Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 27 JUNI 1990. - ALFONS BERKENHEIDE TEGEN HAUPTZOLLAMT MUENSTER. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT DUESSELDORF - DUITSLAND. - LANDBOUW - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-67/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02615
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Inaanmerkingneming van buitengewone gebeurtenissen die produktie hebben beïnvloed - Grenzen - Produktie die buiten referentiejaar is beïnvloed - Uitgesloten - Keuze door Lid-Staat van referentiejaar 1983 - Differentiatie van referentiehoeveelheden - Inaanmerkingneming van situatie van categorie producenten wier produktie eerder door buitengewone gebeurtenis is beïnvloed - Toelaatbaarheid
( Verordening nr . 857/84 van de Raad, artikel 2, lid 2, en artikel 3, punt 3; verordening nr . 1371/84 van de Commissie, artikel 2, lid 1, en artikel 3 )
SamenvattingArtikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84, juncto artikel 3 van verordening nr . 1371/84, regelt niet de situatie van producenten wier melkproduktie tijdens een ander jaar dan het referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed . Op grond van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 juncto artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1371/84 daarentegen kan, ingeval een Lid-Staat als referentiejaar 1983 heeft gekozen en de mogelijkheid heeft benut om het percentage dat wordt gebruikt voor de vaststelling van de referentiehoeveelheden, te differentiëren aan de hand van de ontwikkeling van de leveranties van de producenten tussen 1981 en 1983, bij deze differentiatie rekening worden gehouden met de situatie van de categorie producenten wier melkproduktie in 1981 of 1982 door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed .
PartijenIn zaak C-67/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Duesseldorf ( Bondsrepubliek Duitsland ), in het aldaar aanhangig geding tussen
A . Berkenheide
en
Hauptzollamt Muenster,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, punt 3, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ) en van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 ingestelde extra heffing ( PB 1984, L 132, blz . 11 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : F . Jacobs
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M . Seidel als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D . Booss als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 7 maart 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 1 februari 1989, ingekomen ten Hove op 6 maart daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Duesseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van diverse bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ) alsook van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 ingestelde extra heffing ( PB 1984, L 132, blz . 11 ).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen de landbouwer A . Berkenheide en het Hauptzollamt Muenster over de referentiehoeveelheid die hem volgens de regeling betreffende de extra heffing op melk is toegekend .
3 Berkenheide leverde in de jaren 1980, 1981, 1982 en 1983 respectievelijk 114 306 kg, 105 970 kg, 102 472 kg en 121 721 kg melk aan de cooeperatieve zuivelfabriek Muensterland e.G . Op basis van zijn leveranties in 1983 kreeg hij een referentiehoeveelheid van 110 900 kg toegewezen . Dit cijfer kwam tot stand door op zijn in 1983 geleverde hoeveelheid melk, te weten 121 721 kg, een korting van 4% toe te passen plus een extra korting van 4,9%, omdat hij in 1983 meer melk had geleverd dan in 1981 .
4 Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat de Raad bij verordening nr . 856/84 van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening nr . 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 10 ) een extra heffing heeft ingesteld, die wordt geheven over de geleverde hoeveelheden melk die een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden; de heffing is verschuldigd hetzij door de melkproducent ( formule A ), hetzij door de koper van melk of andere zuivelprodukten, die haar doorberekent aan die producenten die hun leveranties hebben verhoogd, in evenredigheid met hun bijdrage aan de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper ( formule B ).
5 De berekening van de referentiehoeveelheid, dat wil zeggen de hoeveelheid waarover de extra heffing niet verschuldigd is, is geregeld bij de reeds genoemde verordening nr . 857/84 van de Raad . Volgens artikel 2, lid 1, daarvan is de referentiehoeveelheid gelijk aan de hoeveelheid melk of melkequivalent die tijdens het kalenderjaar 1981 is geleverd of gekocht, verhoogd met 1 %. Ingevolge lid 2 van dit artikel kunnen de Lid-Staten evenwel bepalen, dat op hun grondgebied de referentiehoeveelheid gelijk is aan de hoeveelheid melk of melkequivalent geleverd of gekocht gedurende het kalenderjaar 1982 of 1983, met aanwending van een percentage dat zodanig wordt vastgesteld, dat de gegarandeerde hoeveelheid voor de betrokken Lid-Staat niet wordt overschreden . Dit percentage kan variëren aan de hand van onder meer de ontwikkeling van de leveranties van bepaalde categorieën heffingplichtigen tussen 1981 en 1983, volgens voorwaarden te bepalen overeenkomstig de beheerscomitéprocedure .
