Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF VAN 31 JANUARI 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN FRANSE REPUBLIEK. - VISSERIJ - BEHEER VAN QUOTA - VERPLICHTINGEN VAN DE LID-STATEN. - ZAAK C-244/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-00163
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Visserij - Instandhouding rijkdommen van de zee - Quotaregeling - Vangsten in Noorse wateren en in wateren van Faeroeer - Verdeling van beschikbare vangsthoeveelheden over Lid-Staten - Maatregelen ter controle van naleving van quota - Toepasselijkheid - Dreigende uitputting van aan Lid-Staat toegewezen quotum - Verplichting voor betrokken Lid-Staat om voorlopig vangstverbod uit te vaardigen - Praktische moeilijkheden waardoor dreigende uitputting niet kan worden voorzien - Geen invloed
( Verordeningen van de Raad nr . 2057/82, art . 6, 9, 10, lid 2, en 14, en nrs . 3730/85 en 3732/85 )
2 . Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek door Hof - Vaststelling van niet-nakoming van specifieke bepaling - Geen noodzaak, gegrondheid van grief van niet-nakoming algemenere bepaling te onderzoeken
Samenvatting1 . De omstandigheid dat artikel 10 van verordening nr . 2057/82 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van de vissersvaartuigen uit de Lid-Staten niet met zoveel woorden wordt genoemd in de verordeningen nr . 3730/85 houdende verdeling van bepaalde vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die vissen in de economische zone van Noorwegen en in de visserijzone rond Jan Mayen en nr . 3732/85 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen, neemt niet weg dat de Lid-Staten gebonden zijn aan deze algemene regel, die onontbeerlijk is ter verzekering van de doeltreffendheid van iedere regeling inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden, waarbij de voor de Gemeenschap beschikbare vangsthoeveelheden in de vorm van quota over de Lid-Staten worden verdeeld .
Een Lid-Staat kan zich niet onttrekken aan de krachtens lid 2 van voormeld artikel 10 op hem rustende verplichting om vanaf de datum waarop het nationale quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt door de door zijn schepen verrichte vangsten die aan het quotum zijn onderworpen, een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen voor de schepen die zijn vlag voeren of die op zijn grondgebied zijn geregistreerd, door zich te beroepen op praktische moeilijkheden waardoor hij de dreigende uitputting van de quota niet zou hebben kunnen voorzien . Immers, bij juiste toepassing van de controlemaatregelen, voorzien in verordening nr . 2057/82, en met name in de artikelen 6 en 9, die voorschrijven dat alle aanlandingen moeten worden aangegeven en geregistreerd, moeten de nationale autoriteiten over voldoende gegevens beschikken om uitputting van de quota te kunnen voorzien en dienovereenkomstig te handelen . Voorts kan de betrokken Lid-Staat, indien hij die maatregelen ontoereikend acht, krachtens artikel 14 van verordening nr . 2057/82 bijkomende voorschriften vaststellen die verder gaan dan de minimumeisen van deze verordening .
2 . Een algemene bepaling kan slechts zelfstandig toepassing vinden in situaties waarvoor het gemeenschapsrecht niet in specifiekere regels heeft voorzien . Daaruit volgt, dat wanneer een bepaling van algemene strekking door een bijzondere bepaling is uitgewerkt en het Hof heeft vastgesteld dat een Lid-Staat deze specifieke bepaling niet is nagekomen, niet meer behoeft te worden onderzocht, of de betrokken Lid-Staat ook nog de algemene bepaling heeft geschonden waarop die verplichting berust .
