Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (TWEEDE KAMER) VAN 11 OKTOBER 1990. - FUNOC TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - EUROPEES SOCIAAL FONDS - BEROEP TOT NIETIGVERKLARING VAN BESLUIT TOT VERMINDERING VAN FINANCIELE BIJSTAND. - ZAAK C-200/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-03669
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Commissie - Uitoefening van bevoegdheden - Verlening van tekeningsbevoegdheid
( Reglement van orde van de Commissie, artikel 27 )
2 . Sociale politiek - Europees Sociaal Fonds - Bijstand in financiering van beroepsopleiding - Wezenlijke wijziging in uitvoering van actie waarvoor bijstand is verleend - Intrekking van bijstand - Wettigheid
( Verordening nr . 2950/83 van de Raad, artikel 6, lid 1 )
3 . Niet-contractuele aansprakelijkheid - Voorwaarden - Onwettigheid van schadeveroorzakende gedraging
( EEG-Verdrag, artikel 215, tweede alinea )
Samenvatting1 . Zoals blijkt uit het Reglement van orde van de Commissie kan ambtenaren de bevoegdheid worden verleend om in haar naam en onder haar toezicht duidelijk omschreven maatregelen van beheer of bestuur te nemen, en is de verlening van tekeningsbevoegdheid het normale middel waardoor de Commissie haar bevoegdheden uitoefent .
2 . Wat betreft de beoordeling of de bijstand van het Europees Sociaal Fonds in de financiering van acties voor opleiding en beroepsoriëntatie aan de bij het besluit tot goedkeuring vastgestelde voorwaarden voldoet, moet worden aangenomen dat het feit dat de opleiding van 1 000 uur die zich volgens de aanvraag om bijstand over een periode van drie jaar moest uitstrekken, in een jaar is geconcentreerd, meebrengt dat het programma onder andere omstandigheden is verlopen dan aanvankelijk was opgegeven, en dat doordat dezelfde opleiding drie jaar na elkaar is herhaald het vernieuwende karakter van de uitgevoerde actie verloren is gegaan . Onder die omstandigheden verplichtte artikel 6, lid 1, van verordening nr . 2950/83 de Commissie tot intrekking van het goedkeuringsbesluit, dat wegens een wezenlijke wijziging van het project onwettig was .
3 . Volgens vaste rechtspraak kan de Gemeenschap op grond van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag uitsluitend aansprakelijk worden geacht, indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, werkelijk geleden schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade . Wanneer de gedraging van de instelling die de schade zou hebben veroorzaakt, niet onrechtmatig is, moet het beroep tot schadevergoeding worden verworpen, zonder dat op de andere gestelde voorwaarden behoeft te worden ingegaan .
PartijenIn zaak C-200/89,
FUNOC, te Charleroi, bijgestaan door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Schmitt, advocaat aldaar, 62, avenue Guillaume,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H . Lima, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende in de eerste plaats een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 21 april 1989 tot terugvordering van een bedrag van 6 579 334 BFR en tot inhouding van het saldo ( 6 600 000 BFR ) van de financiële bijstand voor project nr . 84 3246 B5 van het Europees Sociaal Fonds, en in de tweede plaats een beroep tot schadevergoeding,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede Kamer ),
samengesteld als volgt : T . F . O' Higgins, kamerpresident, G . F . Mancini en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 5 juni 1990, waar de Commissie werd vertegenwoordigd door H . Lima en D . Gouloussis als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 juni 1989, heeft de FUNOC, "Association pour le développement à Charleroi d' actions collectives de formation pour l' université ouverte", krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van het haar bij brief van 21 april 1989 meegedeelde besluit van de Commissie betreffende de deelneming van het Europees Sociaal Fonds in de financiering van door het Koninkrijk België ingediende projecten, voor zover bij dit besluit terugbetaling wordt gevorderd van een bedrag van 6 579 334 BFR en het saldo van de door het Fonds toegekende financiële bijstand voor project nr . 84 3246 B5 wordt ingehouden . Tevens heeft de FUNOC bij hetzelfde verzoekschrift een beroep krachtens artikel 178 EEG-Verdrag ingesteld tot vergoeding van de door haar ten gevolge van dit besluit geleden schade .
2 Volgens artikel 1, lid 2, sub a, van besluit 83/516/EEG van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds ( PB 1983, L 289, blz . 38 ) neemt het Fonds deel in de financiering van acties voor beroepsopleiding en beroepskeuzevoorlichting . Artikel 3, lid 2, van deze bepaling bepaalt, dat de bijstand van het Fonds ook kan worden verleend ten behoeve van specifieke acties die ten doel hebben de tenuitvoerlegging te bevorderen van projecten met een vernieuwend karakter .
3 Volgens artikel 6, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 ( PB 1983, L 289, blz . 1 ) houdende toepassing van voornoemd besluit kan de Commissie, indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, deze bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na aan de betrokken Lid-Staat gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken .
