Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 13 JUNI 1990. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK BELGIE. - NIET-NAKOMING - NIET-INACHTNEMING VAN RICHTLIJN - VERSLAGEN BETREFFENDE VERWIJDERING VAN AFVALSTOFFEN. - ZAAK C-162/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02391
Pub.RJ bladzijde Pub somm
Samenvatting
Partijen
Dictum
++++
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, artikel 169 )
SamenvattingVolgens vaste rechtspraak kan een Lid-Staat zich niet beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen en termijnen die in gemeenschapsrichtlijnen besloten liggen .
Partijenin zaak C-162/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door T . van Rijn, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, en vervolgens door E . Vliebergh, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J . Devadder, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, 4, rue des Girondins,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door met betrekking tot het Vlaamse gewest en het Brusselse hoofdstedelijk gewest niet binnen de gestelde termijnen aan de Commissie de verslagen te doen toekomen die zijn bedoeld in artikel 18 van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie ( PB 1975, L 194, blz . 31 ), gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986 ( PB 1987, L 42, blz . 43 ), in artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen ( PB 1975, L 194, blz . 47 ), in artikel 10 van richtlijn 76/403/EEG van de Raad van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen ( PB 1976, L 108, blz . 41 ), en in artikel 16 van richtlijn 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen ( PB 1978, L 84, blz . 43 ).
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn en F . A . Schockweiler, kamerpresidenten, G.F . Mancini, R . Joliet, T . F . O' Higgins, G . C . Rodríguez Iglesias, M . Díez de Velasco en P . Kapteyn, rechters,
( rechtsoverwegingen niet opgenomen )
rechtdoende, verstaat :
Dictum1 ) Het Koninkrijk België is de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen, door met betrekking tot het Brusselse hoofdstedelijk gewest niet binnen de gestelde termijnen aan de Commissie de verslagen te doen toekomen die nodig zijn voor het volgen van artikel 18 van richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie, gewijzigd bij richtlijn 87/101/EEG van de Raad van 22 december 1986, artikel 12 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, artikel 10 van richtlijn 76/403/EEG van de Raad van 6 april 1976 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen, en artikel 16 van richtlijn 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen .
2 ) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de
Top