PartijenIn zaak C-244/89,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . C . Fischer en door P . Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door E . Belliard, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en M . Giacomini, secretaris voor Buitenlandse zaken bij genoemd ministerie, als plaatsvervangend gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Prince-Henri 9,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de inachtneming te verzekeren van de haar voor het jaar 1986 toegekende vangstquota voor "andere soorten ( bijvangsten )" in de Noorse wateren en voor roodbaars in de wateren van de Faeroeer, met name de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 1 ) en artikel 10, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten ( PB 1982, L 220, blz . 1 ), juncto artikel 1 van de verordeningen ( EEG ) nrs . 3730/85 van de Raad van 20 december 1985 houdende verdeling van bepaalde vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die vissen in de economische zone van Noorwegen en in de visserijzone rond Jan Mayen ( PB 1985, L 361, blz . 66 ) en 3732/85 van de Raad van 20 december 1985 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen ( PB 1985, L 361, blz . 76 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins en J . C . Moitinho de Almeida, kamerpresidenten, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler, F . Grévisse, M . Zuleeg en P . J . G . Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs,
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 20 november 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 januari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 augustus 1989, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot vaststelling dat de Franse Republiek, door niet de inachtneming te verzekeren van de haar voor het jaar 1986 toegekende vangstquota voor "andere soorten ( bijvangsten )" in de Noorse wateren en voor roodbaars in de wateren van de Faeroeer, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden ( PB 1983, L 24, blz . 1 ) en artikel 10, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten ( PB 1982, L 220, blz . 1 ), juncto artikel 1 van de verordeningen ( EEG ) nrs . 3730/85 van de Raad van 20 december 1985 houdende verdeling van bepaalde vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die vissen in de economische zone van Noorwegen en in de visserijzone rond Jan Mayen ( PB 1985, L 361, blz . 66 ) en 3732/85 van de Raad van 20 december 1985 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen ( PB 1985, L 361, blz . 76 ).
2 Krachtens voormelde verordening nr . 3730/85, waarvan de geldigheidsduur bij verordening ( EEG ) nr . 114/86 van de Raad van 20 januari 1986 ( PB 1986, L 17, blz . 4 ) is verlengd tot 31 december 1986, mochten vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren, in de wateren die behoren tot de economische zone van Noorwegen benoorden 62 00' noorderbreedte en in de visserijzone rond Jan Mayen, in het kader van de Overeenkomst tussen de Gemeenschap en Noorwegen inzake wederzijdse visserijrechten in 1986 ten hoogste de in bijlage I bij die verordening vermelde hoeveelheden vangen . Voor Frankrijk bedroeg dat maximum voor de "andere soorten ( bijvangsten )" 65 ton .
3 Overeenkomstig de procedure voorzien in de Overeenkomst betreffende de visserij tussen de Europese Economische Gemeenschap enerzijds, en de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van de Faeroeer anderzijds, als bijlage gehecht aan verordening ( EEG ) nr . 2211/80 van de Raad van 27 juni 1980 ( PB 1980, L 226, blz . 11 ), is tussen de Gemeenschap en de Faeroeer een regeling tot stand gekomen betreffende de wederzijdse visserijrechten voor 1986 . Krachtens voormelde verordening nr . 3732/85 mochten vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren, in het kader van deze regeling in 1986 in de wateren die op visserijgebied onder de jurisdictie van de Faeroeer vielen, ten hoogste de in de bijlage bij die verordening vermelde hoeveelheden vangen . Voor roodbaars bedroeg dit maximum voor Frankrijk 440 ton .
4 Uit het door de Franse Republiek op 29 januari 1987 aan de Commissie meegedeelde en als bijlage aan de repliek gehechte jaaroverzicht van de vangsten blijkt, dat het aan Frankrijk voor 1986 toegewezen quotum voor bijvangsten in de Noorse wateren in september 1986 was uitgeput, en dat voor roodbaars in de wateren van de Faeroeer in mei 1986 .
5 Wat de bijvangsten in de Noorse wateren betreft, ving Frankrijk in 1986 in totaal 105 ton, ofwel 40 ton teveel .
6 Het staat vast, dat de Franse Republiek - afgezien van de mededeling aan de Commissie van de door haar vissers ontvangen vangstgegevens - geen maatregelen heeft getroffen, zodat de Commissie eerst bij verordening ( EEG ) nr . 3465/86 ( PB 1986, L 319, blz . 29 ), die op 14 november 1986 in werking is getreden, overeenkomstig artikel 10, lid 3, van verordening nr . 2057/82 de visserij op "andere soorten" in de Noorse wateren benoorden 62 00' noorderbreedte door onder de Franse vlag varende schepen heeft kunnen verbieden .
