Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 4 OKTOBER 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN IERLAND. - VISSERIJ - VERGUNNINGEN - RECHT VAN VESTIGING. - ZAAK C-93/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-04569
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Visserij - Verlening van visvergunningen door Lid-Staat voor in zijn registers ingeschreven vaartuigen - Vergunningverlening enkel voor onderdanen van andere Lid-Staten afhankelijk van voorwaarde dat vennootschap naar nationaal recht wordt opgericht - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 52)
SamenvattingHet feit dat een Lid-Staat voor onderdanen van andere Lid-Staten die eigenaar zijn van een in zijn register ingeschreven vaartuig, voor de verlening van een visvergunning als voorwaarde stelt, dat zij een aan zijn nationaal recht onderworpen vennootschap oprichten, terwijl dit vereiste niet geldt voor zijn eigen onderdanen, levert een bij artikel 52 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van het recht van vestiging op, welke niet kan worden gerechtvaardigd op grond van het bestaan van een communautair stelsel van nationale vangstquota, daar de betrokken vergunningen niet ten doel hebben de voorschriften voor het gebruik van die quota vast te stellen.
PartijenIn zaak C-93/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. C. Fischer en P. Oliver, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Ierland, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State Solicitor, bijgestaan door J. O'Reilly, Senior Council bij de balie van Ierland, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Ierse ambassade, Route d'Arlon 28,
verweerder,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, oorspronkelijk vertegenwoordigd door J. Gensmantel, Treasury Solicitor's Department, nadien door R. Caudwell, Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door C. Vajda, Barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Britse ambassade, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënt,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat Ierland, door te verlangen dat onderdanen van andere Lid-Staten een vennootschap naar Iers recht oprichten om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning om de zeevisserij te beoefenen, de krachtens artikel 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, T. F. O'Higgins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: J.-G. Giraud
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 17 januari 1991, tijdens welke het Verenigd Koninkrijk was vertegenwoordigd door C. Bellamy, QC,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 maart 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot de vaststelling dat Ierland, door te verlangen dat onderdanen van andere Lid-Staten een vennootschap naar Iers recht oprichten om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning de zeevisserij te beoefenen, de krachtens artikel 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Bij Section 2 van de Fisheries (Amendment) Act 1983 (hierna "wet van 1983") is in de Fisheries (Consolidation) Act 1959 (wet van 1959 houdende codificering van de bepalingen betreffende de visserij, hierna "wet van 1959") een Section 222 B ingevoegd. Het tweede lid van Section 222 B bepaalt, dat een in Ierland geregistreerd vissersvaartuig zowel in de exclusieve visserijzone van Ierland als elders, slechts voor de zeevisserij mag worden gebruikt krachtens een door de bevoegde minister afgegeven vergunning.
3 Section 222 B, lid 4, sub a, luidt als volgt:
"De minister verleent slechts een vergunning in de zin van onderhavige Section, wanneer het vissersvaartuig waarvoor de vergunning wordt afgegeven, volledig in eigendom toebehoort aan een Iers onderdaan of aan een overeenkomstig de wetgeving van de staat opgerichte rechtspersoon die aan die wetgeving onderworpen is en die zijn centrum van werkzaamheid (principal place of business) in de staat heeft."
4 Van oordeel dat Section 222 B, lid 4, sub a, van de wet van 1959 in strijd is met artikel 52 EEG-Verdrag, heeft de Commissie tegen Ierland de procedure van artikel 169 ingeleid.
5 Bij beschikking van 4 oktober 1989 heeft het Hof het Verenigd Koninkrijk toegestaan, te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van Ierland.
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Vooraf zij opgemerkt, dat de Commissie en Ierland het erover eens zijn, dat de verweten niet-nakoming enkel de in Section 222 B, lid 4, sub a, van de wet van 1959 neergelegde voorwaarden voor de afgifte van een visvergunning betreft, en niet de - identieke - voorwaarden die de Ierse wetgeving voor de registratie van vissersvaartuigen stelt.
