Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 19 MAART 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN HELLEENSE REPUBLIEK. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - GEPASTEURISEERDE BOTER - GEZONDHEIDSCERTIFICAAT. - ZAAK C-205/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01361
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Vereiste van gezondheidscertificaat voor invoer van gepasteuriseerde boter - Rechtvaardiging - Bescherming van volksgezondheid - Afwezigheid
( EEG-Verdrag, art . 30 en 36 )
SamenvattingEen Lid-Staat die voor de invoer van gepasteuriseerde boter, waarvan de pasteurisatie op het etiket of het merk is vermeld, een gezondheidscertificaat voorschrijft zonder dat daarvoor een met de bescherming van de gezondheid van personen verband houdende rechtvaardiging bestaat, maakt inbreuk op de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen .
PartijenIn zaak C-205/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Condou Durande en R . Barents, beiden lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door C . Stravropoulos, juridisch medewerker bij de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek, door voor de invoer van gepasteuriseerde boter, waarvan de pasteurisatiebehandeling op het etiket of het merk is vermeld, een gezondheidscertificaat te eisen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens verordening ( EEG ) nr . 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 148, blz . 13 ) en krachtens de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins en J . C . Moitinho de Almeida, kamerpresidenten, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler, F . Grévisse, M . Zuleeg en P . J . G . Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven,
griffier : V . di Bucci, administrateur,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 22 november 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 januari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 29 juni 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat de Helleense Republiek haar verplichtingen krachtens verordening ( EEG ) nr . 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 148, blz . 1 ) en krachtens de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag niet is nagekomen, door voor de invoer van zuivelprodukten een systeem van fysieke controle van elke partij goederen verplicht te stellen en voor de invoer van gepasteuriseerde boter, waarvan de pasteurisatiebehandeling op het etiket of het merk is vermeld, naast bedoelde controle een veterinair certificaat te eisen .
2 Bij presidentieel decreet nr . 550/89 ( Grieks Staatsblad A nr . 232 van 11 oktober 1989 ) heeft de Helleense Republiek het systeem van fysieke controle van elke, vanuit andere Lid-Staten ingevoerde partij zuivelprodukten afgeschaft, waarop de Commissie bij repliek afstand heeft gedaan van deze grief . Zij heeft haar beroep gehandhaafd voor zover dit is gericht tegen het vereiste van overlegging van een veterinair certificaat bij de invoer van gepasteuriseerde boter .
3 Artikel 13, lid 1, van presidentieel decreet nr . 40/1977 inzake de veterinaire inspectie van slachtvee en van produkten van dierlijke oorsprong ( Grieks Staatsblad A nr . 18 van 21 januari 1977 ), zoals gewijzigd, bepaalt dat alle ingevoerde levensmiddelen vergezeld moeten gaan van het origineel van een veterinair gezondheidscertificaat dan wel van een gezondheidscertificaat afgegeven door de bevoegde overheidsinstantie van het land van herkomst; het certificaat moet zijn opgesteld in de Griekse, Engelse of Franse taal en moet zijn afgegeven twee weken vóór het vertrek van het vervoermiddel .
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
5 Bij de beoordeling van de gegrondheid van het beroep dient voorop te staan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ( primair het arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr . 1974, blz . 837, r.o . 5 ) het in artikel 30 EEG-Verdrag neergelegde verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen elke handelsregeling van de Lid-Staten omvat die de intracommunautaire handel rechtstreeks of zijdelings, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren .
6 De verplichting tot overlegging van een gezondheidscertificaat, waaraan de invoer van uit andere Lid-Staten afkomstige gepasteuriseerde boter in de Helleense Republiek is gebonden, kan de invoer van deze produkten belemmeren en valt derhalve onder artikel 30 EEG-Verdrag .
7 Niettemin moet worden onderzocht, of de bescherming van de gezondheid van personen de toepassing van deze maatregelen kan rechtvaardigen uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag, zoals de Helleense Republiek heeft bepleit .
