Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 20 MAART 1990. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN FRANSE REPUBLIEK. - VISSERIJ - BEHEER VAN QUOTA - VERPLICHTINGEN VAN DE LID-STATEN. - ZAAK C-62/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00925
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Visserij - Instandhouding van rijkdommen van de zee - Stelsel van visquota - Vangsten in wateren van Faeroeer - Verdeling van beschikbare vangsthoeveelheid over Lid-Staten - Maatregelen ter controle van inachtneming van quota - Toepasselijkheid - Dreigende uitputting van aan Lid-Staat toegewezen quotum - Verplichting van betrokken Lid-Staat om visserij voorlopig te verbieden - Vooruitzicht van quotumverhoging door middel van uitwisseling met andere Lid-Staten - Geen invloed
( Verordening nr . 2057/82 van de Raad, artikel 10, lid 2, en verordening nr . 6/85 van de Raad )
SamenvattingWaar de tussen de Gemeenschap enerzijds en de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van de Faeroeer anderzijds gesloten visserijovereenkomst betreffende de toegang tot en de instandhouding van de visbestanden voor de vissers van de Gemeenschap in de maritieme wateren van de Faeroeer, vangstbeperkingen vaststelt en er bijgevolg voor de verschillende Lid-Staten quota worden bepaald, moeten de relevante bepalingen die de inachtneming van deze quota beogen te verzekeren - zoals artikel 10 van verordening nr . 2057/82, dat in bepaalde controlemaatregelen voorziet -, ook van toepassing zijn wanneer zij in de verordening tot verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten niet met zoveel woorden worden genoemd; dit om te vermijden dat de naleving van de overeenkomst, met name de inachtneming van het de Gemeenschap ter beschikking gestelde vangstquotum, in gevaar wordt gebracht .
Een Lid-Staat kan zich niet ontslagen achten van de krachtens artikel 10, lid 2, op hem rustende verplichting om een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen met ingang van de datum waarop, ten gevolge van de vangsten uit aan quota onderworpen bestanden, verricht door vaartuigen die de vlag van die Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd, het nationale quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt, met een beroep op het enkele feit dat hij onderhandelingen heeft aangeknoopt met een andere Lid-Staat ten einde door middel van een quotaruil een verhoging van het quotum te bewerkstelligen . Iedere vertraging bij het uitvaardigen van een voorlopig vangstverbod brengt immers het gevaar van een quota-overschrijding mee, wanneer de onderhandelingen - waarvan de uitkomst altijd onzeker is - mislukken of uitmonden in een quotumverhoging die ontoereikend is om de inmiddels verrichte vangsten te dekken . Dit betekent, dat met het oog op de verhoging van een quotum met een andere Lid-Staat gesloten overeenkomsten tot uitwisseling van quota, tot stand moeten komen vóór de uitputting van het oorspronkelijke quotum of ná de uitvaardiging van het voorlopig vangstverbod .
PartijenIn zaak C-62/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P . Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door E . Belliard, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, en M . Giacomini, secretaris voor Buitenlandse Zaken bij genoemd ministerie, als plaatsvervangend gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, 9, boulevard du Prince-Henri,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door de inachtneming van de haar voor het jaar 1985 toegekende vangstquota voor roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer niet te verzekeren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 1 ), en de artikelen 1, leden 1 en 2, 6 tot en met 9 en 10, leden 1 en 2, van verordening ( EEG ) nr . 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten ( PB 1982, L 220, blz . 1 ), in samenhang met artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 6/85 van de Raad van 19 december 1984 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen ( PB 1985, L 1, blz . 62 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, F . A . Schockweiler en M . Zuleeg, kamerpresidenten, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 1 februari 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 februari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 maart 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot vaststelling dat de Franse Republiek, door de inachtneming van de haar voor het jaar 1985 toegekende vangstquota voor roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer niet te verzekeren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 1 ), en de artikelen 1, leden 1 en 2, 6 tot en met 9 en 10, leden 1 en 2, van verordening ( EEG ) nr . 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten ( PB 1982, L 220, blz . 1 ), in samenhang met artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 6/85 van de Raad van 19 december 1984 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen ( PB 1985, L 1, blz . 62 ).
