Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 26 JUNI 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK BELGIE. - ACCIJNS OP BIER - TERUGBETALING BIJ UITVOER - COMPENSATIE BIJ INVOER. - ZAAK C-153/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03171
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Fiscale bepalingen - Binnenlandse belastingen - Stelsel van belastingheffing op bier - Heffing van accijnzen op warm wort, zonder dat rekening wordt gehouden met verliezen die optreden tijdens vervaardiging van eindprodukt - Forfaitair berekende compensatie bij invoer en terugbetaling bij uitvoer van accijns - Verenigbaarheid met artikelen 95, eerste alinea, en 96 EEG-Verdrag - Voorwaarden - Toepassing van verliespercentage dat hoger is dan dat van sommige nationale producenten - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 95, eerste alinea, en 96)
SamenvattingEen stelsel van belastingheffing op bier waarin accijnzen niet worden geheven op het eindprodukt, maar op het warme wort, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de verliezen die optreden in de latere stadia van vervaardiging en verpakking en waarin, nu het technisch gesproken niet mogelijk is, achteraf vast te stellen welke hoeveelheid warm wort daadwerkelijk verloren is gegaan, ingevoerd bier wordt belast op grondslag van de hoeveelheid eindprodukt, waarop een forfaitaire correctie wordt toegepast om te komen tot de hoeveelheid warm wort die wordt verondersteld te zijn gebruikt, terwijl voor uitgevoerd bier een forfaitair berekende terugbetaling van accijns plaatsvindt, kan enkel worden geacht in overeenstemming te zijn met de artikelen 95, eerste alinea, en 96 EEG-Verdrag, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht, dat het in elk geval is uitgesloten dat ingevoerd bier zwaarder wordt belast dan nationaal bier en bij uitvoer van bier meer belasting wordt terugbetaald dan vóór uitvoer op het produkt is geheven.
Derhalve komt een Lid-Staat de krachtens de artikelen 95 en 96 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet na, wanneer hij bij de toepassing van een dergelijk stelsel van belastingheffing op bier de accijns bij invoer heft en bij uitvoer terugbetaalt op basis van een in procenten uitgedrukt verlies aan wort in het eindprodukt, dat het verliespercentage in sommige nationale brouwerijen overschrijdt.
PartijenIn zaak C-153/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur H. Etienne als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, bijgestaan door P. Bastin, inspecteur-generaal bij het Ministerie van Financiën, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 95 en 96 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door de accijns op bier bij invoer te compenseren en bij uitvoer terug te betalen op basis van een in procenten uitgedrukt verlies aan wort in het eindprodukt, dat het gemiddelde verliespercentage in de Belgische brouwerij-industrie en in elk geval het verliespercentage in sommige Belgische brouwerijen overschrijdt,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins en G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: J.-G. Giraud
gehoord partijen in hun pleidooien ter terechtzitting van 10 januari 1991, waarbij het Koninkrijk België werd vertegenwoordigd door R. Hoebaer als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 februari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest2 Krachtens de gemeenschappelijke bepalingen van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie wordt in Luxemburg en België de accijns op bier niet geheven op het eindprodukt, maar op het warme wort, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de verliezen die optreden in de latere stadia van vervaardiging en verpakking. In een dergelijk stelsel is de totale belastingdruk op het eindprodukt bier afhankelijk van de verliezen die optreden bij de omzetting van wort in bier. De belastingdruk is geringer naarmate die verliezen kleiner zijn.
3 Het bedrag van de accijns waarmee het eindprodukt bij uitvoer of invoer wordt geacht te zijn belast, dient te worden berekend aan de hand van de heffingsgrondslag, te weten het warme wort waaruit het bier wordt vervaardigd, met inachtneming van de met de omzetting van wort in bier gepaard gaande verliezen. Bij uitvoer geschiedt deze omrekening van uitgevoerd produkt in warm wort op basis van een verliespercentage van 10 % wort. Bij invoer worden de daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheden bier verhoogd met 5 %, om rekening te houden met de in de brouwerijen in de Lid-Staat van herkomst opgetreden verliezen, hetgeen overeenkomt met een verliespercentage van 4,7619 % warm wort.