7 Met betrekking tot de uit de wateren van de Faeroeer afkomstige roodbaars deelden de Franse autoriteiten de Commissie bij telexbericht van 12 mei 1986 mee, dat het Franse quotum bereikt was, en zij verzochten haar om de visserij op deze soort in dit gebied te sluiten . Door een quotaruil tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 5, lid 1, van voormelde verordening nr . 170/83, die de Commissie ter kennis is gebracht bij telexbericht van 2 juni 1986, werd het Franse vangstquotum voor roodbaars in de wateren van de Faeroeer opgetrokken tot 510 ton . Dat verhoogde quotum, dat eind september 1986 nagenoeg was uitgeput ( 506 ton ), is overschreden in november 1986 ( in oktober 1986 was geen roodbaars gevangen ). In 1986 bedroeg de door Frankrijk in de wateren van de Faeroeer gevangen hoeveelheid roodbaars in totaal 617 ton, ofwel 107 ton te veel .
8 Daar de Franse Republiek geen stappen had ondernomen om haar schepen voorlopig te verbieden om in de betrokken sector roodbaars te vissen, verbood de Commissie bij verordening ( EEG ) nr . 1601/86 ( PB 1986, L 140, blz . 22 ), in werking getreden op 27 mei 1986, op basis van de gegevens die de Franse autoriteiten haar bij telexbericht van 12 mei 1986 hadden meegedeeld, overeenkomstig artikel 10, lid 3, van verordening nr . 2057/82 de visserij op roodbaars .
9 Uit de vastgestelde quota-overschrijdingen leidt de Commissie af, dat de Franse Republiek in 1986 heeft verzuimd de maatregelen te nemen die nodig waren ter verzekering van de naleving van de quota die haar waren toegewezen voor de bijvangsten in de Noorse wateren en voor de vangsten van roodbaars in de wateren van de Faeroeer .
10 Tot staving van haar beroep betoogt de Commissie met name, dat de quota-overschrijdingen zijn toe te schrijven aan het feit, dat de Franse Republiek niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 op de Lid-Staten rustende verplichting, tijdig een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen .
11 Voorts betoogt de Commissie, dat deze quota-overschrijdingen zijn toe te schrijven aan het feit, dat de Franse Republiek heeft verzuimd om de voor de vaststelling van de voorschriften voor het gebruik van de aan Frankrijk toegewezen vangstquota benodigde maatregelen te nemen, zoals voorgeschreven in artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 .
12 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De grief ontleend aan de te late sluiting van de visserij
13 Met deze grief verwijt de Commissie de Franse Republiek, dat zij, door na te laten voor de betrokken visbestanden een voorlopig vangstverbod uit te vaardigen zodra uitputting van de quota dreigde, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 op haar rustende verplichtingen .
14 Ter beoordeling van de gegrondheid van de stelling van de Commissie, zij er om te beginnen aan herinnerd, dat artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 luidt : "Iedere Lid-Staat stelt de datum vast waarop, ten gevolge van de vangsten uit een aan quota onderworpen bestand of groep bestanden, verricht door vissersvaartuigen die de vlag van die Lid-Staat voeren of daar zijn geregistreerd, het voor deze Lid-Staat met betrekking tot dat bestand of die groep bestanden geldende quotum wordt geacht volledig te zijn gebruikt . Hij vaardigt met ingang van die datum een voorlopig verbod uit op het vangen van vis uit dat bestand of die groep bestanden door de bedoelde vaartuigen, alsmede op het aan boord houden, overladen en lossen voor zover de vangsten na die datum zijn gedaan en stelt een datum vast tot welke het overladen en het lossen of de laatste kennisgevingen over de vangsten zijn toegestaan . Deze maatregel wordt onverwijld medegedeeld aan de Commissie, die de overige Lid-Staten hiervan in kennis stelt ."
15 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat artikel 10 van verordening nr . 2057/82 niet met zoveel woorden wordt genoemd bij de bepalingen die in acht moeten worden genomen bij het beheer van de over de Lid-Staten verdeelde vangstquota voor vaartuigen die in de economische zone van Noorwegen, in de visserijzone rond Jan Mayen en in de wateren van de Faeroeer vissen . Artikel 2 van de verordeningen nrs . 3730/85 en 3732/85 bepaalt immers uitsluitend, dat de Lid-Staten en de kapiteins van vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren en die in voormelde wateren vissen, zich dienen te houden aan de bepalingen van de artikelen 3 tot en met 9 van verordening nr . 2057/82 .