2 De visserij in de wateren van de Faeroeer is geregeld in de Overeenkomst betreffende de visserij tussen de EEG, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de plaatselijke Regering van de Faeroeer, anderzijds, als bijlage gehecht aan verordening ( EEG ) nr . 2211/80 van de Raad van 27 juni 1980 ( PB 1980, L 226, blz . 11 ). Overeenkomstig de in het kader van deze Overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Faeroeer gesloten regelingen bepaalde verordening nr . 6/85 ( reeds aangehaald ), waarvan de geldigheidsduur bij verordening ( EEG ) nr . 97/85 van de Raad van 14 januari 1985 ( PB 1985, L 13, blz . 5 ) tot en met 31 december 1985 werd verlengd, dat vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voerden, in 1985 in de wateren die op visserijgebied onder de jurisdictie van de Faeroeer vielen, ten hoogste de in de bijlage bij die verordering vermelde hoeveelheden mochten vangen . In die bijlage waren de voor Frankrijk geldende vangstquota voor roodbaars en platvis vastgesteld op respectievelijk 450 en 160 ton .
3 Blijkens de tabel van aanlandingen die het Franse staatssecretariaat van het Zeewezen de Commissie op 6 februari 1986 deed toekomen en die als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd, waren de aan Frankrijk voor het jaar 1985 toegewezen vangstquota voor platvis en roodbaars in de wateren van de Faeroeer, tussen 18 en 21 juni 1985 respectievelijk tussen 7 en 13 juli 1985 uitgeput .
4 Ten gevolge van een door de Franse autoriteiten overeenkomstig artikel 5, lid 1, van verordening nr . 170/83 ( reeds aangehaald ) met andere Lid-Staten aangegane quotaruil werd het Franse vangstquotum voor roodbaars opgetrokken tot 970 ton . Uit de tabel van aanlandingen blijkt evenwel, dat dit nieuwe quotum, waarover na de uitputting van het oorspronkelijke quotum werd onderhandeld en dat de Commissie in november 1985 werd meegedeeld, tussen 2 en 30 oktober 1985 ook weer was overschreden . In 1985 bedroegen de door Frankrijk aangegeven vangsten van roodbaars in de wateren van de Faeroeer in totaal 984,7 ton . In datzelfde jaar bedroeg de door Frankrijk in de wateren van de Faeroeer gevangen hoeveelheid platvis in totaal 708,4 ton .
5 Bovendien is het onbetwist, dat de Franse autoriteiten hun vissers pas op 8 november 1985 adviseerden, de visserij op roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer volledig stop te zetten .
6 Bij verordening ( EEG ) nr . 3220/85 ( PB 1985, L 303, blz . 43 ), in werking getreden op 16 november 1985, beëindigde de Commissie op eigen initiatief, op basis van de gegevens die zij had weten te vergaren, overeenkomstig artikel 10, lid 3, van verordening nr . 2057/82 de visserij op roodbaars in de wateren van de Faeroeer door vissersvaartuigen die de Franse vlag voerden . Zo ook besloot zij bij verordening ( EEG ) nr . 3448/85 ( PB 1985, L 328, blz . 20 ), in werking getreden op 7 december 1985, op eigen initiatief, de visserij op platvis in de wateren van de Faeroeer door Franse vissersvaartuigen te beëindigen .
7 Uit de vastgestelde quota-overschrijdingen leidt de Commissie af, dat de Franse Republiek in 1985 heeft verzuimd de maatregelen te nemen die nodig waren ter verzekering van de naleving van de quota die haar waren toegewezen voor de vangsten van roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer .
