Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 23 MEI 1990. - STRAFZAAK TEGEN GOURMETTERIE VAN DEN BURG BV. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOGE RAAD - NEDERLAND. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - INVOERVERBOD BESCHERMDE VOGELS. - ZAAK C-169/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02143
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Milieu - Behoud van vogelstand - Richtlijn 79/409 - Bevoegdheid van Lid-Staten tot nemen van verdergaande maatregelen dan zijn voorgeschreven - Draagwijdte - Verbod tot invoer van vogelsoort, niet zijnde trekvogel of bedreigde soort, die in Lid-Staat van uitvoer mag worden bejaagd - Ontoelaatbaarheid - Geen rechtvaardiging uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag
( EEG-Verdrag, artikel 36; richtlijn 79/409 van de Raad, artikel 14 )
SamenvattingArtikel 14 van richtlijn 79/409 inzake het behoud van de vogelstand, welke bepaling de Lid-Staten toestaat strengere beschermingsmaatregelen te nemen dan in de richtlijn zijn voorgeschreven, is alleen van toepassing op trekvogels of bedreigde vogelsoorten, zodat de Lid-Staten wat de overige bedoelde vogelsoorten betreft, verplicht zijn de voor de uitvoering van de richtlijn noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden, maar geen strengere beschermingsmaatregelen mogen treffen, behalve ten aanzien van op hun grondgebied levende soorten .
Daarom is een verbod tot invoer en verhandeling van een vogelsoort die enerzijds niet voorkomt op het grondgebied van de Lid-Staat die dat verbod heeft ingesteld, maar die leeft in een andere Lid-Staat, waar de jacht op die soort zowel volgens genoemde richtlijn als volgens de wetgeving van die andere Lid-Staat is toegestaan, en die anderzijds geen trekvogel is noch een bedreigde soort in de zin van de richtlijn, in strijd met de richtlijn en, aangezien het om een volledig geharmoniseerde materie gaat, ook niet gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag .
PartijenIn zaak C-169/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Hoge Raad der Nederlanden, in de aldaar dienende strafzaak tegen
Gourmetterie Van den Burg, te 's-Gravenhage,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
Het Hof van Justitie ( Zesde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, F . A . Schockweiler, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- de verdachte in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G . Portocarero, advocaat te Antwerpen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 7 februari 1990,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J . W . de Zwaan als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij arrest van 25 april 1989, ingekomen bij het Hof op 16 mei daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 van het Verdrag . Deze vraag is gerezen in het kader van een strafzaak tegen het poeliersbedrijf Gourmetterie Van den Burg .
2 In 1984 namen controleurs belast met het toezicht op de naleving van de Vogelwet, in de bedrijfsruimte van Gourmetterie Van den Burg een dood Schots sneeuwhoen in beslag . Van den Burg werd vervolgens veroordeeld wegens overtreding van genoemde wet, welke strekt tot bescherming van in Europa in het wild levende vogels . In hoger beroep en in cassatie voerde Van den Burg aan, dat het in beslag genomen Schotse sneeuwhoen in het Verenigd Koninkrijk was geschoten, hetgeen aldaar geoorloofd is overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 3, en bijlage III/1, sub 2, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand ( PB 1979, L 103, blz . 1 ).
3 De Hoge Raad, in hoogste instantie uitspraak doende in deze zaak, stelde vast, dat artikel 7 van de Vogelwet het bedoelde gevogelte van de Nederlandse markt weert, en dat de toepassing van deze wet een handelsbelemmering vormt met betrekking tot een jachtvogel die in Engeland, het land van herkomst, legaal kan worden geschoten en in de handel gebracht . De Hoge Raad overwoog, dat voor zover het in de Vogelwet neergelegde verbod zich mede uitstrekt tot het invoeren en onder zich hebben van dode Schotse sneeuwhoenders, die verbodsbepaling het karakter heeft van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag . Daardoor, aldus de Hoge Raad, wordt de beoordeling van het cassatiemiddel afhankelijk van de vraag, of de verbodsbepaling kan worden aangemerkt als een maatregel die in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag gerechtvaardigd is uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van dieren .
4 De Hoge Raad heeft daarop de volgende prejudiciële vraag gesteld :
"Kan het ingevolge artikel 7 van de Vogelwet 1936 in Nederland geldende verbod om in het Verenigd Koninkrijk zonder schending van aldaar geldend recht geschoten en aldus gedode Schotse sneeuwhoenders in te voeren en onder zich te hebben, worden aangemerkt als een verbod hetwelk in de zin van artikel 36 van het EEG-Verdrag gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren, indien daarbij in aanmerking wordt genomen :
enerzijds dat voor Schotse sneeuwhoenders, welke in bijlage III/1 bij de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 zijn vermeld als de vogelsoort 'Lagopus lagopus scoticus' , de in artikel 6, lid 2, van die richtlijn bedoelde uitzondering geldt,
anderzijds dat het in artikel 7 van de Vogelwet omschreven verbod dient tot handhaving van de vogelstand en in het bijzonder tot bescherming van alle in Europa in het wild levende soorten vogels, behoudens uitzonderingen waartoe echter de Schotse sneeuwhoenders niet behoren ."
