Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 11 OKTOBER 1990. - STRAFZAAK TEGEN ENZO NESPOLI EN GIUSEPPE CRIPPA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: PRETURA DI MILANO - ITALIE. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - NATIONALE WETTELIJKE REGELING INZAKE KAAS. - ZAAK C-196/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-03647
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Nationale kaasregeling die minimumvetgehalte voorschrijft - Toepassing op uit andere Lid-Staat ingevoerde kaas - Ontoelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, artikelen 30 en 36 )
SamenvattingDe artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een Lid-Staat een nationale wettelijke regeling die een bepaald minimumvetgehalte voorschrijft, toepast op alle uit een andere Lid-Staat ingevoerde kaas wanneer deze kaas in laatstgenoemde staat rechtmatig is geproduceerd en in de handel gebracht en een behoorlijke voorlichting van de consument verzekerd is, zulks behoudens de bijzondere regels voor kaassoorten die speciale bescherming genieten uit hoofde van, bij voorbeeld, een benaming van oorsprong of herkomst .
PartijenIn zaak C-196/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de pretore di Milano, in de aldaar dienende strafzaak tegen
E . Nespoli en G . Crippa,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, F . A . Schockweiler en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door :
- E . Nespoli en G . Crippa, vertegenwoordigd door N . Coutrelis, advocaat te Parijs,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L . Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P . G . Ferri, avvocato dello Stato,
- de Associazione italiana lattiero-casearia, vertegenwoordigd door F . Capelli, advocaat te Milaan,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door E . Belliard, adjunct-directeur juridische zaken, en C . Chavance, hoofdbestuursattaché, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de opmerkingen van partijen ter terechtzitting van 13 juni 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juli 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 9 juni 1989, ingekomen bij het Hof op 19 juni daaraanvolgend, heeft de pretore di Milano het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag .
2 Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen E . Nespoli en G . Crippa, die terechtstaan wegens overtreding van de Italiaanse wettelijke regeling betreffende kaas .
3 Blijkens de verwijzingsbeschikking verbiedt die wettelijke regeling de produktie, invoer en verhandeling van kaas waarvan het vetgehalte lager is dan in die regeling is voorgeschreven . Dit minimumvetgehalte, dat per kaassoort verschillend is, bedraagt voor Zwitserse kaassoorten, zoals emmentaler, 45 %.
4 Nespoli staat terecht wegens het feit dat hij in Frankrijk vervaardigde kaas van de naam "Predor Light" in Italië heeft ingevoerd en in de handel gebracht . Crippa wordt ervan beschuldigd, die kaas in een supermarkt te Milaan ten verkoop te hebben aangeboden . Volgens de verwijzingsbeschikking is "Predor Light" een kaas van het type emmentaler, waarvan het vetgehalte per hoeveelheid droge stof 30 % bedraagt . De kaas wordt verkocht in zijn oorspronkelijke verpakking, waarop in het Frans staat te lezen "fromage demi-gras ". Daaroverheen is een etiket geplakt met de Italiaanse aanduiding "prodotto caseario" ( kaasprodukt ).
5 De met de behandeling van de strafzaak belaste pretore di Milano twijfelt aan de verenigbaarheid met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag van de Italiaanse wettelijke regeling, die, toegepast op soortkazen, een door artikel 30 verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking lijkt te zijn, en geen rechtvaardiging lijkt te kunnen vinden in dwingende vereisten verband houdend met de bescherming van de consument of de eerlijkheid der handelstransacties, of in de noodzaak de bescherming van de volksgezondheid te verzekeren .
6 Op grond van een en ander besloot de pretore di Milano de behandeling van de zaak te schorsen, totdat het Hof zich zal hebben uitgesproken over de volgende prejudiciële vraag :
"Moeten de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag aldus worden gelezen en uitgelegd, dat daarmee niet meer verenigbaar en derhalve niet meer rechtmatig zijn de bepalingen van de Italiaanse kaasregeling die niet betrekking hebben op de bescherming van in een bepaalde streek of op een typische wijze geproduceerde kazen, voor zover deze bepalingen voor soortkazen minimumvetgehalten per hoeveelheid vaste stof - en zelfs hoge vetgehalten - vaststellen, wanneer blijkt dat deze bijzondere regeling het vrije verkeer van genoemde voedingswaar binnen de Gemeenschap belemmert en niet gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid of uit hoofde van dwingende vereisten verband houdend met de bescherming van de consumenten of het waarborgen van de eerlijkheid der handelstransacties?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Vooraf moet worden opgemerkt, dat het Hof zich in een krachtens artikel 177 EEG-Verdrag aanhangig gemaakte procedure niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het Verdrag . Het is daarentegen wel bevoegd de nationale rechter alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, aan de hand waarvan deze die verenigbaarheid kan beoordelen met het oog op de beslechting van de voor hem aanhangige zaak .
9 Tevens zij erop gewezen, dat de nationale rechter heeft gepreciseerd, dat de door hem gestelde vraag slechts betrekking heeft op "soortkazen" en niet op "in een bepaalde streek of op een typische wijze geproduceerde kazen ".