8 Tot staving van haar stelling betoogt de Commissie met name, dat de quota-overschrijdingen zijn toe te schrijven aan het feit, dat de Franse Republiek niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 op de Lid-Staten rustende verplichting, tijdig een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen .
9 Volgens de Commissie kunnen de quota-overschrijdingen ook een gevolg zijn van het feit, dat de Franse Republiek op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de in de artikelen 6 tot en met 9 van verordening nr . 2057/82 neergelegde verplichting tot controle en registratie van de vangsten, de bij artikel 1, leden 1 en 2, van deze verordening voorgeschreven verplichting tot inspectie van de vissersvaartuigen en tot bestraffing van de vastgestelde overtredingen, of de in artikel 10, lid 1, van de verordening voorziene verplichting, alle door de Franse vlag voerende vissersvaartuigen verrichte vangsten op het betrokken quotum in mindering te brengen . Verder zouden de quota-overschrijdingen ook nog kunnen voortvloeien uit het feit, dat de Franse autoriteiten hebben verzuimd de voor de vaststelling van de voorschriften voor het gebruik van de aan Frankrijk toegewezen vangstquota benodigde maatregelen te nemen, zoals voorgeschreven in artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 .
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De grief ontleend aan de te late sluiting van de visserij
11 Met deze grief verwijt de Commissie de Franse Republiek, dat zij, door na te laten voor de betrokken visbestanden een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen zodra uitputting van de quota dreigde, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 op haar rustende verplichtingen . Volgens de Commissie legt deze bepaling aan alle Lid-Staten de verplichting op, op basis van de beschikbare vangstgegevens de datum vast te stellen waarop de quota naar verwachting volledig zullen zijn gebruikt, en tijdig de geëigende maatregelen te nemen om de visserij met ingang van die datum te verbieden . In casu zouden de Franse autoriteiten, met hun op 8 november 1985 gegeven advies om de visserij te beëindigen, duidelijk niet aan die verplichting hebben voldaan, aangezien bedoeld advies bijna vier maanden na de uitputting van de betrokken quota werd gegeven en hoe dan ook juridisch niet bindend was . Bovendien zou de verplichting van de Lid-Staten tot het uitvaardigen van een voorlopig vangstverbod zodra uitputting van de quota in zicht is, niet afhankelijk mogen worden gesteld van het enkele vooruitzicht van het uitwisselen van quota, waarvan het resultaat onzeker is . Een dergelijke quotaruil zou hetzij moeten plaatsvinden vóór de datum waarop het oorspronkelijke quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt, hetzij nadat de nationale autoriteiten de visserij voorlopig hebben gesloten .
12 Ter beoordeling van de gegrondheid van de door de Commissie verdedigde stelling zij er om te beginnen aan herinnerd, dat artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 het volgende bepaalt : "Iedere Lid-Staat stelt de datum vast waarop, ten gevolge van de vangsten uit een aan quota onderworpen bestand of groep bestanden, verricht door vissersvaartuigen die de vlag van die Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd, het voor deze Lid-Staat met betrekking tot dat bestand of die groep bestanden geldende quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt . Hij vaardigt met ingang van die datum een voorlopig verbod uit op het vangen van vis uit dat bestand of die groep bestanden door de bedoelde vaartuigen, alsmede op het aan boord houden, overladen en lossen voor zover de vangsten na die datum zijn gedaan en stelt een datum vast tot welke het overladen en het lossen of de laatste kennisgevingen over de vangsten zijn toegestaan . Deze maatregel wordt onverwijld medegedeeld aan de Commissie, die de overige Lid-Staten hiervan in kennis stelt ."
13 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat artikel 10 van verordening nr . 2057/82 niet met zoveel woorden wordt genoemd bij de bepalingen die in acht moeten worden genomen bij het beheer van de over de Lid-Staten verdeelde vangstquota voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen . Artikel 2 van verordening nr . 6/85 bepaalt immers uitsluitend, dat de Lid-Staten en de kapiteins van vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren en vissen in de wateren van de Faeroeer, zich dienen te houden aan de bepalingen van de artikelen 3 tot en met 9 van verordening nr . 2057/82 .