5 Voor een nadere uiteenzetting van het juridisch kader en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop alsmede de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
6 De vraag van de nationale rechter betreft in wezen de uitlegging van artikel 36 EEG-Verdrag, volgens welke bepaling het beginsel van het vrije verkeer van goederen geen beletsel vormt voor verboden of beperkingen van invoer welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van dieren .
7 Vaststaat dat de in geding zijnde nationale maatregel neerkomt op een invoerverbod en dat het Schotse sneeuwhoen in Nederland niet voorkomt .
8 Ten aanzien van artikel 36 EEG-Verdrag volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest van 14 juni 1988, zaak 29/87, Dansk Denkavit, Jurispr . 1988, blz . 2982 ), dat wanneer een richtlijn een volledige harmonisatie van de nationale bepalingen bevat, de Lid-Staten zich niet meer op dit artikel kunnen beroepen .
9 Wat nu de mate van harmonisatie betreft die met richtlijn 79/409 tot stand is gebracht, valt op te merken, dat de hierbedoelde vogel ingevolge artikel 6, leden 2 en 3, van de richtlijn mag worden bejaagd in de Lid-Staat waar hij voorkomt, maar dat artikel 14 de Lid-Staten toestaat, strengere beschermingsmaatregelen te nemen dan in de richtlijn zijn voorgeschreven . De richtlijn bevat dus een uitputtende regeling van de bevoegdheden van de Lid-Staten op het gebied van het behoud van in het wild levende vogels .
10 Het komt er dus op aan, de draagwijdte te bepalen van de in artikel 14 van de richtlijn aan de Lid-Staten toegekende bevoegdheid . Daartoe moet worden nagegaan, welke de hoofdcriteria zijn waardoor de gemeenschapswetgever zich op dit gebied heeft laten leiden .
11 Zoals het Hof beklemtoonde in zijn arrest van 27 april 1988 ( zaak 252/85, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1988, blz . 2243 ), voorziet richtlijn 79/409 in de eerste plaats in een bijzondere bescherming van trekvogels, die, aldus de derde overweging van de richtlijn, een gemeenschappelijk erfgoed vormen . In de tweede plaats, waar het de meest acuut bedreigde vogels betreft, bepaalt de richtlijn, dat voor de in bijlage I vermelde soorten speciale beschermingsmaatregelen moeten worden getroffen, opdat deze soorten kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten .
12 Uit deze algemene beschermingsdoelstellingen van richtlijn 79/409 vloeit voort, dat de Lid-Staten krachtens artikel 14 van genoemde richtlijn strengere maatregelen mogen nemen om een nog doeltreffender bescherming van bovenbedoelde vogelsoorten te verzekeren . Wat de overige in richtlijn 79/409 bedoelde vogelsoorten betreft, zijn de Lid-Staten verplicht, de voor de uitvoering van de richtlijn noodzakelijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden, maar mogen zij geen strengere beschermingsmaatregelen treffen dan in de richtlijn zijn voorzien, behalve ten aanzien van op hun grondgebied levende soorten .
13 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat het hierbedoelde Schotse sneeuwhoen geen trekvogel is en evenmin tot de in bijlage I van de richtlijn genoemde bijzonder bedreigde soorten behoort .
14 Ook in verordening ( EEG ) nr . 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantesoorten ( PB 1982, L 384, blz . 1 ), wordt het Schotse sneeuwhoen niet genoemd als bedreigde soort in de zin van dat verdrag .
15 Uit het voorgaande volgt, dat artikel 14 van de richtijn een Lid-Staat niet de bevoegdheid geeft om door middel van een invoer - en verhandelingsverbod een bepaalde soort, die noch als trekvogel noch als bedreigde soort kan worden aangemerkt, verdergaande bescherming te verlenen dan voorzien is door de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de betrokken vogel leeft, wanneer deze wetgeving in overeenstemming is met de bepalingen van richtlijn 79/409 .
16 Mitsdien dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord, dat artikel 36 EEG-Verdrag juncto richtlijn 79/409 van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, aldus moet worden uitgelegd, dat een invoer - en verhandelingsverbod niet gerechtvaardigd is ten aanzien van een vogelsoort die enerzijds niet voorkomt op het grondgebied van de Lid-Staat die dat verbod heeft ingesteld, maar die leeft in een andere Lid-Staat, waar de jacht op die soort zowel volgens genoemde richtlijn als volgens de wetgeving van die andere Lid-Staat is toegestaan, en die anderzijds geen trekvogel is noch een bedreigde soort in de zin van de richtlijn .
Beslissing inzake de kostenKosten
17 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij vonnis van 25 april 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Artikel 36 EEG-Verdrag juncto richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, moet aldus worden uitgelegd, dat een invoer - en verhandelingsverbod niet gerechtvaardigd is ten aanzien van een vogelsoort die enerzijds niet voorkomt op het grondgebied van de Lid-Staat die het verbod heeft ingesteld, maar die leeft in een andere Lid-Staat, waar de jacht op die soort zowel volgens genoemde richtlijn als volgens de wetgeving van die andere Lid-Staat is toegestaan, en die anderzijds geen trekvogel is noch een bedreigde soort in de zin van de richtlijn .
Top