16 Dienaangaande heeft het Hof in het arrest van 20 maart 1990 ( zaak C-62/89, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1990, blz . I-925, r.o . 14 ) geoordeeld, dat de omstandigheid dat artikel 10 van verordening nr . 2057/82 - waarvan de toepasselijkheid overigens in casu door de Franse Republiek niet is betwist - in de verordeningen nrs . 3730/85 en 3732/85 niet met zoveel woorden wordt genoemd, niet wegneemt dat de Lid-Staten gebonden zijn aan deze algemene regel, die onontbeerlijk is ter verzekering van de doeltreffendheid van iedere regeling inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden, waarbij de voor de Gemeenschap beschikbare vangsthoeveelheid in de vorm van quota over de Lid-Staten wordt verdeeld . Bijgevolg is artikel 10 van verordening nr . 2057/82 in casu van toepassing .
17 Meer in het bijzonder met betrekking tot de grief van de Commissie zij eraan herinnerd, dat het Hof in voormeld arrest van 20 maart 1990, Commissie/Frankrijk, reeds voor recht heeft verklaard, dat uit artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 volgt, dat de Lid-Staten tijdig alle maatregelen moeten nemen die nodig zijn om overschrijding van de betrokken quota te voorkomen, ten einde met het oog op de instandhouding van de visbestanden de inachtneming van de aan de Lid-Staten toegewezen quota te verzekeren ( r.o . 17 ).
18 Ter rechtvaardiging van haar verzuim voert de Franse Republiek vier reeksen argumenten aan .
19 In de eerste plaats beroept zij zich op praktische moeilijkheden, waardoor zij niet zou hebben kunnen voorzien dat uitputting van de betrokken quota dreigde . Dienaangaande betoogt de Franse Republiek, dat de in de onderhavige procedure aan de orde zijnde wateren zeer verafgelegen zijn, zodat de informatie over de vangsten reeds achterhaald kon zijn op het ogenblik waarop zij werd ontvangen . Voorts wijst zij erop, dat de betrokken vangsten seizoengebonden zijn . Met betrekking tot het quotum voor de bijvangsten in de Noorse wateren kwam daar nog bij, dat het Franse quotum niet erg groot was, terwijl in die wateren schepen met grote capaciteit visten . Bovendien betoogt de Franse Republiek, dat verordening ( EEG ) nr . 2807/83 van de Commissie van 22 september 1983 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de registratie van gegevens over de visvangst van de Lid-Staten ( PB 1983, L 276, blz . 1 ), waarbij een communautair logboek is ingevoerd, vóór 1 april 1986 niet van toepassing was en dat het tot stand brengen van een systeem voor de verwerking van de logboekgegevens een aanpassingsperiode vergde .
20 Dit argument van de Franse Republiek kan niet worden aanvaard . Het is immers vaste rechtspraak ( zie bij voorbeeld het geciteerde arrest van 20 maart 1990, Commissie/Frankrijk r.o . 23 ), dat een Lid-Staat zich niet kan beroepen op praktische moeilijkheden om het niet nemen van passende controlemaatregelen te rechtvaardigen . Het is juist de zaak van de Lid-Staten, die zijn belast met de uitvoering van de gemeenschapsregelingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor visserijprodukten, om door passende maatregelen een oplossing voor die moeilijkheden te vinden .
21 In dit verband moet worden benadrukt, zoals de advocaat-generaal in punt 12 van zijn conclusie stelt, dat bij juiste toepassing van de controlemaatregelen voorzien in verordening nr . 2057/82, en met name in de artikelen 6 en 9, die voorschrijven dat alle aanlandingen moeten worden aangegeven en geregistreerd, de Franse autoriteiten over voldoende gegevens hadden moeten beschikken om uitputting van de quota te kunnen voorzien en dienovereenkomstig te handelen . Indien de Franse Republiek die maatregelen ontoereikend achtte, dan had zij krachtens artikel 14 van verordening nr . 2057/82 bijkomende voorschriften kunnen vaststellen die verder gingen dan de minimumeisen van die verordening . De Commissie heeft dus terecht gesteld, dat de Franse Republiek van de scheepskapiteins had kunnen verlangen, dat zij de in hun bezit zijnde vangstgegevens via de radio zouden doorgeven, of een vergunningenstelsel had kunnen invoeren waarbij de schepen van tevoren toestemming kregen om een bepaalde hoeveelheid aan de quota onderworpen vis te vangen .