14 De omstandigheid dat artikel 10 van verordening nr . 2057/82 - waarvan de toepasselijkheid overigens in casu door de Franse Republiek niet is betwist - in verordening nr . 6/85 niet met zoveel woorden wordt genoemd, neemt niet weg dat de Lid-Staten gebonden zijn aan deze algemene regel, die onontbeerlijk is ter verzekering van de doeltreffendheid van iedere regeling inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden, waarbij de voor de Gemeenschap beschikbare vangsthoeveelheid in de vorm van quota over de Lid-Staten wordt verdeeld . Waar immers de met de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van de Faeroeer gesloten visserijovereenkomst betreffende de toegang tot en de instandhouding van de visbestanden voor de vissers van de Gemeenschap in de maritieme wateren van de Faeroeer vangstbeperkingen vaststelt, en er bijgevolg voor de verschillende Lid-Staten quota worden bepaald, moeten de relevante bepalingen die de inachtneming van deze quota beogen te verzekeren, ook van toepassing zijn wanneer zij in de verordening tot verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten niet met zoveel woorden worden genoemd; dit om te vermijden dat de naleving van de overeenkomst, met name de inachtneming van het de Gemeenschap ter beschikking gestelde vangstquotum, in gevaar wordt gebracht . Op grond van een en ander moet artikel 10 van verordening nr . 2057/82 in casu van toepassing worden geacht .
15 De Franse republiek voert tegen de door de Commissie geformuleerde grief vier reeksen argumenten aan .
16 Zij stelt om te beginnen, dat zij tijdig passende maatregelen heeft genomen om uitputting van de betrokken quota te voorkomen . Zij zou namelijk hebben onderhandeld over een verhoging van het quotum voor roodbaars door middel van een uitwisseling van quota met een andere Lid-Staat, en bovendien zou zij haar vissers hebben geadviseerd, de visserij op platvis en roodbaars met ingang van 8 november 1985 volledig stop te zetten . Dit zou een doeltreffende maatregel zijn geweest, aangezien er na 30 oktober 1985 geen vangsten uit de betrokken bestanden meer aan land zouden zijn gebracht .
17 Ingevolge artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 zijn de Lid-Staten verplicht, een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen met ingang van de datum waarop, ten gevolge van de vangsten uit aan quota onderworpen bestanden, verricht door vaartuigen die de vlag van die Lid-Staten voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt . Blijkens deze bepaling moeten de Lid-Staten tijdig alle maatregelen nemen die nodig zijn om overschrijding van de betrokken quota te voorkomen, ten einde met het oog op de instandhouding van de visbestanden de inachtneming van de aan de Lid-Staten toegewezen quota te verzekeren .
18 Mitsdien was de Franse Republiek in casu gehouden, dwingende maatregelen te nemen om, nog voordat de quota waren uitgeput, alle visserijactiviteiten voorlopig te verbieden . Derhalve hadden de Franse autoriteiten het voorlopig vangstverbod voor platvis uiterlijk op 21 juni 1985 moeten uitvaardigen en dat voor roodbaars op zijn laatst op 13 juli 1985 .
19 Onder deze omstandigheden kwam het op 8 november 1985 gegeven advies om het vissen op de betrokken bestanden te beëindigen - waarvan Frankrijk overigens het bindende karakter niet heeft kunnen aantonen - te laat om overschrijding van de quota te voorkomen .