4 Op 16 december 1983 zond de Commissie de Belgische regering krachtens artikel 169 EEG-Verdrag een schriftelijke ingebrekestelling. Volgens deze brief overschreden de verliespercentages die België toepaste om de accijns bij invoer te heffen en bij uitvoer terug te betalen, de daadwerkelijke verliezen in eigen land en leverden zij derhalve strijd op met de artikelen 95 en 96 EEG-Verdrag. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikte, konden in een moderne brouwerij verliezen worden geregistreerd van niet meer dan 2 %, en bestond er geen enkele reden om aan te nemen, dat in Belgische brouwerijen hogere verliezen werden geleden. In het Belgische stelsel van belastingheffing op bier, aldus de Commissie, was de bij uitvoer terugbetaalde belasting hoger dan de daadwerkelijk op het eindprodukt rustende belasting en was de bij invoer geheven belasting hoger dan de belasting op het gelijksoortige nationale produkt.
5 In haar antwoord zette de Belgische regering haar stelsel van belastingheffing op bier uiteen en betwistte zij, dat de aan de grenzen toegepaste tarieven in strijd waren met de artikelen 95 en 96 EEG-Verdrag. Daarop belastte de Commissie twee onafhankelijke deskundigen, de professoren Dalgliesh en Narziss, met een onderzoek. Op basis van de deskundigenrapporten bracht zij op 2 februari 1987 het met redenen omkleed advies uit, waarin voor België verliespercentages werden aanvaard die voor uitgevoerde bieren de laagste waarden op de schaal 3,8 tot en met 5,1 % benaderden en voor aan de binnenlandse markt geleverde bieren de laagste waarden op de schaal 2,7 tot en met 4 %.
6 Bij brief van 6 april 1987 antwoordde de Belgische regering, dat de meeste Belgische produktie-eenheden door hun gemiddelde omvang niet de produktiviteit konden halen van de efficiënte brouwerijen die als referentie hadden gediend voor de werkzaamheden van de deskundigen van de Commissie. Bovendien stelde de Belgische regering een ontmoeting voor tussen de Commissie en vertegenwoordigers van de Belgische overheid en brouwerij-industrie, die plaatsvond op 9 juli 1987. Na afloop van dit onderhoud deed de Belgische regering de Commissie een nota toekomen met een door Dr. Wittmann op verzoek van de Confederatie der Brouwerijen van België verrichte studie, waarin het verliespercentage in Belgische brouwerijen voor exportbieren werd geschat op 10,25 %. Daar zij deze uitleg niet bevredigend achtte, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
7 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke wettelijke bepalingen, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Artikel 95
8 Volgens de Commissie wordt in het Belgische stelsel ingevoerd bier anders belast dan eigen bier. Terwijl de rationeel opererende Belgische brouwer een voordeel geniet door teruggave van accijns, wordt het ingevoerde produkt steeds forfaitair belast. Een dergelijk stelsel is enkel in overeenstemming met artikel 95, indien België kan aantonen, dat zelfs in de meest efficiënte Belgische brouwerijen altijd zoveel warm wort verloren gaat als het voor ingevoerde bieren forfaitair vastgestelde verliespercentage, te weten 4,7619 %.
9 Volgens de Belgische regering heeft de Commissie, die de bewijslast inzake de niet-nakoming draagt, niet kunnen aantonen dat er sprake is van overcompensatie. De onderzoeken van Dalgliesh en Narziss, waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, zouden onvolledig en onsamenhangend zijn. Deze onderzoeken zouden zijn uitgevoerd bij buitenlandse brouwerijen en niet ingaan op alle karakteristieken van de vervaardiging van Belgische bieren.