22 Met betrekking tot de gestelde noodzaak van een aanpassingsperiode in verband met de invoering van een systeem voor de inzameling en de verwerking van de logboekgegevens, zij eraan herinnerd dat, zoals het Hof heeft geoordeeld in voormeld arrest van 20 maart 1990, Commissie/Frankrijk ( r.o . 25 ), verordening nr . 2807/83, in werking getreden op 1 april 1985, slechts een eenvormig model voor het logboek heeft ingevoerd . De verplichting tot het bijhouden van een logboek, waarin de gevangen hoeveelheden per soort en de datum en de plaats van de vangsten worden vermeld, komt echter reeds voor in artikel 3 van de op 1 januari 1983 in werking getreden verordening nr . 2057/82 . Bijgevolg mocht redelijkerwijs worden verwacht, dat de Franse Republiek in 1986 een systeem had ingevoerd dat haar in staat stelde om de gegevens van de logboeken doeltreffend te gebruiken .
23 Als tweede argument voert de Franse Republiek aan, dat in casu niet met zekerheid is komen vast te staan, dat de twee betrokken quota zijn overschreden, en evenmin in welke mate . Zij beklemtoont in de eerste plaats, dat de omrekeningscoëfficiënten die de Lid-Staten toepassen ter berekening van de vangsthoeveelheden in levend gewicht op basis van de aangelande vangsten aan schoongemaakte vis, van gemeenschapswege niet zijn geharmoniseerd . Bovendien zou de roodbaarsvangst ten dele hebben plaatsgevonden in wateren waaromtrent jurisdictieconflicten bestonden tussen het Verenigd Koninkrijk en de Faeroeer .
24 Wat de uit de toepassing van de omrekeningscoëfficiënt voortvloeiende onzekerheidsmarge betreft, heeft het Hof in voormeld arrest van 20 maart 1990, Commissie/Frankrijk ( r.o . 28 ) in antwoord op hetzelfde argument reeds vastgesteld, dat de Franse autoriteiten deze coëfficiënt zelf hebben gebruikt ter bepaling van de aan de Commissie meegedeelde vangstcijfers . Onder deze omstandigheden kan de Franse Republiek de betrouwbaarheid van deze berekeningswijze niet betwisten . Zo er al een onzekerheidsmarge zou bestaan, is deze hoe dan ook beperkt en kan zij zeker geen verklaring bieden voor de aanzienlijke quota-overschrijdingen die in casu zijn geconstateerd : te weten 21% bij het verhoogde quotum voor roodbaars en 60% bij het quotum voor de bijvangsten .
25 Met betrekking tot de gestelde jurisdictieconflicten tussen het Verenigd Koninkrijk en de Faeroeer heeft het Hof reeds uitgemaakt ( voormeld arrest van 20 maart 1990, Commissie/Frankrijk, r.o . 30 ), dat ingevolge artikel 2, sub b, van de Overeenkomst betreffende de visserij tussen de EEG enerzijds, en de regering van Denemarken en de plaatselijke regering van de Faeroeer anderzijds, de autoriteiten van de Faeroeer jaarlijks "de vangstquota voor vissersvaartuigen van de Gemeenschap, alsmede de gebieden waarin deze quota mogen worden gevangen" bepalen . De lijst met vangstquota en visserijzones wordt aan de Commissie overgelegd, en op basis hiervan worden de quota over de Lid-Staten verdeeld . Aangezien er in genoemde visserijovereenkomst geen enkel voorbehoud is gemaakt met betrekking tot een eventueel jurisdictieconflict tussen het Verenigd Koninkrijk en de Faeroeer, en aangezien er door de belanghebbende Lid-Staat generlei bezwaar is gemaakt tegen de door de autoriteiten van de Faeroeer aangeduide zone, heeft de Franse Republiek niet aangetoond, dat er twijfel bestaat over de vraag, of alle door de Commissie in deze procedure in aanmerking genomen vangsten wel afkomstig zijn uit de onder de jurisdictie van de Faeroeer vallende visserijzone . Zij kan dit argument dan ook niet inroepen ter rechtvaardiging van de onderhavige quotumoverschrijding .