20 Wat meer in het bijzonder het feit betreft, dat de Franse Republiek voor roodbaars niet méér heeft gedaan dan het aanknopen van onderhandelingen ten einde door middel van een quotaruil met een andere Lid-Staat een verhoging van het quotum te bewerkstelligen, merkt de Commissie terecht op, dat de Lid-Staten zich niet op grond van het enkele vooruitzicht van een uitwisseling van quota ontslagen kunnen achten van de krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 op hen rustende verplichtingen . Dergelijke onderhandelingen, waarvan de uitkomst onzeker is, kunnen voortzetting van de visserij na uitputting van het quotum niet rechtvaardigen . Iedere vertraging bij de voorlopige sluiting van de visserij brengt immers het gevaar mee, dat het quotum nog méér wordt overschreden, wanneer het niet lukt om het quotum door ruiling te verhogen of wanneer het verkregen quotum ontoereikend is om de verrichte vangsten te dekken . Dit betekent, dat met het oop op de verhoging van een quotum met een andere Lid-Staat gesloten overeenkomsten tot uitwisseling van quota, tot stand moeten worden gebracht vóór de uitputting van het oorspronkelijke quotum of ná uitvaardiging van het voorlopig vangstverbod .
21 Mitsdien moet het eerste door de Franse Republiek aangevoerde argument van de hand worden gewezen .
22 De Franse Republiek beroept zich in de tweede plaats op praktische moeilijkheden, waardoor zij niet zou hebben kunnen voorzien dat uitputting van de betrokken quota dreigde . Zij wijst er op, dat verordening ( EEG ) nr . 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de Lid-Staten ( PB 1983, L 276, blz . 1 ), die voorziet in de invoering van een communautair logboek, eerst op 1 april 1985 in werking is getreden, zodat het moeilijk was om tijdig betrouwbare gegevens te verkrijgen, op basis waarvan tot een vangstverbod had kunnen worden besloten . Bovendien zou rekening moeten worden gehouden met het feit, dat de communautaire regeling inzake de instandhouding van de visbestanden in 1985 nog nieuw en onbeproefd was . De Franse Republiek beklemtoont voorts, dat ook de schommelingen in de vangsten moeilijkheden opleverden, met name wanneer het een klein quotum betrof, zoals dat van platvis . Zo zou de omstandigheid, dat er in juni en juli 1985 plotseling veel grotere hoeveelheden platvis werden aangevoerd dan in de daaraan voorafgaande periode het geval was geweest, er in de praktijk toe hebben geleid, dat de datum van uitputting van het quotum niet voorzienbaar was .
23 Dit argument van de Franse Republiek kan niet worden aanvaard . Het is immers vaste rechtspraak ( zie het arrest van februari 1989, zaak 262/87, Nederland/Commissie, Jurispr . 1989, blz . 225, r.o . 15 ), dat een Lid-Staat zich niet kan beroepen op praktische moeilijkheden om het niet nemen van passende controlemaatregelen te rechtvaardigen . Volgens die rechtspraak is het juist de zaak van de Lid-Staten, die zijn belast met de uitvoering van de gemeenschapsregelingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor visserijprodukten, om door passende maatregelen een oplossing voor die moeilijkheden te vinden .
24 De Franse Republiek kan haar nalatigheid met name niet rechtvaardigen met de stelling, dat het communautaire quotastelsel pas kort zou hebben bestaan . Verordening nr . 170/83 is immers op 27 januari 1983 in werking getreden, en verordening nr . 2057/82 op 1 augustus 1982 . De in die regelingen voorziene controlemaatregelen waren dus ruim voordat de betrokken gebeurtenissen zich voordeden reeds van toepassing . Waren de controlemaatregelen in casu in acht genomen en op juiste wijze toegepast, dan hadden de Franse autoriteiten dus over voldoende gegevens moeten beschikken om uitputting van de betrokken quota te kunnen voorzien en dienovereenkomstig te handelen .