8 Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het aan de Lid-Staten om, bij gebreke van harmonisatie, te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen, waarbij zij echter rekening dienen te houden met de eisen van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap ( zie met name het arrest van 12 maart 1987, zaak 178/84, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1987, blz . 1227 ).
9 Hierbij moet worden aangetekend, dat artikel 36 EEG-Verdrag een strikt te interpreteren afwijking behelst van de regel van het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap, een van de fundamentele beginselen van de gemeenschappelijke markt . De nationale instanties die met een beroep op deze bepaling een het intracommunautaire verkeer beperkende maatregel willen treffen, dienen derhalve in elk concreet geval te onderzoeken, of de beoogde maatregel de toets van artikel 36 kan doorstaan ( arrest van 14 juli 1983, zaak 174/82, Sandoz, Jurispr . 1983, blz . 2445 ).
10 De Helleense Republiek nu heeft betoogd, dat gepasteuriseerde boter gevoelig is voor bederf, met schadelijke consequenties voor de gezondheid, en dat in richtlijn 85/397/EEG van 5 augustus 1985 inzake hygiënische en veterinairrechtelijke problemen bij het intracommunautaire handelsverkeer in warmtebehandelde melk ( PB 1985, L 226, blz . 13 ) de Raad het vereiste van overlegging van gezondheidscertificaten uitdrukkelijk heeft gesanctioneerd .
11 Wat dit laatste betreft moet worden vastgesteld, dat de gepasteuriseerde boter waarom het in deze zaak gaat, niet kan worden vergeleken met de produkten waarop richtlijn 85/397 betrekking heeft, daar ze een andere samenstelling heeft . De Commissie heeft overigens overtuigend uiteengezet, dat gepasteuriseerde boter microbiologisch stabiel is en niet aan dezelfde risico' s van bederf blootstaat als de zuivelprodukten die slechts een warmtebehandeling hebben ondergaan .
12 Wat de andere risico' s voor de gezondheid betreft, waaromtrent de Helleense Republiek overigens niets naders heeft gesteld, hun bestaan wordt tegengesproken door een enquête van de Commissie onder de autoriteiten van de Lid-Staten, waaruit blijkt dat zich in geen van deze landen gezondheidsproblemen hebben voorgedaan in verband met de verkoop van gepasteuriseerde boter .
13 Aangezien de inbreuk van de Helleense Republiek op de verplichtingen van artikel 30 EEG-Verdrag derhalve is komen vast te staan, behoeft niet meer te worden ingegaan op de grieven betreffende schending van verordening nr . 804/68, waarin de beginselen van artikel 30 EEG-Verdrag betreffende het vrij verkeer enkel nog eens worden bevestigd voor de gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivelprodukten .
14 Uit het voorgaande volgt dat de Helleense Republiek, door voor de invoer van gepasteuriseerde boter, waarvan de pasteurisatiebehandeling op het etiket of het merk is vermeld, een gezondheidscertificaat te eisen, de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
Beslissing inzake de kostenKosten
15 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 69, paragraaf 4, van het Reglement voor de procesvoering wordt de partij die afstand doet, in de kosten verwezen, tenzij deze afstand wordt gerechtvaardigd door de houding van de wederpartij . In casu is de afstand door de Commissie van haar grief betreffende de fysieke controle van elke, vanuit andere Lid-Staten ingevoerde partij zuivelprodukten gerechtvaardigd door de houding van de Helleense Republiek, die haar wetgeving eerst na het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn heeft gewijzigd . Wat de na de gedeeltelijke afstand resterende onderdelen van het beroep betreft, is de Helleense Republiek in het ongelijk gesteld, zodat zij in de kosten dient te worden verwezen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart :
1 ) Door voor de invoer van gepasteuriseerde boter, waarvan de pasteurisatiebehandeling op het etiket of het merk is vermeld, een gezondheidscertificaat te eisen, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 30 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen .
2 ) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure .
Top