26 Als derde argument voert de Franse Republiek aan, dat in elk geval het totale quotum waarover de Gemeenschap voor de betrokken bestanden in de Noorse wateren en in die van de Faeroeer beschikte, in 1986 niet volledig werd gebruikt, zodat de Franse quota-overschrijdingen geen nadeel konden toebrengen aan andere Lid-Staten en evenmin afbreuk konden doen aan de door de communautaire wetgeving nagestreefde doelstellingen inzake de instandhouding van de visbestanden of aan de overeenkomsten tussen de Gemeenschap en de betrokken derde landen .
27 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in voormeld arrest van 20 maart 1990, Commissie/Frankrijk ( r.o . 32 ), dat de totale door de Gemeenschap in 1986 in de betrokken wateren gevangen hoeveelheid vis, waarvan het cijfer pas aan het einde van dat jaar bekend werd, niet van invloed was op de verplichting van een Lid-Staat om tijdig de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming dat het hem toegekende nationale quotum uitgeput zou raken .
28 Met haar vierde argument ten slotte bestrijdt de Franse Republiek de criteria die de Commissie toepast ter beoordeling van het beheer van en het toezicht op de quota door de Lid-Staten . Om te beginnen betoogt zij, dat de Commissie zich bij haar beslissing om al dan niet een procedure op grond van artikel 169 EEG-Verdrag wegens quota-overschrijding in te leiden, niet mag baseren op de omvang van de overbevissing in verhouding tot het totale quotum, doch moet uitgaan van de absolute omvang van de overbevissing, dat wil zeggen van het aantal ton waarmee het quotum is overschreden . Zo zou de Commissie de omvang van de overschrijding van de betrokken quota dus moeten vergelijken met de overschrijdingen bij andere quota, die haars inziens onbelangrijk waren en die zij dan ook niet in aanmerking heeft genomen; ook zou zij rekening moeten houden met de vangstcapaciteit van de schepen die de quota opvissen . Vervolgens stelt zij, dat de Commissie bij de beoordeling van de ernst het tijdsverloop tussen de datum van uitputting van de quota en de datum van het beëindigen van de visserij, rekening moet houden met de termijnen van de gemeenschapsregeling, volgens welke de scheepskapiteins de logboekgegevens minstens om de vijftien dagen en in ieder geval binnen 48 uur na de aanlanding aan de nationale autoriteiten moeten meedelen en de Lid-Staten een termijn van vijftien dagen hebben om hun maandelijkse vangstaangifte bij de Commissie in te dienen .
29 Met betrekking tot het eerste punt zij opgemerkt dat, zoals de Commissie terecht stelt, beoordeling van de omvang van de overschrijding van een quotum op basis van de absolute waarde, dat wil zeggen uitgedrukt in ton, zinloos is, daar de aan de Lid-Staten toegewezen quota in hoeveelheid sterk uiteenlopen . Uit een beoordeling van de percentuele overbevissing daarentegen kan worden opgemaakt, of er al dan niet een doeltreffend beheer van en toezicht op de quota is geweest . Zoals de Commissie nog heeft beklemtoond, deed de grote vangstcapaciteit van de Franse schepen die in de betrokken wateren visten niets af aan de verplichting van de Franse autoriteiten om de naleving van de quota te verzekeren, maar had juist tot nog grotere waakzaamheid aanleiding moeten geven .
30 Wat het tweede punt aangaat, merkt de Commissie terecht op, dat een Lid-Staat zich niet met een beroep op de minimumeisen van de gemeenschapsregeling kan onttrekken aan de verantwoordelijkheden die hij op het vlak van de naleving van de hem toegekende vangstquota heeft . Met betrekking tot de termijn van vijftien dagen voor de mededeling van de vangsten zij eraan herinnerd, dat de Lid-Staten bevoegd zijn te bepalen, dat de informatie sneller wordt meegedeeld, bij voorbeeld via de radio . Voorts kan de termijn van vijftien dagen voor de mededeling van de maandelijkse vangstcijfers aan de Commissie in geen geval een rechtvaardiging vormen voor het verzuim van de Franse Republiek, de nodige maatregelen vast te stellen om de visserij voorlopig stop te zetten zodra uitputting van de quota dreigde .