25 Met betrekking tot het argument, dat op 1 april 1985 het communautaire logboek in werking is getreden, moet worden beklemtoond, dat verordening nr . 2807/83 uitsluitend een eenvormig model heeft ingevoerd voor het door de kapiteins van vissersvaartuigen bij te houden logboek . De verplichting tot het bijhouden van een logboek, waarin de gevangen hoeveelheden per soort en de datum en de plaats van de vangsten worden vermeld, komt echter reeds voor in artikel 3 van verordening nr . 2057/82 . Bovendien is verordening nr . 2807/83 weliswaar pas op 1 april 1985 in werking getreden, maar uit de door de Franse autoriteiten aan de Commissie overgelegde tabel van aanlandingen blijkt, dat onder Franse vlag varende vissersvaartuigen eerst op 14 mei 1985 in de wateren van de Faeroeer gevangen roodbaars of platvis aan land brachten .
26 Ten aanzien van de beweerde schommelingen in de platvisvangsten zij opgemerkt, dat uit de aan de Commissie overgelegde tabel van aanlandingen duidelijk blijkt, dat de totale in juni ( 280,5 ton ) en juli 1985 ( 264,7 ton ) aangelande hoeveelheid weliswaar beduidend groter was dan de in mei aangevoerde hoeveelheid ( 8,2 ton ), maar dat de in juni verrichte lossingen zowel qua frequentie als qua hoeveelheid geenszins uitzonderlijk waren . Mitsdien hadden de Franse autoriteiten de uitputting van het quotum voor platvis op 21 juni 1985 kunnen voorzien .
27 De Franse Republiek betoogt in de derde plaats, dat de overschrijding van de betrokken quota niet met zekerheid is komen vast te staan . Zo zouden de omrekeningscoëfficiënten ter berekening van de vangsthoeveelheden in levend gewicht op basis van de aangelande vangsten aan schoongemaakte vis, van gemeenschapswege niet zijn geharmoniseerd en derhalve een ruime onzekerheidsmarge bevatten . Bovendien zou een aanzienlijk deel van de betrokken visvangst hebben plaatsgevonden in tussen het Verenigd Koninkrijk en de Faeroeer betwiste wateren, zodat het niet zeker is, of de Franse vangsten inderdaad in de wateren van de Faeroeer zijn verricht .
28 Wat de uit de toepassing van de omrekeningscoëfficiënt voortvloeiende onzekerheidsmarge betreft, moet reeds terstond worden vastgesteld, dat de Franse autoriteiten deze coëfficiënt zelf hebben gebruikt ter bepaling van de aan de Commissie meegedeelde vangstcijfers . Onder deze omtandigheden kan de Franse Republiek de betrouwbaarheid van deze berekeningswijze thans niet betwisten . Zo er al een onzekerheidsmarge zou bestaan, is deze hoe dan ook beperkt en kan zij zeker geen verklaring bieden voor de aanzienlijke quota-overschrijding die in casu voor platvis is geconstateerd .
29 Ook met betrekking tot de beweerde jurisdictieconflicten tussen het Verenigd Koninkrijk en de Faeroeer moet worden opgemerkt, dat de Franse Republiek zich ertoe heeft beperkt, de Commissie de cijfers mee te delen betreffende de door Franse vaartuigen "in de wateren van de Faeroeer" verrichte vangsten, zonder dat zij daarbij het probleem van de afbakening van de communautaire wateren en die van de Faeroeer aan de orde heeft gesteld .
