de extra heffing op melk, is noch in tegenspraak met de bescherming van het gewettigd vertrouwen, noch met het verbod van discriminatie, noch met het eigendomsrecht.
Wat het gewettigd vertrouwen betreft, de betrokken producenten mochten er weliswaar op vertrouwen, dat zij na afloop van hun niet-leverings- of omschakelingsperiode weer melk zouden kunnen leveren, maar zij mochten er niet op vertrouwen, dat zij een voordeel als de toewijzing van een referentiehoeveelheid uit hoofde van de regeling inzake de extra heffing, dat juist was toegekend ten einde hen in staat te stellen hun beroepsactiviteiten te hervatten, zouden kunnen verhandelen.
Het verschil in behandeling van de betrokken producenten is niet discriminerend, omdat de weigering om hun de mogelijkheid te bieden, hun specifieke referentiehoeveelheden over te dragen, wordt gerechtvaardigd door het feit dat voorkomen dient te worden, dat dergelijke hoeveelheden worden toegekend aan landbouwers die niet van plan zijn de levering van melk duurzaam te hervatten, maar die uitsluitend financieel voordeel willen behalen door de handelswaarde die de referentiehoeveelheden in de tussentijd hebben verkregen, te gelde te maken.
Wat ten slotte het door de communautaire rechtsorde gewaarborgde eigendomsrecht betreft, dat hoe dan ook niet het recht omvat, een voordeel als de referentiehoeveelheden te verhandelen, dit streven om speculatieve overdrachten tegen te gaan, vormt een doel van algemeen belang, dat de beperking van het eigendomsrecht rechtvaardigt, zonder dat het daarom echter in zijn kern wordt aangetast, omdat de producent tegelijkertijd winst kan behalen uit zijn bedrijf en het samen met zijn referentiehoeveelheden kan overdragen aan zijn erfgenamen.
3. De begrippen "verkoop" en "verpachting" in de zin van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking hebben op iedere overdracht onder bezwarende titel van het recht van eigendom of het recht van gebruik van het bedrijf, met uitzondering van die gevallen waarin de overdracht plaatsvindt middels een "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89. Laatstgenoemd begrip moet aldus worden uitgelegd, dat het -ongeacht de juridische vorm van de overdracht - betrekking heeft op elke overdracht die rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een overgang door vererving. Het omvat met name transacties betreffende het betrokken bedrijf tussen een producent en zijn vermoedelijke erfgenaam, voor zover deze transactie, gelet op het doel en het voorwerp ervan, primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf door de vermoedelijke erfgenaam en niet op de verhandeling van de marktwaarde van het bedrijf door de erflater.
PartijenIn zaak C-44/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg, in het aldaar aanhangig geding tussen
G. von Deetzen
en
Hauptzollamt Oldenburg,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid en de uitlegging van enige gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake de extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, kamerpresident, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, F. Grévisse, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen, ingediend door:
- de Raad, vertegenwoordigd door A. Brautigam, lid van de juridische dienst, als gemachtigde,
- de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Booss als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoeker G. von Deetzen, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam, de Commissie, vertegenwoordigd door D. Booss en J.-J. Jaffrelot als gemachtigden, en de Raad ter terechtzitting van 30 april 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juni 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 19 december 1988, ingekomen bij het Hof op 20 februari 1989, naderhand vervangen door beschikking van 8 augustus 1989, ingekomen bij het Hof op 20 oktober 1989, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid en de uitlegging van enige bepalingen van de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing op melk.
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen G. von Deetzen, exploitant van een landbouwbedrijf (hierna: verzoeker), en het Hauptzollamt Oldenburg (hierna: verweerder) over een referentiehoeveelheid uit hoofde van de regeling inzake de extra heffing op melk.
3 Aan verzoeker was een niet-leveringspremie toegekend uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1), onder de voorwaarde dat hij gedurende een periode van vijf jaar, eindigend op 7 september 1985, geen melk of zuivelprodukten zou produceren.