10 Vooraf zij opgemerkt, dat het probleem van de verenigbaarheid van het litigieuze belastingstelsel met artikel 95 EEG-Verdrag voortvloeit uit de omstandigheid, dat voor ingevoerde produkten een andere heffingsgrondslag wordt toegepast dan voor nationale produkten. Nationaal bier wordt belast op grondslag van de gebruikte hoeveelheid warm wort, zonder dat rekening wordt gehouden met de bij de omzetting van warm wort in bier verloren gegane hoeveelheid, zodat de efficiënte producent een belastingvoordeel geniet. Ingevoerd bier wordt daarentegen belast op grondslag van de hoeveelheid eindprodukt, waarop een forfaitaire correctie wordt toegepast om te komen tot de hoeveelheid warm wort die wordt verondersteld bij de produktie van het bier te zijn gebruikt.
11 De wijze van belastingheffing op in eigen land vervaardigd bier, die plaatsvindt op basis van het warme wort en niet van het eindprodukt, kan niet worden toegepast op ingevoerd bier, omdat het technisch gesproken niet mogelijk is, achteraf vast te stellen welke hoeveelheid warm wort tijdens het produktieproces van bier daadwerkelijk verloren is gegaan.
12 Het Hof heeft reeds overwogen, dat artikel 95, eerste alinea, wordt geschonden wanneer de belasting op het ingevoerde produkt en die op het gelijksoortige nationale produkt op verschillende wijze en volgens verschillende uitvoeringsvoorschriften worden berekend, waardoor het ingevoerde produkt, zij het slechts in sommige gevallen, hoger wordt belast (arrest van 17 februari 1976, zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181).
13 Bijgevolg kan het litigieuze belastingstelsel enkel worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 95, eerste alinea, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerd bier zwaarder wordt belast dan nationaal bier.
14 Om na te gaan of aan deze voorwaarde is voldaan, moet de belasting op ingevoerd bier, waarvoor een forfaitair verliespercentage warm wort wordt gehanteerd, worden vergeleken met de laagste daadwerkelijk op nationaal bier drukkende belasting, die slechts kan worden vastgesteld aan de hand van het verliespercentage van de meest efficiënte nationale brouwerij.
15 Indien de hiervoor opgestelde criteria worden toegepast op de feiten van de onderhavige zaak, moet worden vastgesteld dat het Belgische stelsel niet zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen uitgesloten is, dat ingevoerd bier zwaarder wordt belast dan nationaal bier.
16 Gelet op de ondoorzichtigheid van het betrokken belastingstelsel, stond het aan verweerder aan te tonen, dat dit stelsel in geen geval discriminerende gevolgen heeft.
17 Blijkens de door de Commissie geproduceerde deskundigenrapporten - een rapport van Dalgliesh en twee rapporten van Narziss - is het niet mogelijk, een absoluut cijfer vast te stellen, dat de verliespercentages bij de produktie van bier in de verschillende brouwerijen en in de verschillende landen weergeeft. Dalgliesh verklaart dat "indien om administratieve redenen gemakshalve moet worden uitgegaan van één enkel percentage, dat een goede produktiemethode in een moderne, redelijk goed geoutilleerde brouwerij weergeeft, 5 % vrij veel en 4 % niet te laag zou zijn". In zijn eerste rapport concludeert Narziss, dat het kan voorkomen, dat een gemiddelde brouwerij een percentage van 5 % voor gewoon bier behaalt, maar dat dit percentage nog iets omlaag kan worden gebracht, hoewel daartoe aanzienlijke technische verbeteringen zijn vereist.
18 In zijn tweede rapport geeft Narziss voor de verschillende produktiefasen verschillende percentages, waartussen de verliezen van de brouwerijen fluctueren. Door de gemiddelden van deze cijfers voor elke produktiefase op te tellen, ontstaat voor een gemiddelde brouwerij een verliespercentage van 7,35 % voor aan de binnenlandse markt geleverde bieren en van 7,95 % voor exportbieren. Deze cijfers kunnen - aldus nog steeds Narziss - 1,5 % naar boven of naar beneden afwijken. De som van de laagste gemiddelde cijfers voor elke produktiefase geeft echter een cijfer van 4,25 % te zien.