6 Voor sommmige bijzondere situaties zijn in de artikelen 3, 4 en 4 bis van dezelfde verordening afwijkingen op die regels voorzien . Meer in het bijzonder bepaalt artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84, dat "voor producenten wier melkproduktie over het overeenkomstig artikel 2 gekozen referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen die zich vóór of tijdens dat jaar hebben voorgedaan, op hun verzoek een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981 tot en met 1983 in aanmerking wordt genomen ".
7 De uitvoeringsbepalingen voor de extra heffing zijn vastgesteld bij de reeds genoemde verordening nr . 1371/84 van de Commissie . Krachtens artikel 2, lid 1, van deze verordening houden de Lid-Staten die voor de toepassing van formule A en/of B gebruik maken van de in artikel 2, lid 2, tweede zin, van verordening nr . 857/84 bedoelde mogelijkheid tot differentiatie van het percentage dat wordt gebruikt voor de vaststelling van de referentiehoeveelheden van de producenten en/of kopers, onder meer rekening met de ontwikkeling, tussen 1981 en 1983, van de leveranties van bepaalde categorieën heffingplichtigen, zoals die zijn vastgesteld op grond van die ontwikkeling en eventueel ten opzichte van de gemiddelde ontwikkeling van de leveranties in de betrokken Lid-Staat . Artikel 3 van dezelfde verordening bevat een lijst van situaties op grond waarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 een ander referentiekalenderjaar kan worden genomen .
8 Voor de uitvoering van de gemeenschapsregeling betreffende de extra heffing op melk heeft de Bondsrepubliek Duitsland gekozen voor het jaar 1983 in het kader van formule A ( formule producent ). De referentiehoeveelheid voor de in Duitsland gevestigde producenten is in beginsel gelijk aan de door hen in het kalenderjaar 1983 geleverde hoeveelheid melk, verminderd met 4 %. Indien in het kalenderjaar 1983 meer melk is geleverd dan in het kalenderjaar 1981, wordt deze basisaftrek volgens een bepaalde formule verhoogd, doch met ten hoogste 5 %.
9 Met zijn bij het Finanzgericht Duesseldorf ingestelde beroep tracht verzoeker te bereiken, dat zijn referentiehoeveelheid wordt herberekend zonder verhoging van de basisaftrek wegens de stijging van zijn produktie tussen 1981 en 1983 . Tot staving van zijn verzoek beroept hij zich op het feit dat er sprake was van een buitengewone gebeurtenis in de zin van artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84, te weten een uierziekte bij zijn melkkoeien waardoor de melkproduktie van zijn bedrijf in 1981 en 1982 was teruggelopen .
10 Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhangt van de uitlegging van de gemeenschapsregeling betreffende de extra heffing op melk, heeft het Finanzgericht Duesseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
" Wordt artikel 3, punt 3, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 ( PB 1984, L 90, blz . 13 ) juncto artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 ( PB 1984, L 132, blz . 11 ) geschonden, wanneer artikel 4, lid 2, tweede zin, van de Milch-Garantiemengen-Verordnung van 25 mei 1984 ( BGBl . 1984 I, blz . 720 ) in de versie van de eerste wijzigingverordening van 27 september 1984 ( BGBl . 1984 I, blz . 1255 ) bij de berekening van de stijgingsaftrek aldus wordt uitgelegd, dat wanneer de melkproduktie in het kalenderjaar 1981 door een buitengewone gebeurtenis ( epizooetie ) in de zin van voornoemde EG-bepalingen werd getroffen, niet wordt uitgegaan van de daadwerkelijk in het jaar 1981 geproduceerde hoeveelheid melk, maar van de te schatten hoeveelheid die de melkproducent zonder die gebeurtenis in het jaar 1981 zou hebben bereikt?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de relevante communautaire en nationale voorschriften alsmede het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
12 Met zijn vraag wil de nationale rechter in wezen weten, of het op grond van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 en van verordening nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 is toegestaan om, ingeval een Lid-Staat het jaar 1983 als referentiejaar heeft gekozen, rekening te houden met de situatie van producenten wier melkproduktie in 1981 of 1982 door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed .
13 Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst de draagwijdte worden onderzocht van artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 en van artikel 3 van verordening nr . 1371/84, die uitdrukkelijk in de verwijzingsbeschikking worden genoemd . Op grond van deze bepalingen kunnen producenten die het slachtoffer zijn geworden van bepaalde buitengewone gebeurtenissen, waardoor hun melkproduktie in het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiekalenderjaar aanzienlijk is beïnvloed, aanspraak maken op inaanmerkingneming van een ander referentiekalenderjaar binnen de periode 1981 tot en met 1983 .