4 Na afloop van deze periode diende verzoeker bij verweerder een aanvraag in om toekenning van een referentiehoeveelheid van 190 665 kg melk overeenkomstig de inmiddels ingevoerde regeling inzake de extra heffing op melk. De aangevraagde hoeveelheid kwam overeen met de hoeveelheid die als grondslag had gediend voor de berekening van de niet-leveringspremie. De aanvraag werd afgewezen op grond dat krachtens de destijds geldende gemeenschapsregeling verzoeker geen referentiehoeveelheid mocht worden toegekend, aangezien hij op het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe regeling geen melk of zuivelprodukten had geleverd.
5 In het kader van verzoekers beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag stelde het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 26 juni 1986 het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag over de geldigheid van de gemeenschapsregeling inzake de extra heffing op melk, die werd beantwoord in het arrest van 28 april 1988 (zaak 170/86, von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355). Zowel in dit arrest als in het arrest van dezelfde datum in zaak 120/86 (Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321) verklaarde het Hof voor recht, dat de betrokken regeling ongeldig was wegens schending van het vertrouwensbeginsel, voor zover zij niet voorzag in toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten die, ter uitvoering van een op grond van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis, gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd.
6 Naar aanleiding van deze arresten aanvaardde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1989, L 84, blz. 2). Bij deze verordening werd in verordening nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 13) een artikel 3 bis ingevoegd, waarin in wezen wordt bepaald dat producenten die, ter uitvoering van een op grond van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenis, in het referentiejaar geen melk hebben geleverd, onder bepaalde omstandigheden een specifieke referentiehoeveelheid ontvangen. Volgens artikel 3 bis, lid 2, is de specifieke referentiehoeveelheid gelijk aan 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling. Krachtens artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, gaat deze specifieke referentiehoeveelheid echter terug naar de communautaire reserve, wanneer het bedrijf vóór het einde van de achtste toepassingsperiode, dat wil zeggen vóór 1 april 1992, wordt verkocht of verpacht.
7 De nadere voorschriften voor de toepassing van deze regeling zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1989, L 110, blz. 27). Bij deze verordening werd in verordening nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 (PB 1988, L 139, blz. 12) een artikel 7 bis ingevoegd, waarin onder meer wordt bepaald, dat in geval van overgang van een bedrijf door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang de volgens artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 toegewezen specifieke referentiehoeveelheid wordt overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op voorwaarde dat deze zich ertoe verbindt de door zijn voorganger aangegane verbintenissen na te leven.
8 Op grond van deze nieuwe regeling herzag verweerder zijn oorspronkelijke afwijzende beschikking en wees hij verzoeker een specifieke referentiehoeveelheid van 114 399 kg melk toe, dat wil zeggen 60% van de aangevraagde hoeveelheid van 190 665 kg.
9 Onder deze omstandigheden heeft het Finanzgericht Hamburg zich bij beschikking van 19 december 1988, naderhand vervangen door beschikking van 8 augustus 1989, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag opnieuw tot het Hof van Justitie gewend en de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Zijn verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, en de daarop gebaseerde verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 geldig, voor zover de specifieke referentiehoeveelheid volgens artikel 3 bis, lid 2, gelijk is aan slechts 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent, die als grondslag heeft gediend voor de niet-leverings- of omschakelingspremie?
2) Is artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van de hiervoor genoemde verordening geldig, volgens hetwelk de specifieke referentiehoeveelheid naar de communautaire reserve teruggaat, wanneer het bedrijf vóór het einde van de achtste toepassingsperiode van de extra-heffingsregeling wordt verkocht of verpacht?
3) Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord:
a) Moet het begrip verkoop in de zin van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89, aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook moet worden verstaan de inbreng van het bedrijf in een vennootschap naar burgerlijk recht, waarin de producent deelneemt, aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt?
Is er sprake van verkoop, indien degene die zijn bedrijf heeft ingebracht, door zijn overlijden of om andere redenen de vennootschap verlaat en zijn aandeel in de vennootschap bij de overige vennoten aanwast?
b) Hoe dient het begrip "een (met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89, te worden uitgelegd? Valt onder dit begrip met name ook de verpachting van het bedrijf aan een persoon die ingeval van wettelijke erfopvolging erfgenaam is van de producent aan wie een specifieke referentiehoeveelheid toekomt?"