8 Volgens de Commissie is Section 222 B, lid 4, sub a, van de wet van 1959 in strijd met artikel 52 EEG-Verdrag, omdat het een discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt jegens onderdanen van andere Lid-Staten die eigenaar zijn van in Ierland geregistreerde vissersvaartuigen. Anders dan Ierse onderdanen, zouden onderdanen van andere Lid-Staten namelijk een vennootschap naar Iers recht moeten oprichten, met alle ongemak en kosten van dien, alvorens zij in aanmerking kunnen komen voor een visvergunning.
9 De Ierse regering betoogt, dat deze nationale bepaling niet discriminerend is. Om te beginnen zou zij niet van toepassing zijn op onderdanen van andere Lid-Staten, doch zou zij gelden voor alle in Ierland geregistreerde of aan registratie onderworpen vissersvaartuigen. Voorts zou zij eigenaars van in andere Lid-Staten geregistreerde vissersvaartuigen niet beletten, zich in Ierland te vestigen en hun vaartuigen vanuit Ierse havens te exploiteren.
10 Met betrekking tot deze argumenten moet worden opgemerkt, dat in casu het verwijt van de Commissie niet een discriminatie tussen in verschillende Lid-Staten geregistreerde vaartuigen betreft, doch het uit de betrokken bepaling voortvloeiende verschil in behandeling van Ierse onderdanen die eigenaar zijn van een in Ierland geregistreerd vissersvaartuig enerzijds, en onderdanen van andere Lid-Staten die eveneens eigenaar zijn van een in Ierland geregistreerd vissersvaartuig anderzijds.
11 Dit verschil in behandeling is, wat de vrijheid van vestiging aangaat, een bij artikel 52 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit.
12 Voorts betoogt de Ierse regering, dat de betrokken nationale bepaling gerechtvaardigd is uit hoofde van het communautaire stelsel van vangstquota, daar zij de aan Ierland toegewezen quota dient te beschermen tegen het misbruik dat bekend staat als "quota hopping". Zij voegt daaraan toe, dat de correcte toepassing van vorenbedoeld quotastelsel door de Lid-Staten onder het begrip openbare orde in de zin van artikel 56, lid 1, EEG-Verdrag valt.
13 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het Hof in de arresten van 14 december 1989 (zaken C-3/87, Agegate, en C-216/87, Jaderow, Jurispr. 1989, blz. 4459, resp. 4509) heeft opgemerkt, dat de Lid-Staten bij de uitoefening van de hun toegekende bevoegdheid om de regels voor het gebruik van hun quota vast te stellen, mogen bepalen, welke vaartuigen onder hun nationale quota mogen vissen, mits de daarbij gehanteerde criteria verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. In laatstgenoemd arrest verklaarde het Hof inzonderheid voor recht, dat een Lid-Staat voorwaarden mag stellen die moeten verzekeren dat het vaartuig een daadwerkelijke economische band met die Lid-Staat heeft, voor zover die band slechts de relatie tussen de visserijactiviteiten van dat vaartuig en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën betreft.
14 In dit verband moet worden opgemerkt, dat de in de betrokken nationale bepaling bedoelde visvergunningen, die niet specifiek betrekking hebben op vissoorten waarvoor quota gelden, niet ten doel hebben de voorschriften voor het gebruik van de Ierse quota vast te stellen, doch de toestemming voor de beoefening van de visserij in het algemeen, door ieder in Ierland geregistreerd vissersvaartuig, regelen. Bijgevolg kan een dergelijke bepaling, ongeacht de door de nationale wetgever beoogde doeleinden, niet worden gerechtvaardigd op grond van het bestaan van een communautair stelsel van nationale quota.
15 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat Ierland, door te verlangen dat onderdanen van andere Lid-Staten een vennootschap naar Iers recht oprichten om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning om de zeevisserij te beoefenen, de krachtens artikel 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
16 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien Ierland in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen. Het Verenigd Koninkrijk, dat heeft geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van Ierland, dient zijn eigen kosten te dragen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door te verlangen dat onderdanen van andere Lid-Staten een vennootschap naar Iers recht oprichten om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning om de zeevisserij te beoefenen, is Ierland de krachtens artikel 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Ierland wordt verwezen in de kosten.
3) Het Verenigd Koninkrijk zal zijn eigen kosten dragen.
Top