30 Bovendien zij eraan herinnerd, dat in de preambule van de Overeenkomst betreffende de visserij tussen de EEG, enerzijds, en de Regering van Denemarken en de plaatselijke Regering van de Faeroeer, anderzijds, is bepaald, "dat is besloten om met ingang van 1 januari 1977 rond de Faeroeer een visserijzone in te stellen die zich uitstrekt tot 200 zeemijl uit de kust en waarin de Faeroeer soevereine rechten inzake exploratie, exploitatie en instandhouding en beheer van de visvoorraden zullen uitoefenen ..." Ingevolge artikel 2, sub b, van deze overeenkomst bepalen de autoriteiten van de Faeroeer jaarlijks "de vangstquota voor vissersvaartuigen van de Gemeenschap, alsmede de gebieden waarin deze quota mogen worden gevangen ". De lijst met vangstquota en visserijzones wordt aan de Commissie overgelegd, en op basis hiervan worden de quota over de Lid-Staten verdeeld . Aangezien er in genoemde visserijovereenkomst geen enkel voorbehoud is gemaakt met betrekking tot een eventueel jurisdictieconflict tussen het Verenigd Koninkrijk en de Faeroeer, en aangezien er door de belanghebbende Lid-Staat generlei bezwaar is gemaakt tegen de door de autoriteiten van de Faeroeer aangeduide zone, moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek niet heeft kunnen aantonen, dat er twijfel bestaat over de vraag, of alle door de Commissie in deze procedure in aanmerking genomen vangsten wel afkomstig zijn uit de onder de jurisdictie van de Faeroeer vallende visserijzone . Zij kan dit argument dan ook niet inroepen ter rechtvaardiging van de onderhavige quota-overschrijding .
31 Als vierde argument voert de Franse Republiek ten slotte aan, dat in elk geval het totale quotum waarover de Gemeenschap voor de betrokken bestanden in de wateren van de Faeroeer beschikte, in 1985 niet volledig werd gebruikt, zodat de Franse quota-overschrijdingen geen nadeel konden toebrengen aan andere Lid-Staten, noch de met de Deense regering en de plaatselijke regering van de Faeroeer gesloten visserijovereenkomst in gevaar konden brengen .
32 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat de totale door de Gemeenschap in 1985 in de wateren van de Faeroeer gevangen hoeveelheid vis, waarvan het cijfer pas begin 1986 bekend werd, niet van invloed was op de verplichting van een Lid-Staat om tijdig de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming dat het nationale quotum, waarover die Lid-Staat binnen de aan de Gemeenschap toegewezen maximum toegestane vangst kon beschikken, uitgeput zou raken .
33 Mitsdien moet ook het vierde argument van de Franse Republiek van de hand worden gewezen .
34 Aangezien geen van de door de Franse Republiek tegen de grief van de Commissie aangevoerde argumenten kan worden aanvaard, moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door de inachtneming van de haar voor het jaar 1985 toegekende vangstquota voor roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroeer niet te verzekeren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82, in samenhang met artikel 1 van verordening nr . 6/85 .
De subsidiare grieven
35 In haar verzoekschrift verwijt de Commissie de Franse Republiek tevens, dat zij de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 1, leden 1 en 2, 6 tot en met 9 en 10, leden 1 en 2, van verordening nr . 2057/82, en artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 .
36 De Commissie heeft alleen verklaard, dat de enkele overschrijding van de quota aantoonde, dat genoemde bepalingen niet waren nageleefd . Zij heeft tot staving van haar beroep echter geen nauwkeurige feitelijke gegevens aangevoerd die kunnen aantonen, dat de Franse Republiek de krachtens voornoemde bepalingen op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
37 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie het arrest van 5 oktober 1989, zaak 290/87, Commissie/Nederland, Jurispr . 1989, blz . 225 ) dient de Commissie in een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag de gestelde inbreuk aan te tonen, en kan zij zich niet baseren op een of ander vermoeden om aan te tonen, dat een Lid-Staat de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen .
38 Mitsdien moeten de door de Commissie aangevoerde subsidiare grieven worden afgewezen .
Beslissing inzake de kostenKosten
39 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Franse regering op de meeste onderdelen van haar middelen in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat :
1 ) Door de inachtneming van de haar voor het jaar 1985 toegekende vangstquota voor roodbaars en platvis in de wateren van de Faeroër niet te verzekeren, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten, in samenhang met artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 6/85 van de Raad van 19 december 1984 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen .
2 ) Het beroep wordt voor het overige verworpen .
3 ) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure .
Top