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de betrokken gemeenschapsregeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
11 De eerste vraag strekt er in wezen toe te vernemen, of artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 van de Raad en aangevuld bij verordening nr. 1546/88 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89 van de Commissie, geldig is, voor zover het de in deze bepaling bedoelde specifieke referentiehoeveelheid beperkt tot 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling.
12 In de arresten van 11 december 1990 (zaak C-189/89, C-189/89, Spagl, Jurispr. 1990, blz. I-4539, r.o. 30, en zaak C-217/89, Pastaetter, Jurispr. 1990, blz. I-4585, r.o. 21) heeft het Hof voor recht verklaard, dat "artikel 3 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, ongeldig is, voor zover het de in deze bepaling bedoelde specifieke referentiehoeveelheid beperkt tot 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling".
13 In de overwegingen van deze arresten heeft het Hof in wezen vastgesteld, dat een kortingspercentage van 40% voor de onder artikel 3 bis vallende producenten, dat bij lange na niet overeenkomt met een representatieve waarde van de percentages voor de producenten die gedurende het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar melk hebben geleverd, doch meer dan tweemaal zo hoog is als het hoogste van deze percentages, een beperking moet worden geacht, die de eerstgenoemde categorie van marktdeelnemers juist wegens hun verbintenis tot niet-levering of omschakeling bijzonder benadeelt. De 60%-regel schendt dus het gerechtvaardigde vertrouwen van de betrokken producenten, dat hun verplichtingen van beperkte aard zouden zijn, en moet derhalve ongeldig worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel (arrest Spagl, r.o. 24 en 29; arrest Pastaetter, r.o. 15 en 20).
14 Deze overwegingen gelden ook voor verordening nr. 1546/88 van de Commissie, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89 van de Commissie, voor zover daarin uitvoering wordt gegeven aan artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84 van de Raad.
15 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 en aangevuld bij verordening nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989, ongeldig is, voor zover het de in deze bepaling bedoelde specifieke referentiehoeveelheid beperkt tot 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling.
De tweede vraag
16 De tweede vraag heeft betrekking op de geldigheid van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 van de Raad.
17 Ingevolge deze bepaling gaat de volgens artikel 3 bis, leden 1 tot en met 3, toegekende specifieke referentiehoeveelheid terug naar de communautaire reserve, wanneer het bedrijf vóór het einde van de achtste periode van toepassing van de regeling van de extra heffing wordt verkocht of verpacht. Wordt echter slechts een gedeelte van het bedrijf verkocht of verpacht, dan gaat alleen het gedeelte van de specifieke referentiehoeveelheid dat overeenkomt met de verkochte of verpachte oppervlakte voedergewassen, terug naar de communautaire reserve.
18 In zijn verwijzingsbeschikking uit de nationale rechter twijfels omtrent de geldigheid van deze regeling, omdat hierdoor de betrokken producenten worden benadeeld ten opzichte van andere melkproducenten, voor wie de overgang van het bedrijf niet tot gevolg heeft dat hun referentiehoeveelheid op dergelijke wijze vervalt, en omdat de onmogelijkheid om de specifieke referentiehoeveelheid aan de koper of pachter over te dragen, voor de betrokken producent een aanzienlijk vermogensverlies kan betekenen. De nationale rechter wijst er verder op dat in de overwegingen van de considerans van verordening nr. 764/89 een motivering voor de betrokken bepalingen ontbreekt.
19 Verordening nr. 764/89, waarbij de onderhavige bepaling is ingevoerd, is vastgesteld om de gemeenschapsregeling in overeenstemming te brengen met de arresten Mulder en von Deetzen (reeds aangehaald). Derhalve dient de geldigheid van deze bepaling in de eerste plaats te worden onderzocht met inachtneming van het in deze arresten toegepaste vertrouwensbeginsel.
