Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (EERSTE KAMER) VAN 7 MAART 1991. - BAYWA AG TEGEN HAUPTZOLLAMT WEIDEN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT MUENCHEN - DUITSLAND. - DOUANEWAARDE VAN GOEDEREN - ZAAIZAAD - LICENTIERECHTEN. - ZAAK C-116/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01095
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Gemeenschappelijk douanetarief - Douanewaarde - Transactiewaarde - Bepaling - Zaaizaad verkregen met gebruikmaking van door koper geleverd basiszaad - Door de koper voor de aankoop van basiszaad in de Gemeenschap verschuldigde licentierechten - Betaalde prijs te verhogen met rechten
( Verordening nr . 1224/80 van de Raad, artikel 8, lid 1, sub b-i )
SamenvattingTer bepaling van de douanewaarde van zaaizaad dat is verkregen met gebruikmaking van door de koper geleverd basiszaad, moet de betaalde of te betalen prijs ingevolge artikel 8, lid 1, sub b-i, van verordening nr . 1224/80 ook dan worden verhoogd met de licentierechten die de koper voor het zaaizaad aan de kweker van het basiszaad verschuldigd is, wanneer de kwekersprestatie in de Gemeenschap is verricht .
In de eerste plaats immers zijn de licentierechten kosten die op de verkrijging van het basiszaad drukken en die deel uitmaken van de prijs die moet worden betaald voor dat basiszaad, dat vervolgens opgaat in de ingevoerde goederen . In de tweede plaats bestaat er geen algemeen beginsel volgens hetwelk de in het douanegebied van de Gemeenschap verrichte prestaties en geproduceerde goederen buiten de douanewaarde vallen .
PartijenIn zaak C-116/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen
BayWa AG
en
Hauptzollamt Weiden,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt : G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en R . Joliet, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz,
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur,
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- BayWa AG, vertegenwoordigd door H . Fischer, jurist bij haar juridische afdeling,
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E . Roeder, Regierungsdirektor bij het Ministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Sack als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van BayWa AG, vertegenwoordigd door M . Schmitt, advocaat te Parijs, en de Commissie ter terechtzitting van 29 maart 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 mei 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 15 februari 1989, ingekomen ten Hove op 10 april daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1, hierna : "douanewaardeverordening ").
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen de Duitse onderneming BayWa AG ( hierna : "BayWa ") en het Hauptzollamt Weiden ( hierna : "Hauptzollamt ") over een heffingsbeschikking in verband met de invoer van zaaizaad .
3 BayWa koopt basiszaad van Duitse kwekers en verkoopt dit aan vermeerderingsbedrijven in Polen en Tsjechoslowakije, die zaaizaad produceren . Dat zaaizaad wordt dan weer aan BayWa verkocht, die het in de Gemeenschap invoert . Op grond van de met de Duitse kwekers gesloten overeenkomsten moet BayWa in de regel vóór 31 mei van het op de oogst volgende jaar licentierechten betalen, die worden berekend aan de hand van de hoeveelheid in die derde landen geproduceerd zaaizaad .
4 Bij beschikking van 27 mei 1985 bepaalde het Hauptzollamt, dat de door BayWa voor het zaaizaad aan de Duitse kwekers betaalde licentierechten in de douanewaarde van het ingevoerde zaaizaad moesten worden begrepen . Het baseerde zich daarbij op artikel 8, lid 1, sub b-i, van de douanewaardeverordening, volgens hetwelk de werkelijk voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs moet worden verhoogd met de waarde van "materialen, delen, onderdelen en dergelijke goederen", indien deze "gratis of tegen verminderde prijs rechtstreeks of zijdelings door de koper worden geleverd voor gebruik in verband met de voortbrenging en verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet is begrepen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs ".
5 BayWa kwam van deze beschikking in beroep bij het Finanzgericht Muenchen, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vraag heeft gesteld :
"Moet bij een koop van zaaizaad dat verkregen is met gebruikmaking van door de koper geleverd basiszaad, ter bepaling van de douanewaarde de betaalde of te betalen prijs ook dan worden verhoogd met de licentierechten die de koper voor het zaaizaad aan de kweker van het basiszaad verschuldigd is, wanneer de kwekersprestatie in de Gemeenschap is verricht?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Ingevolge artikel 3, lid 1, van de douanewaardeverordening moet de transactiewaarde overeenkomstig artikel 8 worden aangepast . Artikel 8, lid 1, noemt daartoe een aantal elementen waarmee de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs moet worden verhoogd, waaronder in het bijzonder de waarde van in de ingevoerde goederen verwerkte materialen .
8 Tussen partijen staat vast, dat de douanewaarde van het zaaizaad zowel de waarde van het basiszaad omvat als de voor de vermeerderingsbedrijven in de derde landen ontstane kosten van vermeerdering en certificering . BayWa stelt evenwel, dat de licentierechten niet als deel van de waarde van de in de ingevoerde goederen verwerkte materialen kunnen worden gezien, aangezien deze rechten worden berekend aan de hand van de hoeveelheid voortgebracht, ingevoerd en aansluitend in de Gemeenschap verkocht zaaizaad . De verplichting tot betaling van licentierechten zou eerst ontstaan op het tijdstip waarop BayWa het zaaizaad in Duitsland in het verkeer brengt; deze rechten zouden daarom geen bestanddeel van de waarde van het basiszaad zijn .