14 Zoals het Hof laatstelijk in het arrest van 27 juni 1989 ( zaak 113/88, Leukhardt, Jurispr . 1989, blz . 1991, r.o . 13 ) heeft vastgesteld, geeft de regeling betreffende de extra heffing blijkens haar opzet en doel een limitatieve opsomming van de situaties waarin referentiehoeveelheden of individuele hoeveelheden kunnen worden toegekend, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die hoeveelheden .
15 Aangezien artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 en artikel 3 van verordening nr . 1371/84 blijkens de duidelijke bewoordingen ervan enkel zijn bedoeld voor de situatie waarin de melkproduktie van de betrokkene tijdens het door de desbetreffende Lid-Staat gekozen referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door een buitengewone gebeurtenis, volgt hieruit dat zij niet de situatie regelen van producenten die, zoals in casu, in de loop van een ander jaar dan het referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis zijn getroffen .
16 Hoewel de nationale rechter in zijn verwijzingsbeschikking enkel naar de genoemde bepalingen verwijst, lijkt het gewenst om, gelet op de inhoud van het dossier en ten einde de nationale rechter te voorzien van alle elementen van gemeenschapsrecht die zouden kunnen bijdragen aan de oplossing van het hoofdgeding, eveneens de draagwijdte te onderzoeken van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 en van artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1371/84 . Deze bepalingen geven de Lid-Staten, die het kalenderjaar 1982 of 1983 als referentiejaar kiezen, de mogelijkheid om het percentage dat wordt gebruikt voor de vaststelling van de referentiehoeveelheden te differentiëren aan de hand van bepaalde criteria, waaronder de ontwikkeling van de leveranties tussen 1981 en 1983 van bepaalde categorieën heffingplichtigen .
17 De Lid-Staten die gebruik maken van deze mogelijkheid, dienen zelf te bepalen, op welke categorieën heffingplichtigen zij de differentiaties willen toepassen, maar zij moeten deze categorieën wel vaststellen met inachtneming van de doelstellingen van de gemeenschapsregeling ter zake .
18 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat de mogelijkheid om de referentiehoeveelheden volgens categorieën heffingplichtigen te variëren is bedoeld om de Lid-Staten die 1982 of 1983 als referentiejaar hebben gekozen, rekening te kunnen laten houden met na 1981 ingetreden structurele wijzigingen ( arrest van 25 november 1986, gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klensch e.a ., Jurispr . 1986, blz . 3477, r.o . 14 ).
19 Hieruit volgt, dat wanneer een Lid-Staat, zoals in casu, besluit om de aftrek die wordt toegepast op de door de producenten gedurende het referentiejaar geleverde hoeveelheden melk, te verhogen naargelang hun leveranties tussen 1981 en 1983 zijn gestegen, het gemeenschapsrecht niet verbiedt om de categorie producenten wier hogere leveranties gedurende deze periode niet het gevolg zijn van een structurele wijziging, van deze verhoging vrij te stellen en om met name de situatie van de categorie producenten in aanmerking te nemen wier melkproduktie in 1981 of 1982 door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed .
20 De nationale rechter moet beoordelen, of en zo ja in hoeverre de nationale rechtsorde hem de mogelijkheid biedt om, bij gebreke van uitdrukkelijke regels hiervoor in het nationale recht, rekening te houden met een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding .
21 Om deze redenen moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 3, punt 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 juncto artikel 3 van verordening nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 niet de situatie regelt van producenten die tijdens een ander jaar dan het referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis zijn getroffen . Op grond van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 juncto artikel 2, lid 1, van verordening nr . 1371/84 daarentegen kan, ingeval een Lid-Staat als referentiejaar 1983 heeft gekozen en de mogelijkheid heeft benut om het percentage dat wordt gebruikt voor de vaststelling van de referentiehoeveelheden te differentiëren aan de hand van de ontwikkeling van de leveranties van de producenten tussen 1981 en 1983, bij deze differentiatie rekening worden gehouden met de situatie van de categorie producenten wier melkproduktie in 1981 of 1982 door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed .
Beslissing inzake de kostenKosten
22 De kosten door de Duitse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Duesseldorf bij beschikking van 1 februari 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Artikel 3, punt 3, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 juncto artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 regelt niet de situatie van producenten die tijdens een ander jaar dan het referentiejaar door een buitengewone gebeurtenis zijn getroffen . Op grond van artikel 2, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 juncto artikel 2, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 daarentegen kan, ingeval een Lid-Staat als referentiejaar 1983 heeft gekozen en de mogelijkheid heeft benut om het percentage dat wordt gebruikt voor de vaststelling van de referentiehoeveelheden te differentiëren aan de hand van de ontwikkeling van de leveranties van de producenten tussen 1981 en 1983, bij deze differentiatie rekening worden gehouden met de situatie van de categorie producenten wier melkproduktie in 1981 of 1982 door een buitengewone gebeurtenis is beïnvloed .
Top