31 Aangezien geen van de door de Franse Republiek tegen de grief van de Commissie aangevoerde argumenten kan worden aanvaard, moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door de inachtneming van de haar voor het jaar 1986 toegekende quota voor bijvangsten in de Noorse wateren en voor roodbaars in de wateren van de Faeroeer niet te verzekeren, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82, in samenhang met artikel 1 van verordeningen de nrs . 3730/85 en 3732/85 .
De subsidiaire grief
32 In haar verzoekschrift verwijt de Commissie de Franse Republiek tevens, dat zij de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83, dat bepaalt : "De Lid-Staten stellen, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vast voor het gebruik van de hun toegewezen quota ."
33 Op een schriftelijke vraag van het Hof aan de Commissie om opgave van concrete elementen waaruit de schending van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 door de Franse Republiek blijkt, antwoordde de Commissie in de eerste plaats, dat deze bepaling een algemene strekking heeft en ziet op alle voorschriften die nodig zijn om te verzekeren dat de quota in overeenstemming met de relevante communautaire bepalingen worden gebruikt, zodat dus elk aan een Lid-Staat toe te rekenen geval van overbevissing schending van artikel 5, lid 2, oplevert . In de tweede plaats stelde zij, dat aangezien de bepalingen van verordening nr . 2057/82, daaronder begrepen artikel 10, lid 2, ofschoon ze zijn vastgesteld vóór verordening nr . 170/83, de algemene verplichting van artikel 5, lid 2, van laatstgenoemde verordening alleen maar nader preciseren, elke schending van artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82 automatisch schending van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83 oplevert . Ten slotte stelde de Commissie, dat de te late stopzetting van de visserij te wijten is aan het feit, dat de betrokken Lid-Staat niet de nodige maatregelen heeft vastgesteld, naast die welke verordening nr . 2057/82 voorschrijft, om de vangstinformatie te verkrijgen die is bedoeld om hem in staat te stellen, quota-overschrijding te voorkomen, en dat dus ook deze nalatigheid in het quotabeheer als een schending van artikel 5, lid 2, is aan te merken .
34 Deze argumenten falen evenwel . Immers, een algemene bepaling kan slechts zelfstandig toepassing vinden in situaties waarvoor het gemeenschapsrecht niet in specifiekere regels heeft voorzien . Daaruit volgt, dat wanneer een bepaling van algemene strekking, zoals artikel 5, lid 2, van verordening nr . 170/83, door een bijzondere bepaling, zoals in casu artikel 10, lid 2, van verordening nr . 2057/82, is uitgewerkt en het Hof heeft vastgesteld dat een Lid-Staat deze specifieke verplichting niet is nagekomen, niet meer behoeft te worden onderzocht, of de betrokken Lid-Staat ook nog de algemene bepaling heeft geschonden waarop die verplichting berust .
35 Bovendien is het vaste rechtspraak ( zie bij voorbeeld het reeds aangehaalde arrest van 20 maart 1990, Commissie/Frankrijk, r.o . 37 ), dat de Commissie in een procedure op grond van artikel 169 EEG-Verdrag de gestelde inbreuk moet aantonen . De Commissie dient bijgevolg tot staving van haar beroep feitelijke en juridische gronden aan te voeren, die het Hof in staat stellen na te gaan, of er sprake is van een inbreuk . In casu heeft de Commissie voormelde argumenten evenwel eerst in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof naar voren gebracht .
36 Mitsdien moet de door de Commissie aangevoerde subsidiaire grief worden afgewezen .
Beslissing inzake de kostenKosten
37 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Franse regering op de meeste onderdelen van haar middelen in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat :
1 ) Door niet de inachtneming te verzekeren van de haar voor het jaar 1986 toegekende vangstquota voor "andere soorten ( bijvangsten )" in de Noorse wateren en voor roodbaars in de wateren van de Faeroeer, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 10, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de activiteiten van vissersvaartuigen uit de Lid-Staten, in samenhang met artikel 1 van de verordeningen ( EEG ) nrs . 3730/85 van de Raad van 20 december 1985 houdende verdeling van bepaalde vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die vissen in de economische zone van Noorwegen en in de visserijzone rond Jan Mayen, en 3732/85 van de Raad van 20 december 1985 houdende verdeling van de vangstquota over de Lid-Staten voor vaartuigen die in de wateren van de Faeroeer vissen .
2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige .
3 ) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure .
Top