9 Tot staving van haar opvatting wijst BayWa erop, dat volgens de tussen haar en de Duitse kwekers gesloten overeenkomsten geen licentierecht opeisbaar is indien het zaaizaad in het derde land wordt vernietigd . Voorts zou de verplichting tot betaling van licentierechten uitsluitend voortvloeien uit de contractuele verhouding tussen BayWa en de kwekers; in de overeenkomst tussen BayWa en de vermeerderingsbedrijven in de derde landen zou daarentegen van een dergelijke verplichting niet worden gerept; in Polen noch Tsjechoslowakije zou overigens een kwekersrecht zijn erkend .
10 Deze zienswijze kan niet worden aanvaard . Vaststaat, dat de licentierechten de vergoeding vormen voor de prestatie van de kweker en ertoe dienen, de kweker een passend aandeel te verzekeren in de door het kweken van het basiszaad ontstane winst . Op die grond komt de kwekers naast de voor het basiszaad gevorderde basisprijs een licentierecht toe, dat wordt berekend naar de hoeveelheid ingevoerd zaaizaad en het tijdstip waarop dit in het verkeer wordt gebracht . Ook de kweker draagt zodoende in zekere mate de aan het vermeerderingsprocédé en het in het verkeer brengen verbonden risico' s . Zo is bij voorbeeld geen licentierecht verschuldigd wanneer de oogst van het zaaizaad in de derde landen mislukt . Evenzo worden de rechten op een later tijdstip verschuldigd, wanneer BayWa het zaaizaad niet vóór 31 mei van het op de oogst volgende jaar verkoopt .
11 Bovendien zijn blijkens de stukken de overeenkomsten tussen de Duitse kwekers en BayWa enerzijds en die tussen BayWa en de Poolse en Tsjechoslowaakse vermeerderingsbedrijven anderzijds nauw met elkaar verbonden . De koopovereenkomsten betreffende het basiszaad komen slechts tot stand na overlegging van het vermeerderingscontract tussen BayWa en de onderneming in het derde land . Voorts vermelden zij de verplichtingen waaraan de vermeerderingsbedrijven moeten voldoen . Aldus verzekeren de kwekers zich ervan, dat behoudens toestemming hunnerzijds al het zaaizaad in Duitsland wordt ingevoerd en aldaar in het verkeer gebracht, zodat de licentierechten opeisbaar worden .
12 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de licentierechten kosten zijn die op de verkrijging van het basiszaad drukken en deel uitmaken van de daarvoor te betalen prijs . Aangezien het basiszaad vervolgens opgaat in de ingevoerde goederen, moet de ingevolge artikel 8, lid 1, sub b-i, voor het ingevoerde zaad werkelijk betaalde of te betalen prijs met deze rechten worden verhoogd .
13 Mitsdien behoeft niet te worden ingegaan op de argumenten die BayWa ontleent aan de uitlegging van artikel 8, leden 1, sub c, en 5, sub b, van de douanewaardeverordening en van artikel 1, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 3158/83 van de Commissie van 9 november 1983 betreffende de invloed van royalty' s en licentierechten op de douanewaarde ( PB 1983, L 309, blz . 19 ).
14 Ter terechtzitting heeft BayWa gesteld, dat het tegen de algemene beginselen van het communautaire douanerecht zou ingaan om de licentierechten in de douanewaarde van het zaaizaad op te nemen, aangezien de kwekersprestatie waardoor het basiszaad is verkregen, geheel op het grondgebied van de Gemeenschap is verricht .
15 Ook dit argument moet worden verworpen . Er bestaat geen algemeen beginsel volgens hetwelk de in het douanegebied van de Gemeenschap verrichte prestaties en geproduceerde goederen buiten de douanewaarde vallen . Ook hier kan worden volstaan met te verwijzen naar artikel 8, lid 1, sub b-i, van de douanewaardeverordening, dat volstrekt geen onderscheid maakt naar gelang de produktiekosten van de in de ingevoerde goederen verwerkte materialen binnen de Gemeenschap zijn gemaakt dan wel daarbuiten .
16 Inderdaad bepaalt artikel 8, lid 1, sub b, punt iv, dat de waarde van bepaalde geestelijke prestaties, zoals engineering, ontwikkeling en ontwerpen, slechts dan in de douanewaarde wordt begrepen wanneer zij elders dan in de Gemeenschap zijn verricht .
17 In deze bepaling wordt echter niet gesproken van de kwekersprestatie . Bovendien betreft zij slechts de prestaties "noodzakelijk voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen ". In het aan het hoofdgeding ten grondslag liggende geval waren evenwel bij de produktie van het zaaizaad geen geestelijke prestaties zoals engineering vereist; de geestelijke prestatie van het kweken van het basiszaad was reeds voltooid en speelde bij de vermeerdering geen rol meer .
18 Mitsdien moet op de vraag van het Finanzgericht Muenchen worden geantwoord, dat bij de koop van zaaizaad dat verkregen is met gebruikmaking van door de koper geleverd basiszaad, ter bepaling van de douanewaarde de betaalde of te betalen prijs ingevolge artikel 8, lid 1, sub b-i, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, ook dan moet worden verhoogd met de licentierechten die de koper voor het zaaizaad aan de kweker van het basiszaad verschuldigd is, wanneer de kwekersprestatie in de Gemeenschap is verricht .
Beslissing inzake de kostenKosten
19 De kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 15 februari 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Bij de koop van zaaizaad dat verkregen is met gebruikmaking van door de koper geleverd basiszaad, moet ter bepaling van de douanewaarde de betaalde of te betalen prijs ingevolge artikel 8, lid 1, sub b-i, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, ook dan worden verhoogd met de licentierechten die de koper voor het zaaizaad aan de kweker van het basiszaad verschuldigd is, wanneer de kwekersprestatie in de Gemeenschap is verricht .
Top