Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 29 NOVEMBER 1990. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN FRANSE REPUBLIEK. - INVOER VAN HUIDEN VAN KATACHTIGEN VAN OORSPRONG UIT BOLIVIA - TOEPASSING IN DE GEMEENSCHAP VAN DE OVEREENKOMST VAN WASHINGTON. - ZAAK C-182/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-04337
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Milieu - Internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantesoorten - Verlening van invoervergunningen - Voorwaarden - Gunstig advies van wetenschappelijke autoriteit van land van invoer - Element dat niet doorslaggevend is
( Verordening ( EEG ) nr . 3626/82 van de Raad, artikel 10, lid 1, sub b )
SamenvattingVolgens artikel 10, lid 1, sub b, van verordening ( EEG ) nr . 3626/82 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantesoorten kunnen de bevoegde instanties in twee gevallen een invoervergunning verlenen : namelijk wanneer het duidelijk is, dat het aan de natuur onttrekken van het specimen geen ongunstige invloed heeft op het behoud van de soorten noch op de omvang van het verspreidingsgebied van de betrokken populaties van een soort, en wanneer de aanvrager een en ander aannemelijk kan maken .
Geen enkele bepaling van de verordening stelt de afgifte van de invoervergunning afhankelijk van het gunstig advies van de wetenschappelijke autoriteit van de Staat van invoer, dat op zich geen bewijs vormt dat aan de voorwaarden van de genoemde bepaling is voldaan, doch slechts een van de elementen is die in aanmerking kunnen worden genomen .
PartijenIn zaak C-182/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Wolfcarius en T . van Rijn, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door E . Belliard, adjunct-directeur bij de directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en M . Giacomini, secretaris Buitenlandse zaken van hetzelfde ministerie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, 9, boulevard Prince-Henri
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door invoervergunningen af te geven voor vellen van wilde katten van de soorten Felis wiedii en Felis geoffroyi van oorsprong uit Bolivia, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 1, sub b, van verordening ( EEG ) nr . 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantesoorten ( PB 1982, L 384, blz . 1 ), en krachtens de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, T.F . O' Higgins, J.C . Moitinho de Almeida en M . Díez de Velasco, kamerpresidenten, C.N . Kakouris, F.A . Schockweiler, F . Grévisse, M . Zuleeg en P.J.G . Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van partijen ter terechtzitting van 9 oktober 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 oktober 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 mei 1989, heeft de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Franse Republiek, door in februari 1986 invoervergunningen af te geven voor meer dan 6 000 vellen van wilde katten van de soorten Felis geoffroyi en Felis wiedii van oorsprong uit Bolivia, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 1, sub b, van verordening ( EEG ) nr . 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantesoorten ( PB 1982, L 384, blz . 1 ), en krachtens de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag . Ter terechtzitting heeft de Commissie het bezwaar inzake schending van de artikelen 5 en 189 van het Verdrag laten vallen .
2 De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantesoorten ( hierna : de "CITES ") van 3 maart 1973 ( PB 1982, L 384, blz . 7 ) reglementeert de internationale handel in dieren en planten van bepaalde soorten, alsmede in gemakkelijk herkenbare delen van of produkten verkregen uit planten of dieren van deze soorten . In de voor de onderhavige procedure relevante periode werden de wilde katten van de soorten Felis geoffroyi en Felis wiedii genoemd in bijlage II bij de CITES . Die bijlage omvat de soorten die met uitsterven zouden kunnen worden bedreigd, indien de handel in specimens ervan niet zou worden onderworpen aan strenge voorschriften die ten doel hebben de hun voortbestaan bedreigende exploitatie te vermijden .
3 Verordening nr . 3626/82 is vastgesteld om de eenvormige toepassing van de handelspolitieke maatregelen ter uitvoering van de CITES te verzekeren . Zij voorziet voor bepaalde soorten, waaronder de Felis geoffroyi en de Felis wiedii, in een striktere bescherming dan de CITES . Ten tijde van de feiten was ingevolge artikel 3, lid 2, van de verordening voor de invoer in de Gemeenschap van wilde katten van de soorten Felis geoffroyi en Felis wiedii een overeenkomstig artikel 10, lid 1, sub b, verleende invoervergunning vereist .
4 Artikel 10, lid 1, sub b, eerste streepje, van de verordening luidt als volgt :
"De invoervergunning, bedoeld in artikel 3, lid 2, wordt alleen afgegeven, indien :
- het duidelijk is of de aanvrager aannemelijk kan maken dat het aan de natuur onttrekken van het specimen geen ongunstige invloed heeft op het behoud van de soorten, noch op de omvang van het verspreidingsgebied van de betrokken populaties van een soort ..."
5 Op 6 februari 1986 verleenden de Franse bevoegde autoriteiten invoervergunningen voor vellen van wilde katten van genoemde soorten . Daarin werd verwezen naar uitvoervergunningen van de Boliviaanse autoriteiten van 5 augustus 1985 . De Commissie is van mening, dat die invoervergunningen niet hadden mogen worden verleend, omdat de voorwaarden van artikel 10, lid 1, sub b, op dat moment niet waren vervuld .