4 Voor de begrotingsjaren 1984, 1985 en 1986 heeft het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in september 1983 namens het Koninkrijk België en ten behoeve van de FUNOC een aanvraag ingediend voor een project met een vernieuwend karakter in de zin van artikel 3, lid 2, van besluit 83/516; dit project was erop gericht, laaggeschoolde jongeren op te leiden in de nieuwe informaticatechnologieën .
5 Volgens de aanvraag was het doel van de beroepsopleiding, te komen tot een werkgemeenschap voor wetenschappelijke produkties die enquêtes en onderzoek van algemeen nut zou verrichten . De aanvraag preciseerde, dat vanuit dit gezichtspunt 90 laaggeschoolde jongeren een op de methoden en technieken van onderzoek afgestemde opleiding zouden ontvangen, waarbij intensief gebruik werd gemaakt van de informatica ( 1 000 uur per jongere ). Volgens een op 15 juni 1984 aan de Commissie verstrekte aanvullende toelichting van de FUNOC op haar aanvankelijke aanvraag moest het project verlopen in drie afzonderlijke fasen, te weten een basisopleiding, een specifieke opleiding en de praktische toepassing, die waren gespreid over drie jaar ( 1984, 1985 en 1986 ).
6 Bij besluit C(84 ) 1076 van de Commissie van 23 juli 1984 werd het project goedgekeurd voor het aangevraagde bedrag, te weten 16 500 000 BFR .
7 In overeenstemming met artikel 5, lid 2, van verordening nr . 2950/83 werd in december 1984 een eerste voorschot betaald van 4 950 000 BFR en in mei 1987 een tweede voorschot van 4 950 000 BFR .
8 In mei 1987 verzocht het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid onder overlegging van bewijsstukken en van het uitvoeringsverslag om betaling van het saldo van 6 600 000 BFR . Op 6 juni 1988 ontving de FUNOC een aangetekende brief van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, waarbij een nota van de Commissie met een begeleidende brief werd doorgezonden . De Commissie verzocht om terugbetaling van het voorgeschoten bedrag van 9 900 000 BFR, omdat blijkens het uitvoeringsverslag de organisator - zonder het Fonds hiervan in kennis te stellen - al in januari 1984 had besloten het project te wijzigen door drie jaarlijkse cursussen te geven, elk voor 30 cursisten; de eerste hiervan was in maart 1984 begonnen, de twee volgende waren in 1985 en 1986 begonnen . Deze wijziging was volgens de Commissie in strijd met de oorspronkelijke opzet van het project .
9 Na contacten tussen de Belgische autoriteiten en de diensten van de Commissie beperkte laatstgenoemde bij op 2 mei 1989 aan verzoekster doorgezonden brief van 21 april 1989 haar verzoek om terugbetaling van de aan de FUNOC verleende voorschotten tot 6 574 334 BFR, en nam zij aldus de eerste cursus voor haar rekening, omdat die het enige gedeelte van de actie vormde dat voldeed aan het criterium dat er geen herhaling mag plaatsvinden .
10 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit beroept verzoekster zich op onbevoegdheid van de ambtenaar die het omstreden besluit heeft genomen, schending van de regeling betreffende het beheer van het Fonds, een kennelijke beoordelingsfout en rechtsdwaling, alsmede, subsidiair, op schending van het evenredigheidsbeginsel .
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop, alsmede van de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
Het beroep tot nietigverklaring
Het eerste middel
12 Volgens verzoekster is het besluit gebrekkig, voor zover het niet van het bevoegde orgaan afkomstig is, namelijk de Commissie zelf, maar van het afdelingshoofd van Directoraat-generaal V, aan wie geen machtiging is verleend .
13 Om te beginnen zij opgemerkt, dat uit de toepasselijke bepalingen volgt, dat het beheer van de uitgaven van het Fonds bij Directoraat-generaal V berust, in samenwerking met de financieel controleur . Uit het reglement van orde van de Commissie blijkt, dat ambtenaren de bevoegdheid kan worden verleend om in haar naam en onder haar toezicht duidelijk omschreven maatregelen van beheer of bestuur te nemen .
14 Met dit middel miskent verzoekster, dat de verlening van tekeningsbevoegdheid het normale middel is waardoor de Commissie haar bevoegdheden uitoefent, zoals het Hof overwoog in zijn arresten van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr . 1972, blz . 619, r.o . 10 tot en met 14 en 17 oktober 1972, zaak 8/72, Cementhandelaren, Jurispr . 1972, blz . 977, r.o . 10 tot en met 14 . Verzoekster heeft geen enkele omstandigheid aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen, dat de gemeenschapsadministratie zich in casu niet heeft gehouden aan de ter zake toepasselijke regels .
15 Derhalve moet dit middel worden verworpen .
Het tweede middel
16 Volgens verzoekster is het bestreden besluit in strijd met de regeling betreffende het Fonds . De Commissie had immers eenvoudigweg een debetnota van 9 900 000 BFR aan het Belgische Ministerie van Tewerkstelling gezonden, zonder het ministerie overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr . 2950/83 de gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken .
17 Deze stelling kan niet worden aanvaard . Blijkens het dossier is het hier in geding zijnde besluit, te weten dat van 21 april 1989, voorafgegaan door een briefwisseling tussen de Commissie en de Belgische autoriteiten, die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr . 2950/83 hun opmerkingen hebben gemaakt, dat wil zeggen voordat een definitieve beslissing werd genomen .
18 Derhalve moet het tweede middel worden verworpen .
Het derde middel
19 Verzoekster betoogt verder, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en de bepalingen betreffende het Fonds verkeerd heeft toegepast . Zij bestrijdt wijziging te hebben gebracht in haar aanvankelijke project . Zij zou zich aan dit project hebben gehouden, ook al waren voor de voltooiing ervan bepaalde wijzigingen in de wijze van uitvoering ervan nodig geweest . De actie in haar uitgevoerde vorm zou haar kenmerk van één samenhangende actie met een vernieuwend karakter die beoogde een nieuwe werkbenadering te testen, hebben behouden .
20 Uit de beschrijving van de opleiding in de door verzoekster ingediende aanvraag om bijstand van het Fonds, in samenhang met de aan de Commissie verstrekte aanvullende toelichting, blijkt, dat het aanvankelijke project, dat was bestemd voor 90 laaggeschoolde jongeren, voorzag in een opleiding van 1000 uur, gespreid over drie jaren in drie afzonderlijke fasen .
21 Naar blijkt uit het eindverslag dat door verzoekster zelf is opgesteld en in juni 1987 aan de Commissie is meegedeeld, omvatte het project zoals het is uitgevoerd, daarentegen drie gelijke cursussen van ieder 1 000 uur, die elk een jaar duurden en bestemd waren voor drie verschillende groepen van 30 jongeren .
22 Het feit dat de opleiding van 1 000 uur die zich over een periode van drie jaar moest uitstrekken, in een jaar is geconcentreerd, brengt mee, dat het programma onder andere omstandigheden is verlopen dan aanvankelijk was opgegeven . Doordat in de laatste twee jaren dezelfde opleiding is herhaald, is het vernieuwende karakter van de uitgevoerde actie verloren gegaan . Onder die omstandigheden kon de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr . 2950/83 de bijstand van het Fonds opschorten, verminderen of doen vervallen .
23 Bijgevolg moet het derde middel worden verworpen .
Het vierde middel
24 Verzoekster betoogt ten slotte, dat het bestreden besluit inbreuk maakt op het evenredigheidsbeginsel, daar de terugvordering van het grootste gedeelte van de voorschotten en de inhouding van het saldo niet in verhouding staan tot de formele aard van de betrokken fout, te weten het niet mededelen van de aangebrachte wijzigingen . Dit zou des te erger zijn, daar de toegepaste straf het voortbestaan zelf van de FUNOC op het spel zou zetten .
25 Artikel 6, lid 1, van verordening nr . 2950/83 dwong in casu tot intrekking van het goedkeuringsbesluit, dat onwettig was geworden wegens een wezenlijke wijziging van het aanvankelijke project en niet wegens een eenvoudig vormgebrek . Zoals zij overigens zelf heeft opgemerkt, heeft de Commissie rekening gehouden met de particuliere belangen van verzoekster, daar zij uiteindelijk om redenen van billijkheid heeft besloten het onwettig geworden toekenningsbesluit te vervangen door een nieuw besluit, waarbij de eerste cursus gedeeltelijk werd goedgekeurd .
26 Onder deze omstandigheden is niet komen vast te staan dat de Commissie, door de financiering voor de opleidingsacties in 1985 en 1986 vervallen te verklaren, verder is gegaan dan nodig was om een juist gebruik van de door het Fonds betaalde bedragen te garanderen .
27 Bijgevolg moet ook dit middel worden verworpen .
28 Uit een en ander volgt, dat het beroep tot nietigverklaring in zijn geheel moet worden verworpen .
Het beroep tot schadevergoeding
29 Verzoekster betoogt, dat de Commissie door het bestreden besluit te nemen haar schade heeft veroorzaakt, die zij krachtens artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag moet vergoeden .
30 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de Gemeenschap op grond van artikel 215, tweede alinea, uitsluitend aansprakelijk kan worden geacht, indien is voldaan aan een aantal voorwaarden, te weten onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, werkelijk geleden schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade .
31 Uit het voorgaande blijkt, dat in casu de gedraging van de Commissie die de door FUNOC geleden schade zou hebben veroorzaakt, niet onrechtmatig is .
32 Derhalve moet het beroep tot schadevergoeding worden verworpen zonder dat op de andere door de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden behoeft te worden ingegaan .
33 Uit al het voorgaande volgt, dat het door de FUNOC ingestelde beroep in zijn geheel moet worden verworpen .
Beslissing inzake de kostenKosten
34 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoekster in al haar middelen in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding .
Top