Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 7 MEI 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK. - NIET-INACHTNEMING VAN RICHTLIJN - GECOMBINEERD RAIL/WEGVERVOER VAN GOEDEREN. - ZAAK C-45/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02053
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vervoer - Wegvervoer - Gecombineerd rail/wegvervoer - Richtlijn 75/130 - Eenheid van vervoershandeling - Uitsluiting van laatste fase wegvervoer van communautaire liberaliseringsmaatregelen - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 75/130, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/5, art. 1, leden 1 en 2)
SamenvattingGecombineerd rail/wegvervoer, zoals bedoeld in richtlijn 75/130 moet vanaf het punt van vertrek tot de plaats van bestemming als een geheel worden beschouwd. Bijgevolg kan in geval van onbegeleid vervoer - dat wil zeggen wanneer de trekker tijdens het spoortraject niet wordt meevervoerd - het eindtraject over de weg tussen het station dat het dichtst bij de losplaats van de goederen is gelegen, en de losplaats zelf, zelfs wanneer het binnen één Lid-Staat plaatsvindt, niet als louter nationaal vervoer worden beschouwd, waarop de door de richtlijn voorgeschreven liberaliseringsmaatregelen niet van toepassing zouden zijn.
PartijenIn zaak C-45/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs G. Marenco en I. Pernice als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en M. A. Fierstra, assistent juridisch adviseurs bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,
interveniënt,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adelaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door voor gecombineerd vervoer tussen de Lid-Staten een contingenterings- en vergunningenstelsel te handhaven en door te weigeren aan particulieren die dergelijk vervoer wensen te verrichten, een vergunning te verlenen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 75/130/EEG van de Raad van 17 februari 1975 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd rail/wegvervoer tussen de Lid-Staten (PB 1975, L 48, blz. 31), inzonderheid artikel 2 daarvan,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins, J. C. Moitinho de Almeida en G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon,
griffier: J.-G. Giraud,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van partijen ter terechtzitting van 29 januari 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 februari 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door voor gecombineerd rail/wegvervoer tussen de Lid-Staten een contingenterings- en/of vergunningenstelsel te handhaven en door te weigeren aan particulieren die dergelijk vervoer wensen te verrichten, een vergunning te verlenen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 75/130/EEG van de Raad van 17 februari 1975 (PB 1975, L 48, blz. 31, hierna "de richtlijn") houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd rail/wegvervoer van goederen tussen de Lid-Staten, inzonderheid artikel 2 daarvan.
2 Bij artikel 7 van een decreet van de Italiaanse regering van 4 juli 1985 (GURI nr. 197 van 22.8.1985) werd bepaald, hoeveel bijzondere vergunningen voor afzonderlijke trekkers die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoeren van aanhangwagens of opleggers die bij internationaal gecombineerd vervoer worden gebruikt, in 1985 mochten worden afgegeven. Gelet op de richtlijn bepaalde het enige artikel van een ander decreet van de Italiaanse regering, van 16 september 1986, (GURI nr. 219 van 20.9.1986), dat het gecombineerd vervoer tussen de Lid-Staten van iedere vorm van contingentering was vrijgesteld. Korte tijd later werd het decreet van 16 september 1986 bij een nieuw decreet, van 24 oktober 1986 (GURI nr. 263 van 12.11.1986), ingetrokken.
3 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
4 De Commissie stelt, dat ieder contingenterings- en/of vergunningenstelsel onder het verbod van artikel 2 van de richtlijn valt. Dit artikel luidt als volgt:
"Elke Lid-Staat moet het in artikel 1 bedoelde gecombineerde vervoer uiterlijk vóór 1 oktober 1975 vrijstellen van ieder contingenterings- en/of vergunningenstelsel."
5 De Italiaanse regering betoogt, dat de door dit artikel voorgeschreven liberalisering zal verschillen naargelang de trekker bij het gecombineerd vervoer wel of niet per spoor wordt vervoerd. In dit laatste geval blijft het wegvervoer over het eindtraject in één enkele Lid-Staat haar inziens ten dele onderworpen aan de in die Lid-Staat geldende regeling, zulks overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn, volgens hetwelk "de in elke Lid-Staat geldende voorwaarden voor toelating tot het beroep van vervoerondernemer en voor toegang tot de vervoermarkt door deze richtlijn niet worden gewijzigd".
6 In de eerste plaats dient te worden opgemerkt, dat volgens de tekst zelf van artikel 1, lid 1, zoals gewijzigd bij richtlijn 79/5/EEG van de Raad van 19 december 1978 (PB 1979, L 5, blz. 33), het in richtlijn 75/130 bedoelde gecombineerd rail/wegvervoer niet alleen ziet op begeleid gecombineerd vervoer, dat wil zeggen vervoer waarbij de trekker ook per spoor wordt vervoerd, maar ook op onbegeleid gecombineerd vervoer, waarbij het spoortraject zonder de trekker wordt afgelegd.
7 Vervolgens dient erop te worden gewezen, dat gelijk het Hof in zijn arrest van 28 maart 1985 (zaak 2/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1985, blz. 1127, r.o. 16) heeft geoordeeld, gecombineerd vervoer vanaf het punt van vertrek tot de plaats van bestemming als een geheel moet worden beschouwd.
8 Bijgevolg kan niet worden aangenomen, dat in geval van onbegeleid vervoer het eindtraject over de weg tussen het station dat het dichtst bij de losplaats van de goederen is gelegen, en de losplaats zelf, als louter nationaal vervoer wordt beschouwd, zelfs niet wanneer het binnen één Lid-Staat plaatsvindt.
9 Artikel 6 van de richtlijn doet niets af aan deze conclusie.
10 Dienaangaande behoeft immers slechts te worden vastgesteld dat, gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, deze bepaling enerzijds doelt op de voorwaarden voor toelating tot het beroep van vervoerondernemer, waaronder met name die welke betrekking hebben op de financiële draagkracht, betrouwbaarheid en de beroepsbekwaamheid, en anderzijds op de voorwaarden voor toegang tot de vervoermarkt, welke de bekwaamheid om het beroep van vervoersondernemer uit te oefenen en het stelsel van vergunningen voor het uitoefenen van het beroep van vervoerondernemer omvatten. Artikel 6 ziet daarentegen niet op contingenterings-en vergunningenstelsels; dit wordt uitsluitend geregeld in artikel 2 van de richtlijn, volgens hetwelk deze stelsels uiterlijk vóór 1 oktober 1975 volledig moeten worden opgeheven.
11 Uit het voorafgaande volgt, dat de niet-nakoming moet worden vastgesteld in de termen waarin dit door de Commissie is gevorderd.
Beslissing inzake de kostenKosten
12 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van interveniënt.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door voor gecombineerd rail/wegvervoer tussen de Lid-Staten een contingenterings- en/of vergunningenstelsel te handhaven en door te weigeren aan particulieren die dergelijk vervoer wensen te verrichten, een vergunning te verlenen, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 75/130/EEG van de Raad van 17 februari 1975 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd rail/wegvervoer van goederen tussen de Lid-Staten, inzonderheid artikel 2 daarvan.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen die van interveniënt.
Top