19 België vestigt de aandacht op twee verschillende rapporten. In het eerste, opgesteld door het Centre technique et scientifique de la brasserie, de la malterie et des industries connexes, wordt geconcludeerd dat, gelet op de bijzonderheden van de Belgische brouwerij-industrie, een minimum-verliespercentage van 10 % meer dan redelijk is. In het tweede rapport, dat is opgesteld door Wittmann en dat is gebaseerd op een onderzoek bij vier brouwerijen die 70 % van de Belgische produktie vertegenwoordigen, wordt geconcludeerd dat een verliescoëfficiënt van 10,25 % als passend voor de industrie in de Benelux kan worden beschouwd. De som van de door België verschafte, laagste gemiddelde cijfers geeft echter een cijfer van 6,5 % te zien.
20 Uit de door de Commissie geproduceerde deskundigenrapporten blijkt, dat het voor de belasting op ingevoerde bieren forfaitair vastgestelde verliespercentage van 4,7619 % niet kan worden beschouwd als het laagste percentage dat voor de meest efficiënte Belgische brouwerijen haalbaar is. Deze conclusie wordt niet weerlegd door de door België geproduceerde rapporten, waarin de kwestie van het minimum-verliespercentage dat voor een uiterst efficiënte Belgische brouwerij haalbaar is, niet aan de orde komt.
21 Nu verweerder niet het bewijs van het tegendeel heeft geleverd, moet derhalve als vaststaand worden aangenomen, dat sommige Belgische brouwerijen een lager verliespercentage dan 4,7619 % kunnen behalen.
22 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep gegrond is voor zover het betrekking heeft op schending van artikel 95.
Artikel 96
23 Ten aanzien van de exporten betoogt de Commissie, dat aan de Belgische brouwer die zijn verliezen terugbrengt tot een lager niveau dan het forfaitair berekende gemiddelde van 10 %, een bedrag aan belasting wordt terugbetaald dat overeenkomt met delen wort die bij de produktie van het uitgevoerde bier niet zijn gebruikt, hetgeen in strijd is met artikel 96 EEG-Verdrag. België, zo betoogt zij, had moeten bewijzen dat zijn meest efficiënte brouwerijen een verliespercentage van 10 % of minder niet halen, maar het heeft zelfs niet kunnen aantonen dat dit cijfer het gemiddelde verliespercentage weergeeft.
24 Volgens het tweede rapport van Narziss bedraagt het gemiddelde verliespercentage voor exportbieren 7,95 %, met een afwijking van 1,5 %. Het verliespercentage beloopt derhalve maximaal 9,45 %.
25 Uit dit deskundigenrapport blijkt bijgevolg, dat het percentage van 10 % geen absolute grens vormt waaronder een Belgische brouwerij zijn verliezen voor exportbieren nooit zou kunnen terugbrengen.
26 Nu verweerder geen bewijs van het tegendeel heeft geleverd, dient als vaststaand te worden aangenomen dat in sommige gevallen bij uitvoer een hoger bedrag aan belastingen wordt terugbetaald dan het bedrag waaraan het uitgevoerde bier daadwerkelijk was onderworpen.
27 Gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 1 december 1965 (zaak 45/64, Commissie/Italië, Jurispr. 1965, blz. 1077), dient namelijk een Lid-Staat die zich voor de vaststelling van het bedrag van de binnenlandse belastingen die bij uitvoer naar een andere Lid-Staat kunnen worden terugbetaald, van een forfaitaire methode bedient, aan te tonen dat dit stelsel in ieder geval binnen de dwingend voorgeschreven grenzen van artikel 96 blijft.
28 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep eveneens gegrond is voor zover het betrekking heeft op schending van artikel 96 EEG-Verdrag.
29 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door de accijns op bier bij invoer te heffen en bij uitvoer terug te betalen op basis van een in procenten uitgedrukt verlies aan wort in het eindprodukt, dat het verliespercentage in sommige Belgische brouwerijen overschrijdt, de krachtens de artikelen 95 en 96 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
30 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door de accijns op bier bij invoer te heffen en bij uitvoer terug te betalen op basis van een in procenten uitgedrukt verlies aan wort in het eindprodukt, dat het verliespercentage in sommige Belgische brouwerijen overschrijdt, is het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 95 en 96 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Top