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de voorgeschiedenis van het geding en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 De Commissie beroept zich voor haar stelling op de feitelijke context waarin de Franse autoriteiten die beslissing hebben genomen, namelijk :
- tijdens de conferentie van de partijen bij de CITES van 22 april tot en met 3 mei 1985 te Buenos Aires werd de toepassing van de CITES in Bolivia besproken . De partijen constateerden het bestaan van een bloeiende illegale handel in in de CITES bedoelde produkten uit Bolivia alsmede het bestaan van een groot aantal valse uitvoer - en wederuitvoervergunningen . Een en ander gaf aanleiding tot de resolutie van 30 april 1985, waarvan de considerans uiting gaf aan de bezorgdheid van een aantal landen, inzonderheid een aantal buurlanden van Bolivia, wier wilde fauna en flora rechtstreeks werd bedreigd . Daarom werd de partijen bij die resolutie aanbevolen de invoer van in de CITES bedoelde specimens die vergezeld gaan van Boliviaanse documenten of waarvan wordt verklaard dat zij uit Bolivia afkomstig zijn, te weigeren totdat de Boliviaanse regering aan de conferentie van de partijen bij de CITES of aan het permanent comité van deze conferentie zal hebben aangetoond, dat zij alle in haar macht liggende maatregelen voor een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst heeft genomen . In zijn vergadering van 28 oktober tot 1 november 1985 oordeelde het permanent comité van de CITES, dat de Boliviaanse regering intussen maatregelen van betekenis had getroffen . Daarop verzocht het secretariaat van de CITES, de partijen die een invoerverbod voor specimens uit Bolivia hadden uitgevaardigd, aan te bevelen een schorsing van die maatregel te overwegen;
- ten vervolge op die resolutie van 30 april 1985 stuurden de diensten van de Commissie de administratieve instanties van de CITES in de Lid-Staten diezelfde dag nog een telexbericht, waarin werd gezegd, dat voor de bedoelde specimens uit Bolivia geen invoervergunningen meer mochten worden verleend;
- de invoer van de betrokken specimens werd vervolgens op de agenda van de vergadering van het CITES-comité van de Gemeenschap van 12 tot en met 14 november 1985 geplaatst . Uit een ontwerp van conclusie van die vergadering blijkt, dat volgens de inlichtingen waarover het Comité destijds beschikte, Bolivia geen uitvoervergunningen voor vellen van de bedoelde wilde katten meer verleende, zolang de nodige wetenschappelijke en commerciële gegevens voor de vaststelling van uitvoerquota en voor de uitvoering van andere tussen de Boliviaanse regering en het secretariaat van de CITES overeengekomen maatregelen, niet beschikbaar waren .
8 Volgens de Commissie blijkt uit al deze feiten, dat de Franse autoriteiten, toen zij in februari 1986 de litigieuze invoervergunningen verleenden, onmogelijk konden oordelen dat de in artikel 10, lid 1, sub b, van verordening nr . 3626/82 gestelde voorwaarden waren vervuld .
9 Als verweer voert de Franse regering verschillende argumenten aan, die in het rapport ter terechtzitting en in de conclusie van de advocaat-generaal van 18 oktober 1990 zijn weergegeven . De meeste daarvan zijn gebaseerd op een verkeerde uitlegging van het bezwaar van de Commissie . Dit bezwaar betreft enkel de onjuiste toepassing van de bepalingen van artikel 10, lid 1, sub b, van de betrokken verordening .
10 De Franse regering stelt dienaangaande, dat het gunstig advies van de wetenschappelijke autoriteit van de Lid-Staat van invoer het enige bepalende element voor de afgifte van de invoervergunning is, en dat zij in casu over een dergelijk advies beschikte .
11 Dit argument snijdt geen hout . Geen enkele bepaling van de verordening stelt de afgifte van de invoervergunning afhankelijk van het advies van een dergelijke autoriteit . Dit is dus slechts een van de elementen aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt of aan de criteria van artikel 10, lid 1, sub b, is voldaan .
12 Volgens deze bepaling kunnen de bevoegde instanties in twee gevallen een invoervergunning verlenen : namelijk wanneer het duidelijk is, dat het aan de natuur onttrekken van het specimen geen ongunstige invloed heeft op het behoud van de soorten noch op de omvang van het verspreidingsgebied van de betrokken populaties van een soort, en wanneer de aanvrager een en ander aannemelijk kan maken .
13 Gelet op het geheel van de hierboven vermelde feitelijke gegevens, die de Franse autoriteiten bekend waren, moet worden aangenomen, dat deze redelijkerwijs niet tot de vaststelling konden komen, dat het duidelijk was, dat het aan de natuur onttrekken van de bedoelde wilde katten geen ongunstige invloed had op het behoud van de soort of op de omvang van het verspreidingsgebied van de betrokken populaties van de soort .
14 Voorts blijkt uit het dossier, dat de aanvrager de Franse instanties alleen uitvoervergunningen heeft overgelegd die door de Boliviaanse autoriteiten waren afgegeven op 5 augustus 1985, dat wil zeggen in de periode waarin de toepassing van de CITES in Bolivia ernstige problemen opleverde . De Franse autoriteiten konden dus niet op goede gronden oordelen, dat de aanvrager aannemelijk had gemaakt dat aan de bovengenoemde voorwaarden was voldaan .
15 Ten slotte dient te worden opgemerkt, dat het advies van de Franse wetenschappelijke autoriteit niet in voldoende duidelijke en positieve bewoordingen was gesteld om een geldige beoordelingsgrondslag te vormen .
16 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door in februari 1986 invoervergunningen af te geven voor meer dan 6 000 vellen van wilde katten van de soorten Felis geoffroyi en Felis wiedii, van oorsprong uit Bolivia, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 1, sub b, van verordening nr . 3626/82 .
Beslissing inzake de kostenKosten
17 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart :
1 ) Door in februari 1986 invoervergunningen af te geven voor meer dan 6 000 vellen van wilde katten van de soorten Felis geoffroyi en Felis wiedii, van oorsprong uit Bolivia, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 1, sub b, van verordening ( EEG ) nr . 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier - en plantesoorten .
2 ) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure .
Top