20 In genoemde arresten heeft het Hof van Justitie enerzijds vastgesteld, dat een ondernemer die zijn produktie gedurende een zekere tijd vrijwillig heeft gestaakt, niet mag verwachten dat hij die produktie op dezelfde voorwaarden als voorheen zal kunnen hervatten, of dat eventueel in tussentijd vastgestelde markt- of structuurpolitieke regels voor hem niet zullen gelden (arrest Mulder, r.o. 23; arrest von Deetzen, r.o. 12). Anderzijds heeft het echter overwogen, dat een ondernemer die door een gemeenschapshandeling is aangemoedigd om in het algemeen belang en tegen betaling van een premie gedurende een beperkte periode geen melk in de handel te brengen, gerechtigd is te verwachten, dat hij na afloop van zijn verbintenis niet gesteld zal worden voor beperkingen die hem in het bijzonder treffen juist omdat hij gebruik heeft gemaakt van door die gemeenschapsregeling geboden mogelijkheden (arrest Mulder, r.o. 24; arrest von Deetzen, r.o. 13).
21 Artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, brengt voor de betrokken producenten niet zulke bijzondere beperkingen mee die onverenigbaar zijn met de vereisten van de bescherming van hun gerechtvaardigd vertrouwen. Hoewel deze producenten er namelijk op mochten vertrouwen, dat zij na afloop van hun niet-leverings- of omschakelingsperiode weer melk zouden kunnen leveren en deze activiteit onder zodanige voorwaarden zouden kunnen uitoefenen, dat zij niet werden gediscrimineerd ten opzichte van andere melkproducenten, mochten zij er niet op vertrouwen dat in een gemeenschappelijke marktordening hun een niet uit hun beroepsactiviteit voortvloeiend commercieel voordeel zou worden toegekend. Deze producenten mochten er derhalve niet op vertrouwen, dat zij een voordeel als de toewijzing van een referentiehoeveelheid uit hoofde van de regeling inzake de extra heffing, zouden kunnen verhandelen, terwijl dit voordeel juist was toegekend ten einde hen in staat te stellen hun beroepsactiviteiten te hervatten.
22 De omstandigheid dat de betrokken producenten hun specifieke referentiehoeveelheid niet kunnen overdragen aan de koper of pachter van het bedrijf in kwestie, maakt derhalve geen inbreuk op het gerechtvaardigd vertrouwen van die producenten dat de gevolgen van de regeling voor niet-levering of omschakeling waaraan zij zich onderwierpen, slechts een beperkte draagwijdte zouden hebben. Er is derhalve geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.
23 In de tweede plaats moet worden onderzocht, of de gewraakte regeling inbreuk maakt op het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie tussen producenten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie met name het arrest van 25 november 1986 in de gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klensch e.a., Jurispr. 1986, blz. 3477, r.o. 9) is dit verbod enkel een bijzondere uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat één der grondbeginselen van het gemeenschapsrecht is. Ingevolge dit beginsel mogen vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is.
24 In casu wordt de weigering om aan producenten die een specifieke referentiehoeveelheid hebben ontvangen uit hoofde van de bestreden bepaling, de mogelijkheid te bieden, deze referentiehoeveelheid over te dragen aan de koper of pachter van hun bedrijf, terwijl die mogelijkheid wel wordt geboden aan producenten die referentiehoeveelheden hebben ontvangen uit hoofde van andere bepalingen van de gemeenschapsregeling, gerechtvaardigd door de noodzaak om te beletten dat de eerstgenoemde categorie van producenten een specifieke referentiehoeveelheid aanvraagt niet met het doel om de levering van melk duurzaam te hervatten, maar om uit deze toewijzing een louter financieel voordeel te behalen, door de handelswaarde die de referentiehoeveelheden in de tussentijd hebben verkregen, te gelde te maken.
25 Dit verschil in behandeling is dus objectief gerechtvaardigd en kan derhalve niet als discriminerend in de zin van de rechtspraak van het Hof worden beschouwd.
26 In de derde plaats moet worden nagegaan, of de gewraakte regeling inbreuk maakt op het eigendomsrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie met name het arrest van 11 juli 1989, zaak 265/87, Schraeder, Jurispr. 1989, blz. 2237, r.o. 15) behoort dit recht tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.