10 Mitsdien moet de prejudiciële vraag aldus worden opgevat dat zij erop gericht is te vernemen, of de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een Lid-Staat een nationale wettelijke regeling die een bepaald minimumvetgehalte voorschrijft, toepast op alle uit een andere Lid-Staat ingevoerde kaas, behoudens de bijzondere regels voor kaassoorten die speciale bescherming genieten uit hoofde van, bij voorbeeld, een benaming van oorsprong of herkomst .
11 Aangezien er bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht geen gemeenschappelijke of geharmoniseerde regels voor de vervaardiging en verhandeling van kaas bestaan, staat het aan de Lid-Staten om, elk op zijn grondgebied, regelingen voor de vervaardiging en verhandeling van dit produkt te treffen .
12 Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten de Lid-Staten evenwel de hun opgelegde grenzen eerbiedigen, met name die welke voortvloeien uit de op het vrije goederenverkeer betrekking hebbende bepalingen van het Verdrag .
13 Door hun onderlinge dispariteiten kunnen de nationale wettelijke regelingen ter zake van de verhandeling van produkten het intracommunautaire handelsverkeer belemmeren, wanneer zij van toepassing zijn op produkten die zijn ingevoerd uit een andere Lid-Staat, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht .
14 Dergelijke wettelijke regelingen kunnen derhalve slechts in overeenstemming met het Verdrag worden geacht, indien zij - in het kader van artikel 30 - zonder onderscheid op nationale en ingevoerde produkten van toepassing zijn en bedoeld zijn om tegemoet te komen aan dwingende vereisten verband houdend met, inzonderheid, de bescherming van de consumenten en de eerlijkheid der handelstransacties, dan wel indien zij gerechtvaardigd zijn uit hoofde van een van de in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde overwegingen van algemeen belang, zoals de bescherming van de volksgezondheid .
15 Bovendien moeten die wettelijke regelingen noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken, en mag het niet zo zijn, dat hetzelfde doel kan worden bereikt met maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken .
16 Gelet op het voorgaande moet worden opgemerkt, dat een nationale regeling als die welke door de verwijzende rechter is beschreven, het handelsverkeer belemmert, doordat zij een verbod stelt op de invoer van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in de handel gebrachte kaas met een lager dan het voorgeschreven vetgehalte .
17 Wat de toepassing van artikel 30 betreft, kan een dergelijke regeling niet worden geacht gerechtvaardigd te zijn uit hoofde van dwingende vereisten verband houdend met de bescherming van de consumenten of de eerlijkheid der handelstransacties .
18 De Italiaanse regering voert in dit verband aan, dat niet wordt tegemoet gekomen aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de consumenten, indien deze als "kaas" krijgen aangeboden produkten die, gelet op de diversiteit van de nationale regelingen ter zake, zeer verschillende kenmerken vertonen .
19 Dit argument kan niet worden aanvaard . Om het door de Italiaanse regering geformuleerde bezwaar te ondervangen kunnen de nationale autoriteiten volstaan met het voorschrijven van een passende etikettering, die juiste informatie geeft over het werkelijke vetgehalte van de kaas en de consumenten in staat stelt, met volledige kennis van zaken hun keuze te maken .
20 Ten slotte kan een nationale maatregel als de thans in geding zijnde niet in aanmerking komen voor toepassing van de in artikel 36 genoemde uitzondering uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid, waarop de verwijzende rechter heeft gealludeerd .
21 Het eten van kaas met een laag vetgehalte kan immers niet worden geacht een gevaar voor de volksgezondheid op te leveren .
22 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een Lid-Staat een nationale wettelijke regeling die een bepaald minimumvetgehalte voorschrijft, toepast op alle uit een andere Lid-Staat ingevoerde kaas wanneer deze kaas in laatstgenoemde staat rechtmatig is geproduceerd en in de handel gebracht en een behoorlijke voorlichting van de consument verzekerd is, zulks behoudens de bijzondere regels voor kaassoorten die speciale bescherming genieten uit hoofde van, bij voorbeeld, een benaming van oorsprong of herkomst .
23 Met betrekking tot de door de Associazione italiana lattiero-casearia, interveniënte in het hoofdgeding, in haar schriftelijke opmerkingen opgeworpen vraag over de uitlegging van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, kan worden volstaan met de vaststelling, dat de nationale rechter hierover geen vragen heeft gesteld, zodat het Hof deze bepaling ook niet behoeft uit te leggen .
Beslissing inzake de kostenKosten
24 De kosten door de Franse en de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de pretore di Milano bij beschikking van 9 juni 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht :
De artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een Lid-Staat een nationale wettelijke regeling die een bepaald minimumvetgehalte voorschrijft, toepast op alle uit een andere Lid-Staat ingevoerde kaas wanneer deze kaas in laatstgenoemde staat rechtmatig is geproduceerd en in de handel gebracht en een behoorlijke voorlichting van de consument verzekerd is, zulks behoudens de bijzondere regels voor kaassoorten die speciale bescherming genieten uit hoofde van, bij voorbeeld, een benaming van oorsprong of herkomst .
Top