27 Dienaangaande dient allereerst te worden opgemerkt, dat het aldus in de communautaire rechtsorde gewaarborgde eigendomsrecht niet het recht omvat, een voordeel als de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening toegekende referentiehoeveelheid te verhandelen, welk voordeel noch uit het eigendom noch uit de beroepsactiviteit van de betrokkene voortvloeit.
28 Voor zover voorts is opgemerkt, dat eventuele, door de betrokken producenten in hun bedrijf gedane investeringen hun waarde zouden kunnen verliezen, indien de referentiehoeveelheid niet tegelijk wordt overgedragen met het bedrijf waaraan zij is gebonden, is het vaste rechtspraak dat de grondrechten en in het bijzonder het eigendomsrecht geen absolute gelding hebben, maar in relatie tot hun sociale functie moeten worden beschouwd. Het genot van dit recht kan dus met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening aan beperkingen worden onderworpen, voor zover zulke beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor het gewaarborgde recht in zijn kern wordt aangetast (zie met name het arrest van 11 juli 1989, Schraeder, reeds aangehaald).
29 Gelet op het voorgaande, moet worden vastgesteld dat de bepaling volgens welke de betrokken specifieke referentiehoeveelheden teruggaan naar de communautaire reserve wanneer het bedrijf vóór 1 april 1992 wordt verkocht of verpacht, wil voorkomen, dat dergelijke referentiehoeveelheden worden toegekend aan landbouwers die niet van plan zijn de levering van melk duurzaam te hervatten, maar die enkel financieel voordeel willen behalen uit de toewijzing van een referentiehoeveelheid in het kader van de regeling van de zuivelmarkt. Die bepaling is dus gerechtvaardigd doordat zij een doel van algemeen belang nastreeft. De betrokken eigenaren kunnen overigens een normale winst behalen uit de exploitatiemogelijkheden die hun worden geboden door de toewijzing van een referentiehoeveelheid, hetzij door het bedrijf zelf te exploiteren, hetzij door het door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang over te dragen, omdat zij in laatstgenoemd geval de betrokken referentiehoeveelheden aan hun erfgenaam of een daarmee gelijkgestelde persoon kunnen overdragen.
30 Er is derhalve evenmin sprake van strijd met het eigendomsrecht.
31 Ten slotte kan ook geen gebrek aan motivering van de gewraakte regeling worden vastgesteld.
32 In de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 764/89 wordt namelijk overwogen "dat de toegekende hoeveelheden niet bedoeld zijn om een onrechtmatig voordeel te verschaffen maar om effectief te worden geproduceerd door degenen aan wie zij zijn toegewezen; dat zij te dien einde moeten worden onderworpen aan bepaalde beperkende voorwaarden". Deze motivering, hoe summier ook, voldoet aan de in artikel 190 EEG-Verdrag gestelde vereisten, aangezien hierdoor het Hof in staat is zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en de burgers hun rechten kunnen doen gelden.
33 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat bij onderzoek van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, uitgaande van de in de verwijzingsbeschikking beschreven situatie, niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van genoemde bepaling kunnen aantasten.
De derde vraag
34 De derde vraag betreft enerzijds de draagwijdte van de begrippen "verkoop" en "verpachting" in de zin van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89, en anderzijds de draagwijdte van het begrip "een (met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89, met het oog op gevallen waarin het bedrijf wordt ingebracht in een vennootschap naar burgerlijk recht of wordt verpacht aan de vermoedelijke erfgenaam van de betrokken producent.
35 Artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, bepaalt in wezen dat de specifieke referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk teruggaat naar de communautaire reserve, wanneer het bedrijf of een gedeelte daarvan vóór het einde van de achtste periode van toepassing van de regeling van de extra heffing wordt verkocht of verpacht. Daarentegen bepaalt artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd, in wezen dat in geval van overgang van een bedrijf door vererving of een daarmee vergelijkbare wijze van overgang, de specifieke referentiehoeveelheid wordt overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op voorwaarde dat deze zich schriftelijk ertoe verbindt de door zijn voorganger aangegane verbintenissen na te leven.
36 Uit deze bepalingen, in hun onderlinge samenhang gelezen, blijkt, dat een producent aan wie een specifieke referentiehoeveelheid is toegekend, deze weliswaar na de overdracht van het desbetreffende bedrijf mag overdragen aan zijn erfgenamen of daarmee gelijkgestelde personen, ten einde deze in staat te stellen de levering van melk onder dezelfde voorwaarden als de erflater voort te zetten, maar dat hij de specifieke referentiehoeveelheid waarover hij beschikt, niet aan anderen mag overdragen.
37 Gelet op het door de betrokken bepalingen nagestreefde doel, moeten de begrippen "verkoop" en "verpachting" in artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking hebben op iedere overdracht onder bezwarende titel van het recht van eigendom of het recht van gebruik van het bedrijf, ongeacht de juridische vorm van de overdracht, met uitzondering van die gevallen waarin de overdracht plaatsvindt door middel van een "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd.
38 Het begrip "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" moet aldus worden uitgelegd, dat het - ongeacht de juridische vorm waarin de overdracht plaatsvindt - doelt op elke overdracht die rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een overgang door vererving. Het omvat derhalve met name transacties betreffende het betrokken bedrijf tussen een producent en zijn vermoedelijke erfgenaam, voor zover deze transactie, gelet op het doel en het voorwerp ervan, primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf door de vermoedelijke erfgenaam en niet op de verhandeling van de marktwaarde van het bedrijf door de erflater.
39 Mitsdien kan noch de inbreng van het bedrijf in een vennootschap naar burgerlijk recht, waarin de producent deelneemt aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt, noch de omstandigheid dat, wanneer deze laatste door zijn overlijden of om andere redenen de vennootschap verlaat, naar Duits recht zijn aandeel in de vennootschap bij de overige vennoten aanwast, noch de verpachting van het bedrijf aan de vermoedelijke erfgenaam van de producent aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt, worden uitgesloten van het begrip "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang", mits de condities van de overeenkomst die aan de betrokken handeling ten grondslag ligt, van dien aard zijn, dat de vermoedelijke erfgenaam wordt bevoordeeld ten opzichte van een marktdeelnemer die een vergelijkbaar bedrijf overeenkomstig de marktcondities overneemt.
40 In het kader van de door artikel 177 EEG-Verdrag in het leven geroepen samenwerking tussen de nationale rechter en het Hof van Justitie, staat het aan eerstgenoemde om vast te stellen, of in de in de prejudiciële vraag bedoelde feitelijke veronderstellingen aan deze voorwaarden is voldaan; daarbij dient hij alle feitelijke en juridische gegevens die kenmerkend zijn voor de betrokken handeling, in aanmerking te nemen.
41 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat
artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, aldus moeten worden uitgelegd, dat zij betrekking hebben op iedere overdracht onder bezwarende titel van het recht van eigendom of het recht van gebruik van het bedrijf, met uitzondering van die gevallen waarin de overdracht plaatsvindt door middel van een "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989. Laatstgenoemd begrip moet aldus worden uitgelegd, dat het - ongeacht de juridische vorm van de overdracht - betrekking heeft op elke overdracht die ingevolge de desbetreffende nationale bepalingen rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een overgang door vererving.
Beslissing inzake de kostenKosten
42 De kosten door de Raad van de Europese Gemeenschappen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 8 augustus 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 3 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 en aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989, is ongeldig, voor zover het de in deze bepaling bedoelde specifieke referentiehoeveelheid beperkt tot 60% van de hoeveelheid melk, respectievelijk melkequivalent die door de producent is geleverd, respectievelijk verkocht in de periode van twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling.
2) Bij onderzoek van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, is, uitgaande van de in de verwijzingsbeschikking beschreven situatie, niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van genoemde bepaling kunnen aantasten.
3) De begrippen "verkoop" en "verpachting" in de zin van artikel 3 bis, lid 4, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking hebben op iedere overdracht onder bezwarende titel van het recht van eigendom of het recht van gebruik van het bedrijf, met uitzondering van die gevallen waarin de overdracht plaatsvindt middels een "(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang" in de zin van artikel 7 bis, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1546/88, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989. Laatstgenoemd begrip moet aldus worden uitgelegd, dat het - ongeacht de juridische vorm van de overdracht - betrekking heeft op elke overdracht die rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een overgang door vererving.
Top